De heer Jones kwam iets vóór het bepaalde uur aan en vroeger dan de
dame, wier tehuiskomst niet slechts vertraagd werd door den afstand van
het huis waar zij dineerde, maar ook door andere toevallige
omstandigheden, welke zeer ergerlijk waren voor iemand in haren
gemoedstoestand.
Hij werd dus in de zaal gelaten, waar hij slechts weinige minuten
geweest was, toen de deur openging en niemand anders dan——Sophia zelve
binnentrad, die de komedie verlaten had vóór het einde van het eerste
bedrijf;—want, zooals wij reeds gemeld hebben, er werd een nieuw stuk
opgevoerd, en twee partijen waren er verschenen, de eene om goed te
keuren, de andere om het stuk uit te fluiten, wat zulk een rumoer en
twist ten gevolge had, dat onze heldin verschrikt werd, en blijde was
zich onder de bescherming van een heer te kunnen stellen, die haar
veilig in haar draagstoel bezorgde.
Daar Lady Bellaston haar verteld had dat zij eerst laat naar huis zou
komen, trad Sophia, die dacht dat zij niemand in de kamer zou vinden,
haastig binnen, en ging regt op een spiegel toe, die vlak vóór haar
hing, zonder naar het boveneinde der kamer te kijken, waar Jones als
versteend stond.
Het was in dezen spiegel, dat zij na eerst haar eigen bekoorlijk gelaat
gezien te hebben, het standbeeld achter zich ontdekte, zich dadelijk
omkeerde en ontwarende dat zij zich niet vergist had, een luiden gil
liet hooren, en bijna in zwijm gevallen ware eer Jones den tijd had te
naderen en haar in zijne armen te ondersteunen.
Het gaat mijne magt te boven om de blikken of de gedachten der
minnenden te beschrijven. Daar men veronderstellen moet uit het
stilzwijgen dat beiden bewaarden, dat hunne gedachten niet in woorden
uit te drukken waren, zoo zal men wel begrijpen dat ik nog veel minder
in staat ben dan zij, om ze te beschrijven; en het ongelukkigste is,
dat weinige mijner lezers ooit verliefd genoeg zijn geweest om in hun
eigen hart te gevoelen, wat thans in het hunne heerschte.
Na eene korte stilte, stamelde Jones:
„Naar ik zie, zijt gij verbaasd—”
„Verbaasd!” hernam zij, „O hemel! Ja, werkelijk, ik sta verstomd! Ik
twijfel haast of gij het zijt!”
„Wezenlijk,” riep hij, „mijne Sophia,—vergeef me dat ik het waag, u nog
eenmaal zóó te noemen! Wezenlijk ben ik die diep rampzalige Jones, dien
het noodlot, na zoo vele teleurstellingen, eindelijk zoo gelukkig tot u
gevoerd heeft. O, mijne Sophia, als gij de duizenderlei kwellingen
wist, welke ik uitgestaan heb in dat lange, vruchtelooze zoeken!”
„Zoeken—en naar wien?” vroeg Sophia, bedarende, en met eenigen schijn
van terughouding.
„Waarom die wreede vraag?” riep Jones. „Behoef ik te zeggen, dat ik u
zocht?”
„Mij?” antwoordde Sophia. „Heeft dan de heer Jones het een of ander van
zoo groot belang met mij te verhandelen?”
„Voor sommige menschen, mejufvrouw,” riep Jones, „zou dit eene
belangrijke zaak wezen,”—en hij overhandigde haar het zakboekje; „naar
ik hoop, mejufvrouw, zult gij alles er in vinden, dat het bevatte toen
gij het verloort.”
Sophia nam het zakboekje aan en wilde spreken, toen hij haar aldus in
de rede viel:
„O laat ons niet, dat smeek ik u, één der kostbare oogenblikken
verkwisten, welke het geluk ons zoo goedig geschonken heeft! O mijne
Sophia, ik heb zaken van meer belang met u!—Hier, op de knieën, wil ik
uwe vergiffenis inroepen,—”
„Mijne vergiffenis?” riep zij. „Wel, mijnheer, na hetgeen er gebeurd
is,——gij kunt toch niet wachten na al wat ik gehoord heb—”
„Ik weet naauwelijks wat ik zeg!” hervatte Jones;—„bij den Hemel, ik
durf naauwelijks wenschen dat gij mij vergeven zoudt! O Sophia, verspil
nooit meer ééne gedachte aan zulk een ellendeling als ik ben! Als er
ooit eene herinnering aan mij zich aan u opdringt, om uw teeder hart
één oogenblik te verontrusten, laat de gedachte aan hetgeen er te Upton
gebeurd is, mij voor altijd uit uw hart bannen!”
Inmiddels stond Sophia te beven. Haar gelaat was doodsbleek en haar
hart klopte als of het barsten wilde. Maar, bij het noemen van Upton,
kleurden zich plotseling hare wangen, en hare oogen, die zij
naauwelijks opgeslagen had, vestigden zich met een minachtenden blik op
Jones. Hij begreep dit stille verwijt en antwoordde daarop als volgt:
„O Sophia, mijne eenige beminde, gij kunt mij niet meer haten en
verachten wegens hetgeen daar gebeurd is, dan ik mij zelven haat en
veracht;—maar wees toch regtvaardig en geloof dat ik in mijn hart u
nooit ontrouw ben geweest. Mijn hart had geen deel aan de dwaasheid
waaraan ik me schuldig maakte. Het was zelfs toen onveranderlijk het
uwe. Hoewel ik er aan wanhopen moest u ooit te bezitten, ja, haast om u
ooit weder te zien, was ik steeds bezield met uw bekoorlijk beeld, en
kon onmogelijk eenige andere vrouw ernstig beminnen. Maar al ware mijn
hart vrij geweest, was zij, in wier gezelschap ik toevallig raakte op
die verwenschte plaats, toch nooit het voorwerp eener ernstige liefde
geweest! Geloof me, mijn engel, ik heb haar sedert dien dag nooit weder
gezien, en bedoel niet en begeer niet haar ooit weder te zien.”
Sophia was in haar hart zeer blijde dit te hooren; maar veinzende nog
meer koelheid, dan tot nu toe het geval was geweest, zeide zij:
„Waarom, mijnheer Jones, geeft gij u de moeite om u te verdedigen, als
men u niet beschuldigt? Als ik het de moeite waard achtte om u te
beschuldigen, zou ik werkelijk met eene onvergeefelijker aanklagt voor
den dag kunnen komen.”
„Wat is die, in ’s hemels naam?” vroeg Jones, die beefde en verbleekte
bij het denkbeeld van zijne intrigue met Lady Bellaston te hooren.
„O,” zeide zij, „hoe is het mogelijk dat zoo veel edels en zoo veel
laags in het zelfde hart vereenigd zijn!”
Lady Bellaston en de schandelijke omstandigheid, dat hij zich door haar
liet onderhouden, kwamen hem weder voor den geest en legden hem het
stilzwijgen op.
„Had ik ooit van u eene dergelijke behandeling kunnen wachten?”
hervatte Sophia, „of van eenig man van eer? Mijn naam te hooren
lasteren in het openbaar! In herbergen, onder het gemeenste volk! Om te
moeten hooren, dat gij in zulk gezelschap u beroemd hebt op iedere
kleine gunst, waartoe mijn argeloos hart zich ooit jegens u liet
verleiden! Ja, om zelfs te moeten vernemen, dat gij verklaard hebt aan
mijne liefde te moeten ontvlugten!”
De verbazing van Jones steeg ten top bij deze woorden van Sophia; daar
hij zich echter op dit punt onschuldig wist, was hij veel minder
verlegen hoe zich daarop te verdedigen dan als zij die teedere snaar
aangeraakt had, welke zijn geweten zoo zeer met angst vervulde. Na
eenig onderzoek dan, ontdekte hij spoedig, dat de veronderstelling dat
hij zich had kunnen schuldig maken aan zulk eene grove beleediging van
hare liefde en van haren goeden naam alleen toe te schrijven was aan de
praatjes van Partridge in de herbergen, met den waard of de
dienstboden; want Sophia bekende dat zij alles van die menschen
vernomen had. Het kostte hem dan ook weinig moeite om haar te
overtuigen dat hij geheel onschuldig was aan eene misdaad, die zoo
weinig strookte met zijn aard;—maar het viel haar daarentegen zeer
moeijelijk om hem te beletten naar huis te loopen en Partridge dadelijk
ter dood te brengen, wat hij herhaaldelijk zwoer te zullen doen. Dit
punt eens opgehelderd zijnde, werden zij spoedig zoo ingenomen met
elkaar, dat Jones geheel en al vergat dat hij het gesprek begonnen was
met haar te smeeken om alle gedachten aan hem op te geven, en zij was
ook geneigd om het oor te leenen aan een verzoek van geheel anderen
aard; want, eer zij wel wisten, dat zij zoo ver gegaan waren, had hij
zich eenige woorden laten ontvallen, die heel veel van een
huwelijksaanzoek hadden. Hierop antwoordde zij:
„Dat, als haar pligt ten opzigte van haren vader, haar niet belette om
hare eigene neiging te volgen, zij liever de armoede met hem deelen
wilde, dan de grootste rijkdommen met een anderen man.”
Bij het woord „armoede” liet hij hare hand vallen, welke hij een tijd
lang in de zijne gehouden had, en riep uit:
„O Sophia, zou ik u ongelukkig kunnen maken? Neen! bij den hemel! Zulk
eene verachtelijke rol wil ik nooit spelen! Liefste Sophia, wat het mij
ook koste, ik zal van u afzien;—ik zal u vaarwel zeggen! Ik wil alle
wenschen uit mijn hart rukken, welke niet overeen te brengen zijn met
uw wezenlijk geluk! Mijne liefde zal ik steeds bewaren; maar in stilte;
op een afstand, in eenig vreemd land, van waar geen woord, geen zucht
van mijne wanhoop u ooit bereiken zal om u te verontrusten.—En, als ik
dood ben—”
Hij wilde voortgaan, maar werd belet door een stortvloed van tranen,
welke Sophia op zijn boezem liet vallen, waarop zij het hoofd liet
rusten, zonder een enkel woord uit te kunnen brengen. Hij kuste haar de
tranen weg, wat zij eenige oogenblikken lang stil liet gebeuren; maar
spoedig bedarende, onttrok zij zich zachtjes aan zijne armen, en, ten
einde het gesprek af te brengen van een onderwerp dat te aandoenlijk
was, dan dat zij er tegen bestand zou zijn, bedacht zij zich om hem te
vragen:
„Hoe hij er toe gekomen was haar in dat huis op te sporen?”
Hij begon te stamelen en zou, naar alle waarschijnlijkheid, door zijn
antwoord, hare verdenkingen hebben opgewekt, toen plotseling de deur
openging en Lady Bellaston binnen kwam.
Zij trad een paar schreden vooruit, maar Jones en Sophia te zamen
ziende, bleef zij op eens staan, en na eene korte stilte, met
bewonderenswaardige tegenwoordigheid van geest, vermeesterde zij hare
aandoening en vroeg,—met alle blijken van verbazing in hare stem en op
haar gelaat:
„Ik dacht, mejufvrouw Western, dat gij in de komedie waart?”
Hoewel nu Sophia geene gelegenheid had gevonden om van Jones te
vernemen hoe hij haar ontdekt had, daar zij echter in het geheel niets
van de ware toedragt der zaak vermoedde, of dat Jones en Lady Bellaston
elkaar kenden, toonde zij weinig verlegenheid,—en te minder nog, daar
de dame in al hare gesprekken over dat onderwerp steeds partij voor
haar getrokken had tegen haar vader. Zonder veel te aarzelen dus,
vertelde zij alles wat er in den schouwburg gebeurd was, en om welke
reden zij zoo vroeg naar huis was gekomen.
De lengte van dit verhaal verschafte Lady Bellaston de gelegenheid om
zich te bedenken en te overleggen wat zij doen moest. En daar de
houding van Sophia haar de hoop deed koesteren dat Jones haar niet
verklapt had, veinsde zij zeer opgeruimd te zijn en zeide:
„Als ik geweten had, dat gij bezoek hadt, mejufvrouw Western, zou ik u
niet zoo onverwacht gestoord hebben.”
Met deze woorden vestigde Lady Bellaston hare blikken op Sophia. Het
arme meisje werd vuurrood en antwoordde, in de meeste verwarring, en
stamelende:
„Wel, mevrouw,—ik zal zeker—steeds de eer van uwe gezelschap—”
„Ik hoop ten minste dat ik u in geene ernstige bezigheden stoor,” zei
Lady Bellaston.
„Volstrekt niet,” hernam Sophia. „Onze zaken waren afgedaan. Gij zult u
welligt herinneren, mevrouw, dat ik u dikwijls gesproken heb van het
verlies van mijn zakboekje, hetwelk deze heer gelukkig vond, en zoo
vriendelijk was het mij, met het bankbriefje er in, terug te brengen.”
Jones was bij de tehuiskomst van Lady Bellaston zoodanig door schrik
bevangen, dat hem was alsof hij door den grond zou zinken. Hij zat heen
en weer te schuiven op zijn stoel, met de vingers te spelen, en zoo
mogelijk, er nog gekker uit te zien, dan een lummel van een landjonker,
die voor het eerst van zijn leven in fatsoenlijk gezelschap komt. Hij
begon echter nu weder moed te vatten, en den wenk volgende, welken hij
in de houding van Lady Bellaston vond, die, zoo als hij zag, zich hield
alsof zij hem volstrekt niet kende, besloot hij om zelf zich geheel als
een vreemdeling te houden. Hij zeide dan ook, „dat sedert het oogenblik
dat hij het zakboekje gevonden had, hij zich de grootste moeite gegeven
had om de dame te ontdekken aan wie het toebehoorde, en wier naam er
ingeschreven stond; maar het was eerst heden dat hij het geluk had
gehad haar te vinden.”
Sophia had nu wel van het verlies van haar zakboekje tegen Lady
Bellaston gesproken; daar echter Jones, om de eene of andere reden,
haar nooit met een enkel woord te kennen gegeven had, dat het in zijn
bezit was, geloofde zij geen enkel woord van hetgeen Sophia nu gezegd
had, en bewonderde zeer de buitengewone vlugheid waarmede die jonge
dame zulk eene verontschulding bedacht had. Zij geloofde evenmin aan de
reden waarom Sophia de komedie verlaten had, en hoewel zij zich niet
verklaren kon hoe de beide minnenden bij elkaar gekomen waren, gevoelde
zij zich overtuigd dat zulks aan geen toeval toe te schrijven was.
Zij hernam dus met een gemaakten glimlach:
„Gij zijt wezenlijk zeer gelukkig, jufvrouw Western, om uw geld terug
gekregen te hebben;—en niet alleen dat het in handen viel van een man
van eer; maar dat hij ook ontdekte aan wie het toebehoorde. Naar ik
meen, wildet gij het niet adverteren? Het was buitengewoon gelukkig,
mijnheer, dat gij ontdektet, aan wie het toebehoorde!”
„O mevrouw,” riep Jones, „het was in een zakboekje, waarin de naam der
jonge dame geschreven stond.”
„Dat was ook buitengewoon gelukkig!” riep de dame;—„en het was ook niet
minder gelukkig, dat gij ontdektet dat mejufvrouw Western, die zeer
weinig bekend is hier bij mij in huis was!”
Jones was eindelijk zich zelven weder geheel meester en daar hij
begreep nu de gelegenheid gevonden te hebben om Sophia te antwoorden op
de vraag welke zij hem gedaan had juist toen Lady Bellaston binnentrad,
hervatte hij als volgt:
„Ja, mevrouw, het was inderdaad door een allergelukkigst toeval dat ik
die ontdekking deed. Ik vertelde wat ik gevonden had, en den naam der
eigenaresse een avond of wat geleden aan eene dame op eene maskerade,
die mij zeide, dat zij geloofde te weten, waar ik mejufvrouw Western
vinden kon;—en zij beloofde mij, als ik den volgenden morgen bij haar
wilde komen, mij dat te zeggen. Ik ging dus op het bepaalde uur bij
haar, maar vond haar niet te huis,—en het is me niet gelukt haar weder
te ontmoeten tot heden morgen, toen zij mij uw adres opgaf. Ik kwam dus
hierheen, en toen ik zeide dat ik zaken van belang had, bragt mij een
knecht hier binnen, waar ik pas een oogenblik geweest was, toen de
jonge dame van de komedie naar huis kwam!”
Bij de vermelding van de maskerade, had hij Lady Bellaston veel
beteekenend aangekeken, zonder te vreezen dat Sophia het opmerken zou;
want deze was blijkbaar al te zeer verlegen om wien of wat ook waar te
nemen. Deze wenk verschrikte de dame een weinig en zij bleef zwijgen,
terwijl Jones, die de verwarring van Sophia ontwaarde, besloot het
eenige middel om haar te verligten, te baat te nemen en zich te
verwijderen. Eer hij dit deed, zeide hij:
„Ik geloof, mevrouw, dat het bij gelegenheden als deze gebruikelijk is
eenige belooning te geven,—en ik vraag er eene zeer groote voor mijne
eerlijkheid:—namelijk niets minder, mevrouw, dan dat mij de eer
toegestaan wordt van mijn bezoek te mogen herhalen.”
„Ik twijfel volstrekt niet, mijnheer, dat gij een fatsoenlijk man
zijt,” hernam de dame, „en voor zoo iemand is mijn huis steeds open.”
Na de gebruikelijke pligtplegingen vertrok nu Jones, tot zijne eigene
groote voldoening en niet minder tot die van Sophia, die zeer bevreesd
was dat Lady Bellaston ontdekken mogt—wat haar reeds slechts al te goed
bekend was.
Op de trap ontmoette Jones zijne oude kennis, jufvrouw Honour, die, in
weerwil van al wat zij ten zijnen nadeele verteld had, nu de
beleefdheid had hem met de meeste vriendelijkheid te behandelen. Dit
was inderdaad eene gelukkige omstandigheid, daar hij haar nu kon
vertellen waar hij woonde, iets dat Sophia nog onbekend gebleven was.