HOOFDSTUK I.

EEN BETOOG, TEN BEWIJZE, DAT EEN SCHRIJVER DES TE BETER ZAL STELLEN,

ALS HIJ IETS WEET VAN HET ONDERWERP, DAT HIJ TE BEHANDELEN HEEFT.

Daar vele heeren, dezer dagen, alleen door middel van de verbazende

kracht van hun genie, en misschien wel zelfs zonder goed te kunnen

lezen, eene mooije rol gespeeld hebben in de republiek der letteren,

hebben de recensenten, naar ik verneem, beweerd, dat alle geleerdheid

overvloedig is bij een schrijver, en inderdaad niets anders dan eene

soort van boeijen voor de aangeborene levendigheid en vlugheid van de

verbeelding, die daardoor gedrukt wordt en belet om zich te verheffen

in die hooge vlugt, welke zij anders nemen zoude.

Deze leer wordt, vrees ik, heden ten dage overdreven; want waarom zou

het schrijven zoo veel verschillen van alle andere kunsten? De vlugheid

van den dansmeester wordt niet benadeeld als men hem leert hoe zich te

bewegen, en, naar ik meen, is er geen werkman, die een slechter gebruik

maakt van zijne werktuigen, omdat hij ze heeft leeren hanteren.

Wat mij betreft, ik begrijp niet, dat Homerus of Virgilius met meer

vuur zouden geschreven hebben, als zij, in plaats van meester te zijn

van al de geleerdheid van hunne eeuw, even onwetend waren geweest als

de meeste schrijvers uit onze dagen. Ik geloof ook niet dat de rijke

verbeelding, het vuur en het oordeel van Pitt die redevoeringen zouden

in de wereld gebragt hebben, welke onzen senaat dezer dagen tot een

mededinger in welsprekendheid van Griekenland en Rome gemaakt hebben,

als hij niet zoo te huis ware geweest in de geschriften van Demosthenes

en Cicero, dat hij hun geheelen geest in zijne redevoeringen

weêrgaf,—en met hun geest, ook hunne kennis.

Men moet dit niet opvatten alsof ik dezelfde mate van geleerdheid

eischte bij mijne collega’s, als die welke Cicero eischt om een

redenaar te vormen. Integendeel, ik geloof dat de dichter zeer weinig

lektuur noodig heeft, de recensent nog minder, en de staatsman het

minste van allen. Voor den eerste is welligt de „Dichtkunst” van Bysshe

voldoende, met eenige onzer hedendaagsche poëten; voor den tweede, een

redelijk stapeltje tooneelstukken, en voor den laatste, een pakje

staatkundige journalen.

Om de waarheid te zeggen, eisch ik niets anders dan dat de mensch

eenige weinige kennis hebbe van het onderwerp dat hij behandelt,

volgens de oude regtsgeleerde stelling: quam quisque norit artem, in ea

se exerceat. Met dit alleen kan een schrijver tamelijk wel volstaan;—en

zonder dit, zal hem inderdaad alle andere geleerdheid ter wereld weinig

baten.

Laat ons, bij voorbeeld, veronderstellen, dat Homerus, Virgilius,

Aristoteles, Cicero, Thucydides en Livius bij elkaar hadden kunnen

komen, en al hunne verscheidene gaven zamen smelten, om eene

verhandeling over de danskunst te schrijven;—dan geloof ik toch, dat

men geredelijk toestemmen zal, dat zij de uitstekende verhandeling niet

geëvenaard zouden hebben, die de heer Essex over dit onderwerp geleverd

heeft onder den titel van „De eerste grondbeginselen eener fatsoenlijke

opvoeding.” En, werkelijk, als men den uitmuntenden heer Broughton er

toe brengen kon om de vuist op het papier te zetten en bovengenoemde

„eerste grondbeginselen” te volmaken, met de ware leer der Athletica,

twijfel ik of de wereld reden zou hebben te betreuren, dat geen der

groote schrijvers, oud of nieuw, die edele en nuttige kunst behandeld

hebben.

Ten einde geen tal van voorbeelden aan te halen bij een geval, dat zoo

duidelijk is, en om dadelijk tot de zaak te komen, ben ik geneigd te

gelooven, dat ééne der redenen waarom het zoovelen Engelschen

schrijvers mislukt is om de manieren van de groote wereld te

beschrijven, waarschijnlijk is, dat zij werkelijk er niets van weten.

Ongelukkig is dit ook eene kennis, welke buiten het bereik van vele

schrijvers ligt. De boeken geven er ons slechts een zeer onvolkomen

denkbeeld van, en het tooneel niet veel meer; de enkele heeren die zich

naar de eerste vormen, zullen meestal pedanten worden, en hij, die zich

naar het laatste vormt, wordt een kwast.

De karakters naar deze voorbeelden geteekend, worden ook niet beter

volgehouden. Vanburgh en Congreve copieerden de natuur; maar zij die

hen copiëren, geven even weinig van de tegenwoordige eeuw terug, als

Hogarth doen zou, indien hij een gezelschap of eene partij afbeeldde in

de kostumen van Titiaan of van Van Dyk. Met één woord, het is niet

voldoende om hier na te volgen. De schilderij moet naar de natuur zelve

wezen. De ware wereldkennis wordt verkregen alleen door den omgang met

menschen, en men moet de manieren der verschillende standen zien, om ze

te leeren kennen.

Nu is echter het geval dat deze hoogere klasse der stervelingen niet te

zien is als de overige leden van het menschelijke geslacht, om niet, op

straat, in de winkels en koffijhuizen;—zij worden ook niet vertoond als

vreemde dieren, tegen zoo of zooveel per stuk. Om kort te gaan, dit is

een gezigt, waarbij niemand toegelaten wordt, zonder eene der volgende

gaven:—namelijk geboorte of rijkdom;—of wat met beiden gelijk

staat,—het eervolle beroep van speler. En, tot ongeluk van de

wereld,—geven zich menschen, die deze vereischten hebben, zelden de

moeite om het minvoordeelige beroep van schrijver op zich te nemen,—wat

gewoonlijk overblijft voor de mindere en meer armoedige klasse,—daar

het een beroep is, dat velen zich verbeelden zonder eenig kapitaal te

kunnen drijven.

Vandaar die wonderlijke monsters in kant en borduurwerk, in zijde en

satijn, met reusachtige pruiken en hoepelrokken, die, onder de benaming

van Lords en Ladies, zich op het tooneel vertoonen, tot groot vermaak

der procureurs en hunne klerken in het parterre, en der burgers en

hunner leerjongens in de galerij, en die even weinig te vinden zijn in

het werkelijke leven als de Centaurus, de Chimera, of eenige andere

schepping der verdichting.

Maar, om den lezer in een geheim in te wijden: de kennis der groote

wereld, hoe noodzakelijk ook, ten einde vergissingen te voorkomen,

levert niet veel op voor iemand die blijspelen schrijft, of die soort

van novellen, welke, zooals deze van mij, tot het komieke genre

behooren.

Hetgeen Pope zegt van de vrouwen, is zeer toepasselijk op de meeste

menschen in dezen stand, die inderdaad, zoo zeer gemaakt en vol vormen

zijn, dat zij hoegenaamd geen merkbaar karakter bezitten. Ik waag zelfs

te verklaren, dat het leven in de groote wereld verreweg het

vervelendste is, en zeer weinig humor of vermaak oplevert. De

verschillende beroepen in de lagere standen brengen, de grootste

verscheidenheid van humoristische karakters te voorschijn; terwijl in

de hoogere kringen, behalve de weinige eerzuchtigen, en de nog minder

talrijke najagers van het genoegen, alles ijdelheid en slaafsche

navolging blijft. Zich kleeden, spelen, eten en drinken, buigen en

neigen, zijn de hoofdbezigheden van het leven.

Er zijn echter sommigen in dezen stand, op wie de hartstogten hunne

dwingelandij uitoefenen, en hen ver buiten de grenzen slepen, door de

welvoegelijkheid gesteld;—en onder dezen onderscheiden zich de dames

evenzeer door edele stoutmoedigheid en zekere hooghartige minachting

der deugd, van de zwakke vrouwen van den minderen stand, als eene

deugdzame vrouw van hoogen rang door de sierlijkheid en fijnheid harer

gevoelens verheven is boven de eerlijke vrouw van den pachter of den

winkelier. Lady Bellaston was iemand van dezen onversaagden aard; maar

mijne lezers op het platte land moeten daaruit niet opmaken, dat zulks

het algemeen gedrag is der vrouwen in den hoogeren stand, of dat wij

het als zoodanig hebben willen voorstellen. Men zou even goed zich

kunnen verbeelden dat Thwackum de vertegenwoordiger was van alle

predikanten, en de vaandrig Northerton die van alle krijgslieden.

Er bestaat inderdaad geene grootere dwaling, dan die welke algemeen

heerscht onder het volk, hetwelk zijne meening vormende uit de werken

van sommige onwetende hekeldichters, deze eeuw als bij uitstek

losbandig beschouwen. Integendeel: ik ben vast overtuigd, dat er nooit

minder zucht naar liefdes-intrigues heerschte onder de groote luî dan

heden ten dage. Onze hedendaagsche vrouwen hebben van hare moeders

geleerd, om hare gedachten te vestigen op eerzucht en ijdelheid, en om

de genoegens der liefde te minachten, als harer onwaardig, en later,

juist door de zorg harer moeders, uitgehuwd zijnde, zonder eigenlijk

mannen te bezitten, schijnen zij tamelijk goed overtuigd van de

juistheid dezer gevoelens, en stellen zich, voor het overige vervelende

gedeelte van haar leven tevreden, met het najagen van vermaken, die wèl

onschuldiger, maar, naar ik vrees, ook kinderachtiger zijn, en welker

bloote vermelding hier slecht passen zou met de waardigheid dezer

geschiedenis. Volgens mijn nederig gevoelen, is het ware kenmerk der

hedendaagsche groote wereld, eerder dwaasheid dan ondeugd, en de eenige

bijnaam, welken zij verdient, is die van „beuzelachtig.”

Tom Jones · 第 237 / 340 题