Zoodra mevrouw Fitzpatrick zich ter rust begaf, waren hare gedachten
geheel vervuld met hare nicht en den heer Jones. Zij was inderdaad een
weinig boos op de eerste, wegens de onopregtheid welke zij nu ontdekt
had. Zij had dus hare verbeelding niet lang hiermede bezig gehouden,
toen zij het volgende plan vormde:—als zij namelijk daarin slaagde om
Sophia van dezen mensch te redden, en om haar aan haar vader terug te
geven, zou zij, naar alle menschelijke berekening, zulk eene gewigtige
dienst aan de familie doen, dat zij daardoor haar oom en hare tante
Western beide weder voor zich winnen zou.
En terwijl dit onder hare meest geliefkoosde wenschen behoorde, scheen
de hoop op welslagen zoo gegrond, dat er niets voor haar overbleef dan
om de meest gepaste middelen te beramen om haar doel te bereiken.
Daaronder kon men niet tellen het beredeneren van de zaak met Sophia;
want daar Betje verzekerd had dat Honour verklaarde dat Sophia eene
hevig liefde koesterde voor Jones, begreep zij dat haar een huwelijk
met hem afteraden ongeveer op hetzelfde neder komen zou, als zeer
ernstig en vurig eene mot te smeeken om niet in de vlam te vliegen.
Indien de lezer de goedheid wil hebben zich te herinneren dat Sophia
kennis gemaakt had met Lady Bellaston in het huis van mejufvrouw
Western, en wel terzelfder tijd toen mevrouw Fitzpatrick dáár woonde,
zal hij begrijpen dat zij ook die dame kende. Beiden behoorden ook
eenigzins tot hare familie.
Na rijp overleg dus besloot zij dien morgen reeds in de vroegte bij
Lady Bellaston te gaan, te trachten haar te spreken, zonder dat Sophia
het bemerkte, en haar met alles bekend te maken. Want zij twijfelde er
in het geheel niet aan, dat die wijze dame, die zij dikwerf in
gezelschap den spot had hooren drijven met romantische liefde en
onvoorzigtige huwelijken, dadelijk het met haar eens zou zijn omtrent
deze verbindtenis en haar best zou doen om ze te verijdelen.
Zij bleef dus bij haar besluit en den volgenden morgen, terstond na
zonsopgang, wierp zij zich in de kleeren, en op een zeer onfatsoenlijk,
ongepast uur voor een bezoek, begaf zij zich bij Lady Bellaston, bij
wie zij toegelaten werd, zonder dat Sophia er het minst van wist of
vermoedde, daar deze, hoewel niet in slaap, nog te bed lag, met Honour
aan hare zijde snorkende.
Mevrouw Fitzpatrick begon met eene menigte verontschuldigingen over
zulk een vroegtijdig, onverwacht bezoek, en verzekerde, „dat zij er
niet aan gedacht zou hebben om Milady te storen zonder redenen van het
hoogste belang.”
Daarop openbaarde zij haar de geheele zaak, vertelde alles wat zij van
Betje gehoord had, en vergat ook niet het bezoek dat Jones haar den
vorigen avond gebragt had.
Lady Bellaston hernam met een glimlach: „Dus hebt gij, mevrouw, dien
verschrikkelijken mensch gezien! Vertel me toch, is het zoo’n mooije
man als men zegt? Etoff hield me gisteren avond bijna twee uren aan de
praat over hem. Ik geloof haast dat het meisje al op hem verliefd is,
alleen wegens zijn naam als losbol.”
Dit zal welligt den lezer verbazen: maar het ware van de zaak is, dat
jufvrouw Etoff, die de eer had om Lady Bellaston aan- en uit te
kleeden, uitvoerige berigten omtrent den heer Jones ontvangen had van
Honour en ze getrouw aan haar dame overgebragt had den vorigen avond
(of liever dien zelfden morgen) terwijl zij haar uitkleedde,—waardoor
dat werk haar meer dan anderhalf uur tijds gekost had.
En ook de dame, die gewoonlijk op zulke oogenblikken zeer geneigd was
om naar de verhalen van jufvrouw Etoff te luisteren, schonk
buitengewoon veel aandacht aan hare berigten omtrent Jones; want Honour
had hem als een zeer knappen jongen beschreven, en jufvrouw Etoff
kleurde de beschrijving van zijne schoonheid zoo sterk, dat Lady
Bellaston hem begon te beschouwen als eene soort van menschelijk
wonder.
De nieuwsgierigheid, welke hare kamenier haar inboezemde, werd nu zeer
vermeerderd door mevrouw Fitzpatrick, die het uiterlijk van Jones
evenzeer roemde, als zij eerst zijn karakter, zijne afkomst en zijn
gebrek aan vermogen gelaakt had.
Nadat Lady Bellaston dit alles aangehoord had, antwoordde zij zeer
ernstig: „Inderdaad, mevrouw, dit is eene zeer gewigtige zaak! Niets
zou loffelijker kunnen zijn dan de rol welke gij daarin speelt, en ik
zal me zeer verheugen deel er in te hebben, om zulk een verdienstelijk
meisje, dat ik zoo lief heb, te redden.”
„Gelooft gij niet, Milady,” vroeg nu driftig mevrouw Fitzpatrick, „dat
het ook zaak zou zijn dadelijk aan oom te schrijven en hem te melden
waar mijne nicht zich bevindt?”
De dame bedacht zich een oogenblik en hernam daarop: „Wel, mevrouw, dat
zou ik niet doen! Mejufvrouw Western, de oude, heeft mij haar broeder
als zulk een ruw mensch beschreven, dat ik er niet toe komen kan om een
vrouwelijk wezen, dat hem eens ontsnapt is, weder in zijne magt te
geven. Ik heb vernomen dat hij zich gedragen heeft als een monster
tegenover zijne vrouw; want hij is een van die ellendelingen, die zich
verbeelden het regt te hebben om den dwingeland over ons te spelen, en
ik zal het steeds als een pligt beschouwen jegens mijn eigen geslacht,
om iedere vrouw te redden, die het ongeluk heeft zoo iemand in handen
te vallen.—Het best ze al zijn, lieve nicht, om alleen jufvrouw Western
te beletten dezen mensch te zien, tot dat het goede gezelschap, dat zij
hier in de gelegenheid zal wezen te ontmoeten, eene andere rigting aan
hare gedachten heeft gegeven.”
„Als hij haar ontdekt, kunt gij er op aan, Milady, dat hij niets
onbeproefd zal laten om haar te naderen,” hernam de andere.
„Wel, mevrouw,” antwoordde Lady Bellaston, „het is onmogelijk voor hem
om hier in huis te komen;—maar hij is welligt in staat om haar verblijf
te ontdekken,—dan zal hij den heelen dag hier op den loer staan;—ik zou
dus wel willen weten hoe hij er uitziet. Zoudt gij er niets op kunnen
bedenken, mevrouw, om mij hem te doen zien;—ten einde te beletten, weet
ge, dat mijne nicht hem zonder mijne voorkennis ontvangt.”
Mevrouw Fitzpatrick hernam, „dat hij haar dien namiddag met een tweede
bezoek gedreigd had, en dat als Milady haar de eer wilde doen van dan
bij haar te komen, zij hem zeker tusschen zes en zeven uur aantreffen
zou, en dat als hij vroeger kwam, zij hem op de eene of andere wijze
ophouden zou tot Milady dáár was.”
Deze dame hernam dat zij komen zou zoo spoedig als zij van tafel
opstaan kon, wat, naar zij vermoedde, op het laatst tegen zeven uur zou
wezen; want dat zij het volstrekt noodzakelijk achtte hem persoonlijk
te kennen.
„Op mijn woord, mevrouw,” zeide zij, „het was zeer goed van u zoo
bezorgd te zijn voor jufvrouw Western; maar uit bloote
menschlievendheid, en uit achting voor onze familie, moeten wij beide
ons best doen om dit verschrikkelijk huwelijk te voorkomen!”
Mevrouw Fitzpatrick verzuimde niet op eene passende wijze te antwoorden
op deze beleefdheden van hare nicht en na eenige nietsbeteekenende
woorden verwijderde zij zich, en zoo vlug mogelijk in haar draagstoel
wippende, ten einde niet door Sophia of Honour ontdekt te worden, ging
zij naar huis.