De geleerde Dr. Misaubin plagt te zeggen, dat zijn eigenlijk adres
luidde: „Aan Dr. Misaubin,—hier op aarde!” daardoor te kennen gevende,
dat er slechts zeer weinige menschen waren, die met zijn roem niet
bekend waren. En welligt zullen wij, bij nader onderzoek, inzien dat
deze omstandigheid geene onaanzienlijke plaats bekleedt onder de
zegeningen van een beroemden naam.
Het groote geluk om aan de nakomelingschap bekend te worden, (waarop
wij ons in het vorige hoofdstuk verheugden), is een voorregt dat slecht
weinigen te beurt valt. Om, zoo als Sydenham het uitdrukt „de
verschillende elementen waaruit onze naam bestaat” nog na verloop van
eeuwen te doen opsommen, is eene gave welke noch door rang noch door
rijkdommen gekocht kan worden, en die naauwelijks te verkrijgen is,
tenzij door middel van het zwaard of de pen. Maar het zal toch steeds
het schoone doel zijn van diegenen, die wettige aanspraken op eer of
vermogen hebben, om de schande te ontgaan van „iemand te zijn die
niemand kent,”—ter loops gezegd, eene schande die reeds in de dagen van
Homerus bestond. [15]
Uit de rol dan, welke de Iersche Pair, die Sophia naar Londen bragt,
reeds in deze geschiedenis gespeeld heeft, zal de lezer, zonder
twijfel, begrijpen, dat het gemakkelijk viel om zijn huis in de stad te
ontdekken, zonder juist den naam van de straat of het plein te weten,
waar hij woonde, daar hij iemand wezen moest, „dien iedereen kende.” En
werkelijk zou het iederen winkelier gemakkelijk zijn gevallen, die
gewoon is om de groote lui te bedienen, wier deuren gewoonlijk even
ligt te vinden zijn als het moeijelijk valt over den drempel te komen.
Maar Jones en Partridge waren beide vreemd in Londen, en daar hij eerst
aankwam in een gedeelte van de stad, welks bewoners weinig omgaan met
de aristokratische lieden in Hanover- en Grosvenor-Square,—want hij
bevond zich in Gray’s-Inn-Lane,—zwierf hij een heelen tijd rond eer hij
het geluk had om den weg te ontdekken naar de gelukkige ver van het
gemeen verwijderde verblijfplaatsen dier grootmoedige helden, de
afstammelingen der oude Britten, Saksers of Denen, wier ouders in
gelukkiger dagen geboren, door allerlei verdiensten, aan hun nageslacht
rijkdommen en waardigheden hebben nagelaten.
Eindelijk bereikte Jones dezen aardschen hemel, en zou ook nu spoedig
de woning van Milord gevonden hebben, als deze niet ongelukkig kort
voor zijn vertrek naar Ierland verhuisd ware, en daar hij pas in zijn
nieuw hotel gekomen was, had de schitterende glans zijner ekwipaadjes
de buurt nog niet genoeg verlicht, zoodat Jones, na vruchteloos gezocht
te hebben tot de klok elf uur geslagen had, eindelijk naar den raad van
Partridge luisterde en zijn intrek nam in „den Stier” in Holborn, waar
hij eerst aangekomen was, en waar hij zich naar bed begaf om zooveel
van de rust te smaken als gewoonlijk menschen in zijn toestand te beurt
valt.
Den volgenden morgen, heel in de vroegte, ging hij er weer op uit om
zijne Sophia te zoeken, en menigen vermoeijenden gang moest hij doen,
zonder beter dan den vorigen avond te slagen. Eindelijk, hetzij dat het
noodlot vermurwd werd, of dat het buiten staat was om hem verder te
leur te stellen, bereikte hij de straat waar Milord woonde, en het huis
gevonden hebbende, hief hij den klopper op en gaf één zachten tik op de
deur.
De portier, die uit de bescheidenheid, waarmede de klopper gebruikt
werd, geen groot denkbeeld koesterde van den bezoeker, veranderde niet
van gevoelen toen hij den heer Jones zag, wiens kleeren van grof laken
waren, terwijl hij omgord was met den degen, welken hij vroeger van den
sergeant gekocht had, en welks gevest (hoewel de kling misschien uit
best staal bestond), alleen van koper was, dat niet eens al te helder
blonk.
Toen Jones dus naar de jonge dame vroeg, die met Milord naar de stad
gekomen was, antwoordde de knecht kortaf „dat er geene dames dáár
waren.” Jones verzocht nu om den heer des huizes zelven te mogen
spreken; maar vernam dat Milord dien morgen voor niemand te huis was.
Zoodra hij er nog meer op aandrong, verklaarde de portier, dat „hem ten
stelligste bevolen was dien morgen niemand binnen te laten; maar,”
voegde hij er bij, „als gij lust hebt uw naam op te geven, zal ik
zorgen dat Milord er van hoort, en als gij weer komt, zult gij vernemen
wanneer hij u ontvangen wil.”
Jones verklaarde nu dat hij zeer dringende zaken af te doen had met de
jonge dame en dat hij niet weggaan kon zonder haar gesproken te hebben.
Hierop hernam de portier, op geen zeer aangenamen toon en met geen zeer
vriendelijken blik, „dat er geene jonge dame in huis was, en dat hij er
dus geene spreken kon,” en eindigde met te verklaren: „Gij zijt zeker
een heel vreemd soort van mensch; want gij schijnt niet te begrijpen
als men u een antwoord geeft!”
Ik heb me dikwerf verbeeld, dat Virgilius met zijne naauwkeurige
beschrijving in het 6de Boek der Aeneis, van den Cerberus, als den
portier der hel, welligt voornemens was om eene satire te schrijven op
de portiers van de groote lui uit zijn tijd;—want de schilderij gelijkt
zeer op die van hen, welke de eer hebben om de deuren van onze groote
heeren te bewaken. De portier, uit zijn hokje, antwoordt juist zoo als
Cerberus uit zijn hol, en moet even als hij door een lokaasje vermurwd
worden eer men toegang kan krijgen tot zijn meester. Misschien zag hem
Jones in dit licht en herinnerde hij zich die passage waar de Sybille,
om Aeneas den toegang te verschaffen, den bewaker van den ingang tot
den Tartarus op die wijze een hapje aanbiedt. Hij begon dan ook thans
met den menschelijken Cerberus, te willen omkoopen, toen een knecht,
die in de nabijheid had staan luisteren, verklaarde, dat als „mijnheer
hem de fooi wilde geven, hij hem bij de dame brengen zou.”
Jones beloofde dit en werd dadelijk naar de woning van mevrouw
Fitzpatrick gebragt door denzelfden knecht, die den vorigen avond de
dames derwaarts vergezeld had.
Niets maakt eene teleurstelling zoo bitter als de zekerheid die men
meende te hebben van ze te zullen ontgaan. De speler, die eene partij
piquet verliest door het gemis van één punt, klaagt tienmaal meer over
zijn ongeluk dan hij die nooit eenig vooruitzigt had om het spel te
winnen. Dus ook, in de loterij, zijn de eigenaars van de nommers welke
onmiddellijk volgen op het groote lot, geneigd om zich veel
ongelukkiger te achten dan de overige deelgenooten in het spel. Met één
woord, op een haarbreed na gelukkig te schijnen, heeft iets van eene
beleediging van vrouw Fortuna en doet ons denken dat zij met ons speelt
en zich wreedaardig ten onzen koste vermaakt.
Jones, die reeds meer dan eens door de grillige luimen der godin
geleden had, was nu weder veroordeeld om op dezelfde wijze gekweld te
worden; want hij bereikte het huis van mevrouw Fitzpatrick, ongeveer
tien minuten na Sophia’s vertrek. Hij wendde zich dus tot de kamenier
van mevrouw Fitzpatrick, die hem deze onaangename tijding mededeelde,
maar hem niet zeggen kon waarheen Sophia zich begeven had,—en hetzelfde
antwoord kreeg hij ook later van mevrouw Fitzpatrick zelve. Want daar
die dame zich stellig verbeeldde dat de heer Jones iemand was door
haren oom Western afgezonden om Sophia op te sporen, was zij te
edelmoedig om haar te willen verraden.
Ofschoon Jones nu nooit mevrouw Fitzpatrick gezien had, had hij wel
gehoord dat Sophia eene nicht had, die met iemand van dien naam gehuwd
was. In zijn tegenwoordigen ontroerden toestand kwam hem dit volstrekt
niet meer voor den geest; maar toen de knecht, die hem van het huis van
Milord gebragt had, hem mededeelde hoe gemeenzaam de dames geweest
waren, en hoe zij elkaar „nicht” noemden, herinnerde hij zich het
verhaal van het huwelijk, dat hij vroeger wel gehoord had, en daar hij
zich nu overtuigd hield, dat deze de dame moest zijn van wie toen
sprake was geweest, klom zijne verbazing steeds over het antwoord dat
hij ontvangen had, en hij verzocht zeer dringend de dame zelve te mogen
spreken,—die hem echter die eer weigerde.
Ofschoon Jones nu nooit het hof bezocht had, was hij beter opgevoed dan
de meeste menschen die daar leven, en buiten staat om eenige
onfatsoenlijkheid of onbeleefdheid tegenover eene dame te begaan. Toen
hij dus eene stellige weigering ontving, verwijderde zich voor het
oogenblik, terwijl hij tot de kamenier zeide, „dat, als dit een
ongeschikt uur was om bij hare meesteresse zijne opwachting te maken,
hij, in den loop van den namiddag terug zou komen, en dat hij hoopte
dan de eer te hebben van bij haar toegelaten te worden.”
De beleefdheid, waarmede hij deze woorden uitte en zijn gunstig
uiterlijk maakten diepen indruk op de kamenier, die hem antwoordde,
„dat dat wel eens gebeuren kon,”—terwijl zij later, bij hare
meesteresse, alles aanwendde wat zij maar kon om haar over te halen „om
dien mooijen jongen,”—want zoo noemde zij hem,—te ontvangen.
Jones was zeer geneigd te denken, dat Sophia zelve nu bij hare nicht
was, en hem niet te huis gaf, wat hij toeschreef aan hare
verontwaardiging over hetgeen er te Upton gebeurd was. Na Partridge dus
uitgezonden te hebben om eene woning voor hem te zoeken, bleef hij den
heelen dag op straat, de deur bewakende, waarachter hij zich verbeeldde
dat zijn engel verborgen was; maar hij zag er geen mensch uitkomen dan
een knecht, en des avonds keerde hij weder naar het huis terug, om zijn
bezoek te herhalen bij mevrouw Fitzpatrick, welke lieve dame zich
eindelijk verwaardigde om hem te ontvangen.
Er bestaat eene zekere aangeborene fatsoenlijkheid, welke noch door de
kleeding gegeven of benomen wordt,—en mijnheer Jones, zoo als wij reeds
gezegd hebben, bezat deze in zeer hoogen graad. Hij werd dus door de
dame op eene wijze ontvangen, die niet geheel scheen te strooken met
zijne kleeding, en nadat hij haar eerbiedig begroet had, verzocht zij
hem plaats te nemen.
De lezer zal, denkelijk, niet verlangen alle bijzonderheden van dit
gesprek te vernemen, dat zeer weinig bijdroeg om den armen Jones te
bevredigen. Want hoewel mevrouw Fitzpatrick spoedig in hem den minnaar
ontdekte (alle vrouwen hebben adelaarsblikken in dergelijke zaken),
verbeeldde zij zich toch dat hij een minnaar was van die soort, waaraan
geene edelmoedige vriendin der dame haar verraden moest. Met één woord,
zij vermoedde dat hij juist die mijnheer Blifil was, wien Sophia
ontvlugtte, en alle antwoorden welke zij uit Jones lokte aangaande den
heer Allworthy en zijn huisgezin bevestigden haar in dit gevoelen. Zij
ontkende dus stellig iets te weten omtrent Sophia’s verblijf, en Jones
kon niets anders van haar verkrijgen dan de vergunning om den volgenden
avond zijn bezoek te herhalen.
Zoodra Jones weg was, deelde de dame aan hare kamenier hare vermoedens
omtrent den heer Blifil mede, en kreeg tot antwoord: „Wel, mevrouw, hij
is zeker een veel te knappe jongen dan dat eenige vrouw ter
wereld,—naar mijn gevoelen,—van hem zou willen wegloopen. Ik geloof
eerder dat het mijnheer Jones is.”
„Mijnheer Jones!” riep de dame; „wie is mijnheer Jones?”
Sophia had namelijk in haar verhaal geen wenk gegeven dat zoo iemand
bestond; maar jufvrouw Honour was veel mededeelzamer geweest, en had
hare zuster-kamenier de geheele geschiedenis van den heer Jones
verhaald, welke deze nu aan hare meesteresse oververtelde.
Zoodra mevrouw Fitzpatrick dit gehoord had, werd zij het volmaakt eens
met hare kamenier;—en wat zeer onverklaarbaar is,—begon zij
bekoorlijkheden te zien in den dapperen, gelukkigen minnaar, die zij in
den afgewezen landjonker over het hoofd had gezien.
„Betje,” zeide zij, „gij hebt zeker gelijk! Het is een heel knappe
jongen, en het verwondert me niet dat de kamenier van mijne nicht u
verteld heeft dat zoo vele vrouwen op hem verzot zijn. Het spijt me nu
dat ik hem niet vertelde waar mijne nicht is,—en toch, als hij zulk een
verschrikkelijke losbol is als gij zegt, zou het jammer zijn als zij
hem ooit weder ontmoette; want het kan niet anders dan tot haar ongeluk
strekken als zij, tegen den zin van haar vader, in het huwelijk treedt
met een ligtzinnigen bedelaar. Ik geloof wezenlijk, dat als hij zoo
slecht is als de meid verklaart, het eene liefdedienst is om haar van
hem af te houden; en ik weet zeker, dat het onvergeefelijk zou zijn in
mij, die zulke bittere vruchten van een dergelijk huwelijk geplukt heb,
om zoo iets aan te moedigen.”
Hier werd zij gestoord door de aankomst van een bezoeker,—niemand
anders dan Milord, en daar er bij deze gelegenheid niets nieuws of
belangrijks voorviel voor onze geschiedenis, zullen wij hier een einde
maken aan dit hoofdstuk.