EENE AANROEPING.

Kom, schoone liefde tot den roem; beziel mijn gloeijend hart! Niet u

roep ik aan, die over golvende stroomen van bloed en tranen heen, den

held tot den krijgsroem voert, terwijl de zwellende zeilen gevuld

worden door de zuchten van millioenen; maar u, schoone, zachtaardige

maagd, die Mnemosyne, de gelukkige nimf, aan de oevers van den Hebrus

ter wereld bragt. Gij, die door Maeonia opgevoed, die door Mantua

bekoord werd, en die op dien schoonen heuvel zeteldet, welke

Brittanniës trotsche hoofdstad overziet, terwijl Milton de snaren uwer

heldenlier zoet stemde,—o beziel gij mijne verrukte verbeelding met de

hoop van latere eeuwen nog te bekoren! Voorspel mij, dat de eene of

andere teedere maagd, wier grootmoeder nog niet geboren is, als zij,

onder den verdichten naam van Sophia van de echte deugd leest, welke

eens in mijne Charlotte leefde, een zucht van deelneming uit de diepte

van haar hart zal slaken. Leer mij niet slechts den toekomstigen roem

voorzien, maar ook te genieten,—ja, mij er mede te voeden! Troost me

met de plegtige verzekering, dat als het kleine vertrek waar ik op dit

oogenblik zit, vervangen is door eene armzalige kist, mijne werken

gelezen en eervol genoemd zullen worden, door diegenen, welke mij nooit

gezien of gekend hebben, en die ik ook nooit zien of kennen zal.

Ook u roep ik aan, u de meer welgedane schoone, die niet gehuld zijt in

een luchtig gewaad of een droom der verbeelding, maar die van krachtig

ossenvleesch en zware podding houdt, u roep ik aan, die de vette

jufvrouw Geld, door een joligen Amsterdammer koopman in een trekschuit

op een Hollandsch kanaal bezwangerd, ter wereld bragt! Ja, onder de

gelegenheidsdichters van prulverzen hebt gij de eerste gronden uwer

geleerdheid opgedaan. Daar hebt gij op lateren leeftijd aan de

dichtkunst geleerd niet de verbeelding, maar den hoogmoed van haren

beschermer te streelen. Het kluchtspel leert van u den schijn van ernst

en deftigheid aan te nemen; terwijl het treurspel woest schreeuwt en de

verbaasde zaal met zijne donderende stem verschrikt. Om uwe vermoeide

ledematen in rust te sussen, vertelt de slaperige geschiedenis haar

vervelend verhaal, en voert de moderne Roman zijne verbazende

goochelkunstjes uit. Evenzoo gehoorzaamt uw wel doorvoede uitgever aan

uwen invloed. Op uw raad, vliegt de zware, ongelezene, lompe foliant,

die lang op de stofferige plank gesluimerd had, in „afleveringen”

versnipperd door het heele land. Door u onderwezen, foppen sommige

boeken de menschen, door even als kwakzalvers wonderen te beloven,

terwijl anderen als fatten te voorschijn komen en zich trachten

verdienstelijk te maken alleen door een verguld uiterlijk. Kom, gij

welvarende rijke, met uw schitterend gelaat,—houd uwe inspiratie voor

u, maar bied mij uwe verleidelijke belooningen aan de blinkende,

klinkende goudstapels, de ligt om te zetten banknoot, bezwaard met

onzigtbare schatten; de steeds rijzende en dalende effecten; het warme

gemakkelijke woon-, huis, en eindelijk, mijn behoorlijk deel aan de

weldaden van die milde moeder, wier rijke borsten voedsel genoeg

opleveren voor al haar talrijk kroost, als er niet sommigen waren die

veel te gulzig zijn en hunne broederen meêdoogenloos van haren schoot

verdringen. Kom ook gij, en als ik zelf te weinig geef om uwe kostbare

schatten, verkwik mijn hart met de verrukkelijke gedachte van ze aan

anderen meê te deelen! Verzeker mij, dat door uwe mildheid, de

babbelende kinderen, wier onschuldig spel dikwerf door mijn arbeid

gestoord is geworden, ook eenmaal ruimschoots daarvoor beloond zullen

worden.

En thans, nu dit ongelijke paar, de magere schaduw en de vette

zelfstandigheid, mij bezield hebben om te schrijven, wiens hulp zal ik

verder inroepen om mijne pen te besturen?

Ten eerste, die van het Genie, die gave des hemels, zonder wier

bijstand wij te vergeefs worstelen tegen den stroom der natuur. Gij,

die het edele zaad uitstrooit, hetwelk de kunst aankweekt en volmaakt,

neem gij mij vriendelijk bij de hand, en geleid mij langs al de

kronkelpaden, de slingerende doolhoven der natuur! Wijd mij in al die

geheimen in, welke ongewijde oogen nooit ontdekt hebben. Leer mij—voor

u is dit geene moeijelijke taak,—om de menschen beter te kennen dan zij

zich zelve kennen. Verwijder dien nevel, die de verstandelijke

vermogens der stervelingen verblindt, en hen zekere menschen doet

bewonderen om hunne kunst, of hen doet haten wegens hunne sluwheid in

het bedriegen van anderen, terwijl zij, werkelijk, alleen bespottelijk

zijn omdat zij zich zelve foppen. Ruk den dunnen sluijer der wijsheid

van de verwaandheid af,—des overvloeds van de schrielheid,—en des roems

van de eerzucht. Kom gij, die uw Aristophanes, uw Lucianus, uw

Cervantes, uw Rabelais, uw Molière, uw Shakespeare, uw Swift, uw

Marivaux bezield hebt,—vul mijne bladzijden met humor, tot de menschen

goedaardig genoeg zijn om alleen te lagchen om de dwaasheden van

anderen en nederig genoeg worden, om zich over hunne eigene dwaasheid

te bedroeven!

En gij, die bijna altijd de standvastige geleidster van het genie

zijt,—gij, o menschlievendheid, beziel mij met al uwe teedere

gevoelens! Als gij er reeds over beschikt hebt ten gunste van uw Allen

en uw Lyttleton, ontsteel ze hun dan voor een poosje! Want zonder u kan

men geen aandoenlijk tooneel schilderen. Aan u alleen heeft men te

danken de edele, onbaatzuchtige vriendschap, de teedere liefde, het

opwellende gevoel, de vurige dankbaarheid, het zachte medelijden, de

opregtheid, en al de krachtige en goede gaven, die de tranen doen

opwellen in het vochtige oog, het bloed lokken in de tintelende wang,

en het hart doen kloppen met stroomen van weemoed, vreugde en

welwillendheid!

En ook, gij, o Geleerdheid,—want zonder uwe hulp kan het genie niets

zuivers, niets juists te voorschijn brengen,—bestuur ook gij mijne pen!

U heb ik, in uwe geliefkoosde velden, waar de heldere, zacht vloeijende

Theems de oevers van Eton bespoelt, in vroegere dagen aangebeden. Aan

u, heb ik met Spartaanschen moed mijn bloed geofferd op het altaar,

waar de priester de roede zwaaide! Kom dan, en laaf mij uit de rijke,

schoone schatten in oude tijden verzameld, met uw overvloed! Open de

Maeonische en Mantuasche schatkisten, of waar anders gij uwe

wijsgeerige, dichterlijke en geschiedkundige schatten geborgen hebt,

hetzij gij de zware kisten met Grieksche, hetzij met Latijnsche letters

gemerkt hebt;—leen mij een tijdlang den sleutel tot al uwe

schatten,—den sleutel, welken gij aan uwen Warburton hebt toevertrouwd!

Eindelijk, roep ik ook u aan, o Ondervinding! die lang bekend zijt

geweest met de wijzen, de goeden, de geleerden, de beschaafden! En ook

niet slechts met dezen, maar met iederen slag van menschen, van den

minister op de audientie, tot den deurwaarder in het huis van arrest;

van de hertogin op het feest, tot de waardin in de gelagkamer. Met uwe

hulp alleen kan men de zeden der menschen leeren kennen;—waaraan de

afgstrokkene boekworm, hoe knap hij ook anders zij, of hoe groot zijne

geleerdheid, steeds vreemd moet blijven.

Komt gij allen, die ik aangeroepen heb, en nog meer er bij, zoo

mogelijk; want moeijelijk is de taak welke ik op me genomen heb, en

zonder uw bijstand zal ze wel te zwaar voor mij zijn;—maar als gij mij

toelacht, hoop ik nog mijn werk tot een gelukkig einde te brengen!

Tom Jones · 第 218 / 340 题