BEVATTENDE BRIEVEN EN ANDERE LIEFDE-ZAKEN.

Jones was pas te huis gekomen toen hij den volgenden brief ontving:

„Ik ben nooit van mijn leven meer verbaasd geweest, dan toen ik

ontdekte dat gij weggegaan waart. Toen gij de kamer verliet,

verbeeldde ik me volstrekt niet, dat gij het huis ook zoudt

verlaten zonder mij gezien te hebben. Uw gedrag is zeer consequent

en leert me hoezeer ik een hart minachten moest, dat dweept met een

onnoozel meisje;—schoon ik haast niet weet wat ik meer bewonderen

moet,—hare sluwheid of hare eenvoudigheid:—beiden zijn verbazend!

Want hoewel zij geen woord begreep van hetgeen tusschen ons

voorviel, heeft zij toch de handigheid, de onbeschaamdheid,—de—hoe

zal ik het noemen?—om mij in het aangezigt vol te houden, dat zij u

noch kent, noch ooit van te voren gezien heeft!

„Was dit een reeds tusschen u beraamd plan? Hebt gij de laagheid

gehad om mij te verraden?—O, wat veracht ik haar, u en de geheele

wereld,—maar voornamelijk mijzelve, die,—maar ik durf datgene niet

opschrijven, wat mij tot waanzin zou brengen, als ik het herlas!

Vergeet echter niet dat ik even bitter haten als teeder beminnen

kan!”

Jones had slechts weinig tijd gehad om over dezen brief na te denken,

toen hem een tweede gebragt werd, van dezelfde hand, en dezen geven wij

ook woordelijk:

„Als ge u de ontroering voorstelt, waarin ik u schreef, zult gij u

niet verwonderen over eenige uitdrukkingen in mijn laatste

briefje.—Bij nader inzien, kan het zijn, dat ze wat al te driftig

waren.—Ik wilde ten minste, zoo mogelijk, alles toeschrijven aan

die akelige komedie en aan de lastigheid van een gek, die me langer

van huis hield, dan ik gedacht had. Hoe gemakkelijk valt het niet,

wèl te denken van hen die wij beminnen!—Misschien verlangt gij dat

ik zóó over u denken zou? Ik heb besloten u heden nacht nog te

zien.—Kom dus dadelijk bij mij!

„P.S. Ik heb voor niemand anders te huis gegeven dan voor u.

„P.S. De heer Jones mag er op rekenen dat ik hem in zijne

verdediging bijstaan zal; want ik geloof niet dat hij meer

verlangend kan wezen om mij te bedriegen, dan ik om bedrogen te

worden.

„P.S. Kom onmiddellijk!”

Mannen, die aan intrigues gewoon zijn, mogen beslissen of de toornige

of de teedere brief Jones het meest verontrustte. Zeker is het, dat hij

geene hevige neiging gevoelde om dien avond eenig bezoek af te leggen,

tenzij bij ééne persoon. Evenwel, beschouwde hij zich als door zijn eer

verpligt, en al ware dit geen voldoende beweegreden geweest, zou hij

het niet gewaagd hebben, Lady Bellaston tot die drift aan te hitsen,

waartoe hij haar in staat achtte, en welker gevolg, naar hij vreesde,

eene ontdekking zou wezen aan Sophia, welke hij boven alles ter wereld

duchtte. Na eenige malen dus knorrig in de kamer heen en weer geloopen

te zijn, maakte hij zich juist gereed om te vertrekken, toen de dame

hem vriendelijk voorkwam,—niet door een derden brief,—maar door zelve

bij hem te verschijnen. Zij trad in een zeer ontredderd toilet, en met

groote ontroering in hare blikken, in de kamer, wierp zich op een

stoel, en tot adem gekomen zijnde, zeide zij:

„Zoo als ge ziet, mijnheer,—als eene vrouw eens te ver gegaan is, weet

zij van geen ophouden. Als mij iemand met de meeste zekerheid, eene

week geleden voorspeld had, dat ik hier zou zijn, zou ik hem niet

hebben willen gelooven!”

„Ik hoop,” hernam Jones, „dat de bekoorlijke Lady Bellaston het even

moeijelijk zal vinden om iets te gelooven, ten nadeele van iemand, die

zoo gevoelig is voor de vele verpligtingen van haar, onder welke hij

gebukt gaat.”

„Zoo!” riep zij: „„Gevoelig voor verpligtingen!” Zulke koele taal

verwachtte ik niet van den heer Jones!”

„Vergeef me, lieve engel,” zeide hij, „als na uwe brieven, de schrik

voor uwen toorn, hoewel het me onbekend is hoe ik me dien op den hals

gehaald heb—”

„Heb ik dan,” vroeg zij met een glimlach, „zulk een vertoornd

gelaat?—Zie ik er wezenlijk zóó boos uit?”

„Zoo waar ik eerlijk man ben,” hernam hij, „heb ik niets gedaan om uwen

toorn te verdienen. Gij herinnert u onze afspraak?—Dientengevolge ging

ik bij u;—”

„Wat ik u bidden mag,” antwoordde zij, „spaar mij de hatelijke

herhaling! Antwoord me slechts op ééne vraag, en ik zal geheel gerust

gesteld wezen.—Hebt gij mijne eer aan haar niet prijs gegeven?”

Jones viel voor haar op de knieën en begon met de driftigste

verklaringen, toen Partridge springende en dansende als een van vreugde

dronken mensch in de kamer stoof, uitroepende: „Zij is gevonden! Zij is

gevonden!—Hier, mijnheer! hier!—Jufvrouw Honour komt de trap op!”

„Houd haar een oogenblik tegen!” beval Jones.—

„Hier, mevrouw, verberg u achter het bed;—ik heb geene andere kamer of

kast, of plaats ter wereld, waar ik u verbergen kan! Zóó’n verwenscht

ongeluk—”

„Ja, verwenscht inderdaad!” riep de dame, zich op de aangewezene wijze

verbergende, op het oogenblik dat jufvrouw Honour in de kamer trad.

„Kom aan, mijnheer Jones!” riep deze; „wat is hier te doen?—Die

onbeschofte vlegel, uw knecht, wilde me naauwelijks de trap op laten

komen. Ik hoop niet om dezelfde reden waarom hij me niet bij u toelaten

wilde te Upton?—Ge zult wel naauwelijks verwacht hebben mij hier te

zien;—maar ge hebt zeker de jufvrouw behekst! Het arme, lieve kind!

Werkelijk, ik houd van haar als van eene zuster! De hemel zij u

genadig, als gij geen goed man voor haar wordt,—ja, als gij dat niet

wordt, weet ik niet wat gij verdient!”

Jones smeekte haar slechts te fluisteren, „omdat er eene dame op de

kamer daarnaast op sterven lag.”

„Eene dame!” riep zij; „ja wel! Het zal wel eene rare dame zijn! O

mijnheer Jones, er zijn maar al te veel van die dames in de wereld! Ik

vrees dat wij in het huis van eene er van geraakt zijn;—want ik weet

zeker, dat die Lady Bellaston ook niet veel deugt!”

„Stil, stil!” smeekte Jones; „men kan alles hier naast hooren!”

„Daar geef ik geen duit om,” hernam Honour. „Ik spreek kwaad van geen

mensch ter wereld;—maar hare eigene dienstboden ontzien zich volstrekt

niet te vertellen dat Milady de heeren gaat ontmoeten in een vreemd

huis, dat in naam bewoond is door eene behoeftige dame;—maar Milady

betaalt de huur, en het wijf krijgt nog bovendien allerlei van haar!”

Jones, die de meeste ongerustheid liet blijken, wilde toen zijne hand

op hare lippen leggen.

„Wel ja, mijnheer Jones! Mag ik dan den mond niet open doen? Kwaad

spreken doe ik niet;—ik herhaal slechts wat ik van anderen gehoord

heb;—en ik denk wel eens bij mij zelve, die arme dame zal niet veel aan

de voordeelen hebben, die zij op zulk eene slechte wijze magtig wordt!

Neen! ’t is beter arm en eerlijk te blijven!”

„De bedienden zijn schurken en beschuldigen hunne dame onregtvaardig!”

zei Jones.

„O ja, de dienstboden zijn altijd schelmen,—dat zegt mijne meesteresse

ook en wil er geen woord van hooren!”

„Ja,” zei Jones, „ik ben ook overtuigd dat mijne Sophia er ver boven

verheven is naar zulke vuige lastertaal te luisteren!”

„Maar laster is het toch niet, naar ik meen,” hernam Honour: „want

waarom zou zij heeren gaan ontmoeten in een vreemd huis?—Dat is zeker

met geen goed doel;—want, als zij het voornemen koesterde om zich op

eene wettige wijze het hof te laten maken,—en het staat aan iedere

ongehuwde vrouw vrij, om zich om die reden met de mannen op te

houden,—waar zou het toch ter wereld toe dienen om—”

„Ik verklaar,” zei Jones, „dat ik dit niet aanhooren kan van eene

deugdzame dame, die eene verwante van Sophia is;—bovendien zult gij de

arme zieke hier naast dol maken!—Laat ik u bidden:—ga met mij naar

beneden!”

„Neen, mijnheer! Als gij mij niet aan ’t woord wilt laten komen, schei

ik er uit! Daar, mijnheer! Daar hebt gij een brief van mijne

meesteresse;—hoeveel zouden niet sommige mannen geven, om zoo iets te

krijgen! Maar, gij, mijnheer Jones, ik geloof niet dat gij bijzonder

mild zijt,—en toch heb ik sommige dienstboden hooren zeggen;—maar, wat

mij betreft, gij zult zeker mij het regt laten wedervaren van te

bekennen, dat ik nooit een duit van u gekregen heb!”

Jones greep nu haastig den brief, en drukte haar vijf goudstukken in de

hand. Daarop bedankte hij zijne dierbare Sophia duizend

maal,—fluisterende,—en smeekte Honour om hem alleen te laten om den

brief te lezen, waarop de kamenier dan ook spoedig vertrok, echter niet

zonder vooraf hare gevoeligheid over zijne groote mildheid uitgedrukt

te hebben.

Lady Bellaston trad nu van achter de gordijnen te voorschijn. Hoe zal

ik hare woede beschrijven? Zij kon in ’t begin geen woord er

uitkrijgen; maar bliksemstralen schoten uit hare oogen,—en niet zonder

reden; want haar hart vlamde. En thans, zoodra zij hare stem meester

was, in plaats van eenige verontwaardiging uit te drukken over Honour

of hare eigene dienstboden, begon zij met een aanval op den armen

Jones:

„Gij ziet,” zeide zij, „wat ik aan u opgeofferd heb: mijn goeden naam,

mijne eer—reddeloos verloren! En hoe wordt mij dat vergolden? Ik word

verwaarloosd, bespot, om een boerendeern,—om een onnoozel wicht—”

„Hoe heb ik u verzuimd, of bespot, mevrouw?” riep Jones; „waaraan heb

ik me schuldig gemaakt?”

„Het veinzen is te vergeefs, mijnheer Jones,” hernam zij; „als gij mij

werkelijk gerust stellen wilt, moet gij haar geheel opgeven en tot

bewijs uwer opregtheid mij haren brief toonen.”

„Welken brief, mevrouw?” vroeg Jones.

„Wel!” riep zij; „gij zult toch niet de onbeschaamdheid hebben te

loochenen dat gij door de meid die hier was, een brief hebt ontvangen?”

„En zoudt gij, Milady,” riep hij, „iets van me vergen, dat ik niet

zonder oneer zou kunnen toestaan? Heb ik ten uwen opzigte zóó

gehandeld? Zou ik er toe besluiten kunnen om dit arm, onschuldig meisje

aan u op te offeren, zonder dat gij mij verdacht hieldt van even

verraderlijk ten uwen opzigte te zullen handelen? Ik ben zeker, dat

slechts weinig nadenken u overtuigen zal dat een man, voor wien de

geheimen eener vrouw niet heilig zijn, het verachtelijkste wezen ter

wereld moet zijn!”

„Best!” hernam zij; „ik behoef er niet op te staan, dat gij in uwe

eigene oogen zulk een verachtelijk wezen zoudt worden; want de inhoud

van den brief zou me toch niets kunnen leeren, dat ik nu niet al weet.

Ik begrijp best op welken voet gijlieden met elkaar zijt!”

Hierop volgde een lang onderhoud, dat de niet al te nieuwsgierige lezer

mij dank zal weten hier niet te herhalen. Genoeg, als ik hem vertel dat

Lady Bellaston langzamerhand bedaarde en eindelijk geloofde, of veinsde

te gelooven, zijne verzekeringen dat de ontmoeting met Sophia dien

avond geheel toevallig was geweest,—even als alle andere

omstandigheden, welke den lezer reeds bekend zijn, en die Jones haar in

het helderste licht voorstelde, om haar te bewijzen,—wat zeer duidelijk

was,—dat zij werkelijk geen regt had om op hem vertoornd te zijn.

In haar hart echter was zij niet geheel voldaan over zijne weigering om

haar den brief te toonen,—zoo doof blijven wij voor de meest gezonde

rede, als die in strijd is met onze overheerschende hartstogten. Zij

gevoelde zich inderdaad overtuigd dat Sophia de eerste plaats bekleedde

in het hart van Jones,—en toch, hoe hoogmoedig en verliefd van aard

deze dame ook was, onderwierp zij zich er aan om de tweede plaats in te

nemen,—of, om eene regtsgeleerde uitdrukking te bezigen: zij

vergenoegde zich met het vruchtgebruik van het eigendom van eene

andere.

Eindelijk kwam men overeen, dat Jones in het vervolg haar huis bezoeken

zoude; want dat Sophia, hare kamenier en al de dienstboden, deze

bezoeken op rekening van Sophia zouden schrijven,—en dat men het

daarvoor houden zou dat Lady Bellaston zelve de bedrogene was.

Dit plan werd door de dame zelve bedacht, en ten hoogste goedgekeurd

door Jones, die inderdaad, zeer verheugd was om, op welke wijze dan

ook, bij zijne Sophia te worden toegelaten, en de dame zelve was niet

weinig in haar schik met de foppaadje van Sophia, welke Jones (naar zij

zich overtuigd hield), om zijn eigen wil voor haar verbergen moest.

De volgende dag werd voor het eerste bezoek bepaald, en na de

behoorlijke pligtplegingen keerde Lady Bellaston huiswaarts.

Tom Jones · 第 239 / 340 题