De heer Jones deed geen oog digt in de eerste uren van den nacht,—wat
niet toe te schrijven was aan eenig verdriet over de teleurstelling,
welke Lady Bellaston hem berokkend had;—noch was Sophia zelve (hoewel
zij de meeste zijner slapelooze uren op hare rekening had) thans de
oorzaak van zijne rusteloosheid. Het ware van de zaak was, dat de arme
Jones een der goedaardigste menschen ter wereld was, en dat hij gebukt
ging onder die zwakheid, welke men medelijden noemt, en die den mensch
zoo zeer vernedert in vergelijking van hen die het geluk hebben van die
edelmoedige standvastigheid te bezitten, welke den mensch, als het
ware, in zich zelven oprolt, en hem ongevoelig maakt voor de rampen van
anderen. Hij kon dus niet nalaten om medelijden te gevoelen met de arme
Nancy, wier liefde tot den heer Nightingale hem zoo duidelijk zigtbaar
scheen, dat hij verbaasd stond over de verblinding harer moeder, die
den vorigen avond, meer dan eens gesproken had over de groote
verandering in hare dochter, „die,” zoo als zij zeide, „vroeger een der
levendigste, vrolijkste meisjes ter wereld was, en thans op eens diep
neerslagtig en droefgeestig scheen geworden te zijn.”
De slaap echter overwon eindelijk alle bezwaren, en scheen als ware hij
werkelijk eene godheid geweest, zoo als de ouden zich verbeeldden,—en
nog wel eene vertoornde, van zijne duurgekochte overwinning gebruik te
willen maken. Om duidelijker te spreken, en zonder eenige
beeldspraak,—de heer Jones sliep tot den volgenden morgen elf uur, en
zou welligt nog een tijdlang de rust genoten hebben, als hij niet door
een hevig rumoer in huis gewekt ware geworden.
Hij riep Partridge, vroeg wat er te doen was en vernam „dat er beneden
in huis een vreeselijk onweer losgebarsten was; dat jufvrouw Nancy het
op de zenuwen had, en dat de andere zuster en de moeder, beiden, over
haar stonden te jammeren en te klagen.”
Jones drukte veel ontsteltenis uit over deze tijding, welke Partridge
trachtte te verligten, door met een glimlach te zeggen, „dat hij niet
geloofde dat de jonge dame in doodsgevaar verkeerde; want dat Suze, de
meid, hem had doen verstaan, dat het niets buitengewoons was; met één
woord,” zeide hij, „jufvrouw Nancy heeft lust gekregen om even wijs te
worden als hare moeder ’t is; anders niets! Het schijnt dat zij wat
gulzig geweest is, en aan tafel is gegaan zonder te bidden;—en dus
wacht men een kindje voor het Vondelingen-Huis.”
„Ik verzoek u uit te scheiden met dergelijke laffe aardigheden!” riep
Jones. „Durft gij te spotten met de ellende dezer arme menschen? Ga
dadelijk naar jufvrouw Miller, en zeg haar, dat ik verlof vraag neen,
blijf hier! Gij zoudt de eene of andere domheid begaan;—ik zal zelf
gaan; zij vroeg me gisteren avond om heden morgen bij haar te komen
ontbijten.”
Hij stond dus op, kleedde zich aan, zoo vlug mogelijk, en terwijl hij
bezig was, kon Partridge zich niet onthouden, in weerwil van vele
strenge verwijten, om zekere grofheden, die gewoonlijk aardigheden
genoemd worden, over deze zaak te uiten. Zoodra Jones klaar was, ging
hij naar beneden, tikte aan de deur en werd dadelijk door de meid in de
voorkamer gelaten, welke even weinig menschen als toebereidselen voor
het ontbijt bevatte. Jufvrouw Miller was in de binnenkamer met hare
dochter, van waar de meid spoedig den heer Jones de boodschap bragt,
„dat de jufvrouw hoopte, dat hij haar de teleurstelling te goed zoude
houden, maar dat er een ongeluk gebeurd was, waardoor het haar
onmogelijk was om het genoegen te hebben hem dien morgen aan ’t ontbijt
te zien, en dat hij het haar vergeven moest, dat zij verzuimd had hem
vroeger daarvan te verwittigen.”
Jones verzocht dat zij zich volstrekt niet om hem bekommeren zoude,—dat
het hem alleen speet, dat zij zulk eene treurige aanleiding had om hem
niet te ontvangen; en dat hij in alles, waartoe hij bij magte was, tot
hare dienst stond.
Hij had dit naauwelijks gezegd toen jufvrouw Miller, die alles had
kunnen hooren, plotseling de deur open wierp en hem met een stortvloed
van tranen naderende, uitriep:
„O, mijnheer Jones, gij zijt zeker een der beste menschen ter wereld!
Duizendmaal dank voor uwe aangebodene diensten; maar, helaas, mijnheer,
het staat niet aan u, om mijn arm meisje te redden! O mijn kind! Mijn
kind! Zij is te gronde gerigt, zij is voor altijd verloren!”
„Ik hoop toch jufvrouw,” zeide Jones, „dat geen eerlooze schelm—”
„O, mijnheer Jones!” riep zij uit, „de ellendeling, die gisteren mijn
huis verliet, heeft mijn arm meisje verraden en haar geheel ongelukkig
gemaakt.—Ik weet dat gij een man van eer zijt! Gij hebt een edel en
goed hart, mijnheer Jones! Al wat ik zelve van u gezien heb, bewijst
dat! Ik zal u alles vertellen;—en het is ook onmogelijk, na hetgeen
gebeurd is, om het geheim te houden. Die Nightingale, die ongevoelige
booswicht, heeft mijne dochter,—o, mijnheer Jones,—zij—zij—moet moeder
worden,—door hem,—en in dien toestand heeft hij haar verlaten! Hier,
mijnheer, lees zijn wreedaardigen brief! Lees hem mijnheer Jones, en
zeg me of er een grooter monster dan hij ter wereld bestaat!”
De brief luidde als volgt:
„Liefste Nancy!
„Daar het mij onmogelijk was u mondeling datgene mede te deelen,
wat, naar ik vrees, u niet minder dan mij grieven zal, heb ik mijne
toevlugt moeten nemen tot dit middel, om u te doen weten, dat mijn
vader er op staat, dat ik onmiddellijk aanzoek zal doen om de hand
van eene rijke jonge dame, die hij uitgezocht heeft voor mijne—ik
kan het gehate woord niet schrijven!
„Uw eigen gezond verstand zal u doen beseffen, hoe alleen de dwang
mij tot eene gehoorzaamheid noodzaakt, welke mij voor altijd uit
uwe schoone armen rukt. De toegenegenheid uwer moeder zal u
aanmoedigen om haar de ongelukkige gevolgen onzer liefde toe te
vertrouwen, welke gemakkelijk voor de wereld een geheim kunnen
blijven,—en voor welke, even als voor u, ik ruimschoots zorgen zal.
„Ik hoop dat gij door dit alles minder zult lijden dan ik;—roep uw
geheelen moed op, om u bij te staan en vergeet en vergeef den man,
dien niets dan de onvermijdelijke ondergang had kunnen dwingen om
dezen brief op te stellen. Ik smeek u mij alleen als minnaar te
vergeten;—want den besten uwer vrienden zult gij altijd vinden in,
Uw getrouwen, ongelukkigen
J. N.”
Toen Jones dezen brief uitgelezen had, bleven beide elkaar een
oogenblik zwijgend aanzien;—eindelijk echter zeide hij:
„Ik kan geene woorden vinden, jufvrouw, om uit te drukken, hoe zeer ik
getroffen ben door hetgeen ik hier gelezen heb;—maar laat ik u toch
raden in één opzigt, den wenk van den schrijver te volgen:—vergeet niet
den goeden naam uwer dochter!”
„Die is al weg, die is al verloren, mijnheer Jones!” riep zij, „even
als hare onschuld. Zij ontving dien brief in eene kamer vol menschen,
viel dadelijk in zwijm zoodra zij hem gelezen had, en de inhoud er van
werd aan iedereen bekend. Maar het verlies van haren goeden naam hoe,
erg ook, is niet het allerergste. Ik zal mijn kind verliezen; zij heeft
al twee maal getracht zich van kant te maken; en hoewel men haar dat
belet heeft, zweert zij haar ongeluk niet te willen overleven:—ik zelve
zou zoo iets niet kunnen overleven.—Wat moet er dan worden van mijne
Betsy, dat hulpelooze, zwakke kind? Dat schepseltje zal ook, geloof ik,
van verdriet sterven, als zij de ellende ziet van hare zuster en van
mij, zonder te begrijpen waardoor wij tot wanhoop gebragt worden. O,
zij is het gevoeligste en teerhartigste schepseltje! O die
wreedaard,—hij heeft ons allen te gronde gerigt! O mijne arme kinderen!
Is dit het loon voor al mijne zorgen? Is dit de uitslag van mijne
verwachtingen? Heb ik met zoovele opgeruimdheid al de zorgen en pligten
eener moeder waargenomen,—ben ik zoo bezorgd geweest voor hare
kindschheid,—voor hare opvoeding, heb ik zoo vele jaren gezwoegd, en
zelfs veel ontbeerd, ten einde iets voor haar over te leggen,—om nu
eene, of beiden, op deze wijze te verliezen?”
„Wezenlijk, jufvrouw,” zeide Jones, „ik heb innig medelijden met u!”
„O, mijnheer Jones,” hernam zij, „zelfs gij, wiens goedaardigheid mij
bekend is, kunt u geen begrip maken van hetgeen ik gevoel! De beste, de
liefste, de gehoorzaamste mijner dochters! O, mijne arme Nancy! Mijne
lieveling! De vreugde mijner oogen, de trots van mijn hart! Waar ik
inderdaad te trotsch op was! Want aan de dwaze, eerzuchtige hoop, welke
op hare schoonheid gegrond was, dank ik haren ondergang. Helaas! Ik zag
met welgevallen de neiging, welke die man voor haar koesterde. Ik dacht
dat het eene eerlijke liefde was, en vleide mij in mijne dwaze
ijdelheid, met de gedachte van haar gehuwd te zien met iemand, die naar
de wereld, zoo veel boven haar verheven was. En duizendmaal, in mijn
bijzijn,—en in het uwe,—heeft hij deze hoop aangemoedigd en gestreeld
door de edelmoedigste verklaring omtrent belangelooze liefde,—welke hij
ook altijd tot mijn arm meisje rigtte, en aan welker opregtheid zij,
even als ik, geloofde! Had ik kunnen vermoeden, dat dit alleen strikken
waren om mijn arm onschuldig kind en om ons allen te gronde te rigten!”
Bij deze woorden kwam de kleine Betsy in de kamer loopen, met den
uitroep: „Lieve mama, in ’s hemels naam, kom bij zuster Nancy! Zij
heeft het weder op de zenuwen, en nicht kan haar niet meer houden!”
Jufvrouw Miller verwijderde zich dadelijk; maar beval Betsy bij
mijnheer Jones te blijven, hem smeekende haar een paar minuten bezig te
houden, terwijl zij met de meeste aandoening zeide: „Goede Hemel! Laat
mij ten minste één mijner kinderen behouden!”
Jones bewilligde in haar verzoek en deed zijn best om het kind te
troosten, schoon hij zelf werkelijk zeer aangedaan was door het verhaal
van jufvrouw Miller. Hij verzekerde het meisje, „dat hare zuster
spoedig weder beter zou wezen, en dat zij, door zich zoo aan te
stellen, niet slechts hare zuster benadeelen, maar ook hare moeder ziek
zou maken.”
„Wezenlijk, mijnheer,” hernam het meisje, „ik zou niets ter wereld
willen doen om haar te benadeelen! Ik zou het liever verkroppen tot
mijn hart brak, dan dat zij mij zagen weenen.—Maar, mijne arme zuster
kan me niet meer zien weenen! Wezenlijk,—ik kan haar niet missen! Neen,
dat kan ik niet! En onze arme mama! Wat moet er van haar worden?—Zij
zegt ook dat zij sterven wil, en mij alleen laten;—maar, ik heb vast
besloten om niet alleen te blijven.”
„Vreest gij den dood niet, mijne kleine Betsy?” vroeg Jones.
„Ja,” antwoordde het kind, „ik ben altijd bang geweest dat ik sterven
zou, omdat ik dan mama en Nancy had moeten verlaten;—maar ik vrees niet
waarheen ook te gaan met degenen die ik lief heb.”
Jones was zoodanig met dit antwoord ingenomen, dat hij het kind
hartelijk kuste, en jufvrouw Miller trad kort daarop in de kamer,
zeggende, „dat zij den Hemel dankte, dat Nancy nu weer bijgekomen was.
En nu, Betsy,” voegde zij er bij, „ga maar naar binnen; want uwe zuster
bevindt zich iets beter en verlangt om u te zien.”
Zij wendde zich daarop weder tot Jones en begon met nieuwe
verontschuldigingen, dat zij hem bij het ontbijt teleurgesteld had.
„Ik hoop, jufvrouw,” hernam hij, „een nog heerlijker feestmaal te
genieten, dan gij mij hadt kunnen verschaffen,—als het mij maar gelukt
aan uw liefderijk huisgezin eenige dienst te bewijzen,—en hoe ook mijne
pogingen afloopen, heb ik toch vast besloten, om iets te wagen. Ik zou
me zeer vergissen in den heer Nightingale, als hij, niettegenstaande
hetgeen er gebeurd is, in den grond van zijn hart niet even goed is als
hij opregte liefde jegens uwe dochter koestert. Is dat het geval, dan
geloof ik wel, dat hij getroffen zal worden door de schilderij welke ik
voor hem ophangen zal. Tracht inmiddels, jufvrouw, u zelve en uwe
dochter zoo veel mogelijk te troosten. Ik ga dadelijk den heer
Nightingale zoeken, en hoop u spoedig goede berigten te brengen.”
Jufvrouw Miller viel op de knieën en riep den zegen des Hemels over
Jones in, tevens op de hartstogtelijkste wijze hare dankbaarheid
uitende. Daarop vertrok hij om den heer Nightingale op te sporen, en de
goede vrouw keerde terug om hare dochter te troosten, die eenigzins
verligt werd door hetgeen hare moeder haar vertelde,—en beide
vereenigden zich nu om den lof van Jones te verkondigen.