DE KORTE GESCHIEDENIS VAN JUFVROUW MILLER.

Jones gebruikte dien dag, voor een zieke, een tamelijk goed middagmaal,

dat wil zeggen, de grootste helft van een schapenbout. Des namiddags

ontving hij eene uitnoodiging van jufvrouw Miller op de thee; want die

goede vrouw, hetzij door Partridge, of op eene andere natuurlijke of

bovennatuurlijke wijze vernomen hebbende, dat hij eene betrekking was

van den heer Allworthy, kon er niet aan denken in toorn van hem te

scheiden.

Jones nam de uitnoodiging aan, en zoodra de theeboel opgeruimd was en

de meisjes de kamer verlaten hadden, begon de weduwe, zonder verdere

inleiding, als volgt:

„Nu, er gebeuren wel eens vreemde dingen in de wereld;—maar niets is

zoo vreemd dan dat ik eene betrekking van mijnheer Allworthy onder mijn

dak zou ontvangen hebben, zonder er iets van te weten. Helaas,

mijnheer, gij kunt u niet verbeelden welk een vriend voor mij en de

mijnen die heer geweest is! Ja, mijnheer, ik schaam me niet te

bekennen, dat ik het alleen aan zijne goedheid te danken heb, dat ik

niet reeds lang geleden van gebrek omkwam, en mijne beide kinderen

achterliet als twee beroofde, hulpelooze, verlatene weezen,—aan de

zorgen, of liever aan de wreedheid van de wereld.

„Gij moet namelijk weten, mijnheer, dat hoewel ik er nu toe gebragt ben

om den kost te verdienen door kamers te verhuren, ik in een

fatsoenlijken stand geboren en opgevoed ben. Mijn vader was officier

bij het leger en had een aanzienlijken rang bereikt bij zijn dood; maar

hij had steeds zijn traktement verteerd, en daar dat met zijn leven

ophield, werd zijn gezin bij zijn sterven tot den bedelstaf gebragt.

Wij waren drie zusters. Eene van ons had het geluk kort daarna aan de

pokken te sterven;—eene dame had de goedheid om de tweede bij zich te

nemen, uit christelijke liefde, gelijk zij zeide, om haar te bedienen.

De moeder van deze dame was dienstmeid geweest bij mijne grootmoeder,

en een groot vermogen geërfd hebbende van haar vader, die lombardhouder

was, huwde zij een heer van hoogen rang en aanzien. Zij behandelde

mijne zuster met zooveel wreedheid,—haar dikwerf hare afkomst en hare

armoede verwijtende, en haar uit spot „eene dame” heetende, dat, naar

ik geloof, zij eindelijk het arme meisje het hart brak. Met één woord,

ook zij stierf binnen het jaar na mijn vader.

„Het behaagde de Voorzienigheid beter voor mij te zorgen, en binnen

ééne maand na zijn dood, was ik gehuwd met een dominé, die mij al lang

bemind had, en die om die reden zeer slecht behandeld was geworden door

mijn vader;—want hoewel de arme man ons geen van allen een duit mede

geven kon, bragt hij ons even weelderig groot, en beschouwde ons,—en

wilde dat wij ons ook beschouwden,—als rijke erfgenamen.—Maar mijn

beste man vergat deze slechte behandeling en zoodra wij ouderloos

waren, hernieuwde hij zijn aanzoek met zooveel vuur, dat ik, die altijd

van hem gehouden had, en hem thans meer dan ooit hoogachtte, weldra

bezweek. Ik leefde vijf jaren volmaakt gelukkig, met dien besten

man,—toen eindelijk—o wreed, wreed lot, dat mij van den liefderijksten

echtgenoot en mijne arme meisjes van den besten vader beroofde!—O mijne

arme meisjes, die nooit den zegen hebt gekend, welken gij missen

moest!—Ik schaam mij over deze vrouwelijke weekheid, mijnheer

Jones;—maar ik kan hem nooit zonder tranen noemen!”

„Ik moest mij eerder schamen,” zei Jones, „dat mijne tranen niet met de

uwen vloeijen.”

„Nu, mijnheer,” hervatte zij: „ik was thans ten tweeden male in een

veel ergeren toestand dan de eerste keer;—behalve de smart, die ik

overwinnen moest, had ik nu twee kinderen te verzorgen, en zoo

mogelijk, was ik nog armer dan vroeger, toen die groote, goede,

heerlijke mijnheer Allworthy, die eenigzins bekend was met mijn

echtgenoot, toevallig van mijn ongeluk hoorde en mij dadelijk dezen

brief zond.—Zie hier, mijnheer, ik heb hem op zak gestoken, om hem u te

doen lezen. Daar is de brief, mijnheer: ik zal, ik moet hem u

voorlezen.”

Mejufvrouw!

Met u betreur ik uw pas geleden onherstelbaar verlies, hetwelk uw

eigen gezond verstand en de uitnemende lessen, welke gij van den

waardigsten der mannen zeker ontvangen hebt, u beter zullen helpen

dragen dan eenige raad, welken ik u geven kan. Ik twijfel ook niet

of gij, die, naar ik verneem, de teederste moeder zijt, zult perken

weten te stellen aan uwe droefheid, zoodat ze u niet ongeschikt

maakt om uw pligt waar te nemen ten opzigte van de arme kleinen,

die nu alleen behoefte gevoelen aan uwe liefde.

„Daar men echter veronderstellen moet, dat gij op dit oogenblik

ongeschikt zijt voor vele wereldsche berekeningen, zult gij het mij

ten goede willen houden, dat ik iemand belast heb u de som van

twintig guinjes uit te betalen voor mij, welke ik u smeek te willen

aannemen tot ik het genoegen heb van u te zien, terwijl ik blijf,

enz.

„Dezen brief ontving ik, mijnheer, nog geen veertien dagen na het

onherstelbaar verlies dat ik geleden had,—en nog geen veertien dagen

later, kwam de heer Allworthy,—die voortreffelijke heer Allworthy, mij

een bezoek brengen, vestigde mij in dit huis, gaf me eene zware som

gelds om het te meubeleren, en verzekerde me daarenboven een

jaarlijksch inkomen van vijftig pond, dat ik sedert dien tijd

onafgebroken ontvangen heb. Oordeel dus, mijnheer Jones, hoeveel

eerbied ik koesteren moet voor een weldoener, wien ik het behoud van

mijn eigen leven en van die lieve kinderen, om welker wil alleen het

leven voor mij eenige waarde heeft, te danken heb.—Geloof dus niet dat

het ongepaste vrijmoedigheid van mij is,—daar ik achting koesteren moet

voor iemand, die, zoo als mij bekend is, zoo zeer bemind wordt door den

heer Allworthy,—als ik u smeek niet meer om te gaan met die slechte

vrouwen! Gij zijt nog jong en kent de helft harer listige streken niet!

Wees ook niet boos op mij, mijnheer, wegens hetgeen ik u zeide over den

goeden naam van mijn huis;—gij moet gevoelen, dat het verlies daarvan

het ongeluk zou wezen van mijne arme meisjes. Bovendien, mijnheer, moet

het u bekend zijn, dat de heer Allworthy het mij nooit vergeven zou,

als hij vernam, dat ik zoo iets oogluikend toeliet,—vooral met u!”

„Op mijn woord, jufvrouw,” zei Jones, „gij behoeft u niet verder te

verontschuldigen; en ik neem u ook al wat gij gezegd hebt, in het minst

niet kwalijk; maar veroorloof mij,—daar niemand den heer Allworthy

hooger achten kan dan ik,—om u eene dwaling te benemen, welke hem

welligt niet tot eer zou strekken;—ik verzeker u dat ik volstrekt geen

bloedverwant van hem ben!”

„Helaas, mijnheer, dat weet ik best!” hernam zij. „Ik weet ook zeer

goed wie gij zijt; want mijnheer Allworthy heeft me zelf alles

verteld;—maar ik verzeker u, al waart gij twintig maal zijn zoon

geweest, had hij geene meerdere liefde voor u kunnen uiten, dan hij aan

mij gedaan heeft. Gij behoeft u volstrekt niet te schamen, mijnheer,

over wat gij zijt;—ik verzeker u dat geen goed mensch ter wereld u

minder daarom achten zal. Neen, mijnheer Jones, de woorden „van

oneerlijke geboorte” zijn onzin, zoo als mijn beste goede man plagt te

zeggen,—tenzij het woord „oneerlijk” toegepast worde op de ouders; want

de kinderen kunnen geene schande dragen van eene daad, waaraan zij

geheel onschuldig zijn.”

Hier zuchtte Jones zwaar, en zeide:

„Daar ik zie, jufvrouw, dat gij mij wezenlijk kent, en de heer

Allworthy goed gevonden heeft mij aan u te noemen, en daar gij ook zoo

openhartig met mij geweest zijt omtrent uwe eigene zaken, zal ik u ook

bekend maken met eenige omstandigheden, welke mij betreffen.”

Dewijl nu jufvrouw Miller het grootste verlangen en de meeste

nieuwsgierigheid toonde om hem te hooren, begon hij dadelijk en

vertelde haar zijne geheele geschiedenis, zonder echter eenige melding

te maken van Sophia’s naam.

Er bestaat eene soort van sympathie onder eerlijke zielen, waardoor zij

er ligt toe komen om elkaar vertrouwen te schenken. Jufvrouw Miller

geloofde dan ook alles wat Jones haar mededeelde, en toonde veel

medelijden en deelneming met zijn lot. Zij was al begonnen met over

zijn verhaal uit te weiden; maar werd in de rede gevallen door Jones;

want daar het uur der komst van Lady Bellaston nu naderde, begon hij te

onderhandelen over eene tweede zamenkomst met die dame op zijne kamer,

belovende dat deze de laatste zou wezen in dat huis; terwijl hij zwoer

dat het iemand van hoogen stand was, en dat er niets gebeuren zou dat

niet geheel onschuldig was;—en ik geloof ook vast dat hij voornemens

was, om woord te houden.

Eindelijk haalde hij jufvrouw Miller over, en Jones ging naar zijne

kamer, waar hij tot middernacht bleef wachten, zonder dat Lady

Bellaston verscheen.

Daar wij vermeld hebben, dat die dame eene vurige liefde tot Jones

koesterde,—wat werkelijk gebleken is het geval te wezen, zal de lezer

welligt verwonderd zijn, dat zij thans geen woord hield, op het

oogenblik dat zij hem door ziekte in huis gebonden waande,—eene

gelegenheid waarbij dergelijke vriendschappelijke bezoeken vooral

vereischt worden. Sommigen zullen dus welligt het gedrag der dame als

onnatuurlijk afkeuren;—maar dat is onze schuld niet;—want het is alleen

onze taak om de waarheid op te teekenen.

Tom Jones · 第 244 / 340 题