De sierlijke Lord Shaftesbury oppert ergens zijne bezwaren over het te
veel vertellen van de waarheid;—waaruit men billijk opmaken kan, dat in
sommige gevallen, het liegen niet slechts te verontschuldigen, maar
zelfs prijzenswaardig is.
En zeker is er niemand die meer aanspraak kan maken op dit regt, om op
eene loffelijke wijze van de waarheid af te wijken, dan een jong meisje
dat verliefd is; want zij kan pleiten dat voorschriften, opvoeding, en
vooral het gezag,—ja zelfs, het geweld der gewoonte, haar daartoe
noodzaakt,—daar zij steeds weerhouden wordt, niet van zich over te
geven aan de eerlijke opwellingen der natuur (want dat zou een
vruchteloos verbod zijn), maar van ze ooit te toonen.
Wij schamen ons dus nu niet te bekennen dat onze heldin zich schikte
naar de voorschriften van voornoemden hooggeboren wijsgeer. Daar zij
volmaakt overtuigd was dat Lady Bellaston Jones persoonlijk niet kende,
besloot zij haar omtrent hem onwetend te laten,—al kostte haar dat een
weinig jokkens.
Jones was pas de deur uit, toen Lady Bellaston uitriep: „Wezenlijk, dat
is een knappe jongen! Ik zou wel willen weten wie het is; want ik
herinner me niet hem ooit te voren gezien te hebben.”
„Ik ook niet, mevrouw,” zei Sophia. „Maar ik moet zeggen, dat hij zich,
wat mijn geld betreft, best gehouden heeft.”
„Ja. Het is ook een heel mooije jongen;—vindt ge niet?” zei de dame.
„Ik heb er niet veel op gelet,” hernam Sophia; „maar ik vond hem niet
zeer wellevend.”
„Daarin hebt ge gelijk,” antwoordde Lady Bellaston. „Men kan aan zijne
manieren zien, dat hij zich niet te huis gevoelt in goed gezelschap.
Ja—hoewel hij u het bankbriefje terug bragt, en de belooning weigerde,
twijfel ik haast of hij fatsoenlijk man is.—Ik heb altijd opgemerkt,
dat er iets is in menschen van goede afkomst, dat anderen niet
aanleeren kunnen.—Ik geloof, dat ik zeggen zal, dat men hem verder hier
„niet te huis” geeft.”
„Wel, mevrouw!” riep Sophia, „na hetgeen hij gedaan heeft, kan men hem
toch niet verdenken!—Bovendien, als gij er op gelet hadt, zoudt gij
eene sierlijkheid in zijne woorden, eene kieschheid, eene keurigheid
van uitdrukking opgemerkt hebben, die—”
„Ja, praten kan hij!” hernam Lady Bellaston. „En, werkelijk, Sophia,—ge
moet me iets te goed houden!”
„Ik u iets te goed houden!” herhaalde Sophia.
„Ja, wezenlijk!” hernam zij lagchende; „want, toen ik eerst in de kamer
trad, vatte ik een akelig vermoeden op.—Ge moet het me waarlijk
vergeven;—maar ik dacht dat het de heer Jones zelf was!”
„Werkelijk?” riep Sophia, blozend, en veinzende te lagchen.
„Ja, werkelijk!” hernam de andere. „Ik weet niet wat het was, dat mij
dat deed denken; want, om dien mensch regt te doen, hij was heel netjes
gekleed,—wat, denkelijk, Sophia, niet altijd het geval zal wezen met uw
vriend?”
„Deze spotternij is eenigzins wreedaardig, Lady Bellaston, na al wat ik
u beloofd heb!” riep Sophia.
„Volstrekt niet, kindlief,” antwoordde de dame. „Het zou vroeger wreed
zijn geweest; maar nu ge me beloofd hebt nooit, zonder uw vaders
toestemming, in het huwelijkte treden,—wat zooveel is als af te zien
van Jones moet, gij een weinig scherts kunnen verdragen over eene
liefde, die te vergeven was bij een landmeisje, en welke gij, zoo als
gij mij verzekert, nu geheel overwonnen hebt. Wat moet ik van u denken,
Sophia-lief, als ge niet eens verdragen kunt, dat men wat om zijne
kleeding spot? Ik zal beginnen te vreezen dat gij er erg aan toe zijt,
en bijna twijfelen of gij geheel opregt jegens mij zijt geweest!”
„Werkelijk, mevrouw, gij doet me onregt als gij gelooft, dat ik mij
eenigzins om hem bekommer!” zei Sophia.
„Om hem?” hernam de dame. „Ge hebt me verkeerd verstaan: ik sprak
alleen van zijne kleeding; want ik wilde uwen goeden smaak niet te kort
doen door eenige andere vergelijking.—Ik verbeeld me niet, dat als uw
mijnheer Jones, Sophia-lief, een mensch geweest ware als deze—”
„Ik dacht, mevrouw,” zei Sophia, „dat gij hem een mooijen jongen
vondt?”
„Wien?” vroeg de dame, driftig.
„Mijnheer Jones,” antwoordde Sophia,—en zich dadelijk bedenkende:
„Mijnheer Jones! Wel neen! Ik vraag excuus!—Ik bedoel den heer, die pas
weg gegaan is.”
„O Sophia, Sophia!” riep Lady Bellaston, „ik vrees dat die mijnheer
Jones u nog steeds in de hersenen spookt!”
„Op mijn woord, mevrouw,” riep Sophia, „ik geef niet meer om den heer
Jones dan om den heer die ons nu verlaten heeft!”
„Op mijn woord,” hernam Lady Bellaston, „dat geloof ik gaarne! Vergeef
me dus als ik u op eene onschuldige wijze wat geplaagd heb, en ik
beloof u thans nooit zijn naam weder te noemen.”
En hiermede scheidden de dames, tot veel grootere vreugde van Sophia
dan van Lady Bellaston, die gaarne hare mededingster nog wat gekweld
zou hebben, als zij niet door zaken van meer belang weggeroepen ware
geweest. Wat Sophia betreft, deze gevoelde zich niet zeer op haar gemak
na deze eerste beoefening der onopregtheid; waarover, toen zij zich op
hare kamer bevond, zij met de meeste wroeging en schaamte nadacht. Noch
de bijzondere bezwaren van haren toestand, noch de harde
noodzakelijkheid konden haar met haar gedrag verzoenen;—want zij was te
rein en fijngevoelig van aard om met gerustheid aan eene onwaarheid te
kunnen denken, hoezeer die ook door de omstandigheden verontschuldigd
werd. Gedurende den geheelen nacht hield deze gedachte den slaap uit
hare oogen verwijderd.