HETGEEN DEN HEER JONES OVERKWAM OP ZIJNE REIS VAN ST. ALBANS.

Zij waren omstreeks drie kwartier achter Barnet gekomen, toen de

schemering begon te vallen, en een fatsoenlijk uitziend mensch, maar op

een zeer slecht paard gezeten, op Jones toereed en hem vroeg of hij

naar Londen ging; waarop deze toestemmend antwoordde.

De heer hervatte het gesprek nu en zeide: „Ik zou u zeer verpligt

wezen, als ik met u reizen mogt; want het begint laat te worden, en ik

ben een vreemdeling in deze streken.”

Jones stond dit verzoek gereedelijk toe en zij reisden verder zamen,

onder dat soort van gesprekken als bij dergelijke gelegenheden

gebruikelijk zijn.

Het voornaamste onderwerp was natuurlijk de straatroovers, waarvoor de

vreemdeling grooten angst te kennen gaf; maar Jones verklaarde dat hij

weinig te verliezen en dus weinig te vreezen had.

Hier kon Partridge niet nalaten zich in het gesprek te mengen.

„Mijnheer mag van weinig spreken, als hem dat goeddunkt; maar ik weet

wel dat als ik eene banknoot van honderd pond op zak had, zoo als hij,

dat het mij zeer spijten zou ze te verliezen; maar, wat mij betreft, ik

heb nooit van mijn leven minder vrees gekoesterd dan op dit oogenblik;

want wij zijn met ons vieren, en als wij elkaar slechts trouw bijstaan,

zal de sterkste kerel in geheel Engeland ons niet afzetten.

Verondersteld ook dat hij een pistool had, zou hij slechts één van ons

kunnen doodschieten, en de mensch kan maar éénmaal sterven;—dat is mijn

troost, zeg ik:—men kan toch slechts éénmaal sterven!”

Behalve zijn vertrouwen op de meerderheid in getal, eene soort van

heldenmoed, welke zeker volk heden ten dage veel roem verschaft heeft,

bestond er ook eene andere reden voor de buitengewone dapperheid door

Partridge nu aan den dag gelegd;—want de drank had hem met zoo veel

moed begiftigd als men maar bij mogelijkheid daaraan ontleenen kan.

Ons reisgezelschap was thans omstreeks een groot kwartier van Highgate,

toen de vreemdeling zich plotseling tegen Jones keerde, een pistool te

voorschijn haalde en die kleine banknoot vroeg, waarvan Partridge

gesproken had.

Jones was voor het oogenblik eenigzins overrompeld; maar vermande zich

spoedig en verklaarde aan den roover dat al het baar geld, dat hij bij

zich had, hem zeer ten dienste stond, en met deze woorden haalde hij

iets meer dan drie guinjes te voorschijn, en bood ze hem aan. De andere

echter hernam met een vloek, dat hij daarmede niet gediend was.

Jones antwoordde thans heel koelbloedig, dat het hem speet, en stak het

geld weder op.

De roover dreigde nu, dat als Jones hem niet dadelijk de banknoot gaf,

hij hem doodschieten zou, terwijl hij hem het pistool op de borst

hield. Jones greep den kerel dadelijk bij de hand, welke zoodanig

beefde dat hij naauwelijks het pistool kon houden, en keerde den loop

van zich af. Hierop volgde eene worsteling, waarin Jones spoedig het

wapen uit de hand van zijn vijand rukte en beide zamen op den grond

vielen, de roover op den rug en de zegevierende Jones boven op hem.

De arme kerel begon nu de genade van den overwinnaar in te roepen, want

hij was, werkelijk, wat kracht betreft, volstrekt niet bestand tegen

Jones.

„Wezenlijk, mijnheer,” riep hij, „ik kon niet voornemens zijn om u dood

te schieten; want gij zult zien dat het pistool niet geladen was. Het

is de eerste keer dat ik voor struikroover heb willen spelen, en de

nood heeft me daartoe gedreven!”

Op dit oogenblik hoorde men op een afstand van ongeveer honderd vijftig

el iemand die op den grond lag te brullen om genade, veel harder dan de

struikroover zelf. Dit was niemand anders dan Partridge, die den strijd

trachtende te ontloopen, van het paard geworpen was en plat op den buik

lag, zonder te durven opkijken, en elk oogenblik wachtte dood geschoten

te worden.

Zoo lag hij tot de gids, die nu geene andere vrees koesterde dan voor

zijne paarden, het gestruikelde paard greep, en hem naderde met het

berigt dat zijn meester den struikroover verslagen had.

Partridge sprong bij deze woorden dadelijk op, en liep naar de plek

terug, waar Jones, met den degen in de hand, den armen drommel stond te

bewaken, en zoodra Partridge dit zag, riep hij uit: „Sla hem dood,

mijnheer! Steek hem door het lijf;—maak hem dadelijk dood, mijnheer!”

Tot zijn geluk echter, was de roover in genadige handen gevallen; want

nadat Jones het pistool onderzocht en werkelijk bevonden had dat het

niet geladen was, begon hij geloof te hechten aan al wat de man hem

verteld had eer Partridge naderde;—namelijk dat hij een nieuweling in

het rooversberoep was, en dat hij daartoe gedreven was door den grootst

mogelijken nood, welken men zich verbeelden kan;—namelijk dat hij vijf

hongerige kinderen had, terwijl zijne vrouw in gebrek en ellende van

het zesde in de kraam was. De struikroover betuigde met de meeste

hartstogtelijkheid, dat dit alles volkomen waar was en bood aan den

heer Jones daarvan te overtuigen indien hij zich slechts de moeite

wilde geven hem naar zijn huis te volgen,—een half uurtje van daar,

zeggende, „dat hij geene genade vroeg tenzij hij alles bewijzen kon,

wat hij tot zijne verontschuldiging aangevoerd had.”

Jones hield zich eerst alsof hij den kerel bij zijn woord wilde nemen,

en met hem gaan, verklarende dat zijn lot afhangen zou van de waarheid

van zijn verhaal. Hierover drukte de arme drommel zooveel vreugde uit,

dat Jones volkomen overtuigd was dat hij de waarheid gesproken had, en

nu medelijden met hem begon te gevoelen. Hij gaf hem dus het ongeladen

pistool terug, raadde hem aan eerlijker middelen te zoeken om in zijne

behoeften te voorzien, en schonk hem een paar guinjes, om den

dringenden nood van zijn huisgezin te verligten; terwijl hij er

bijvoegde, „dat hij om zijnentwil wel wenschte dat hij meer had; maar

dat de honderd pond waarvan sprake was geweest, hem niet toebehoorden.”

Onze lezers zullen wel verdeeld zijn in hun oordeel over deze

handelwijze; sommigen zullen ze welligt roemen als buitengewoon

menschlievend, terwijl anderen, van meer zwartgalligen aard ze

beschouwen zullen als een gebrek aan dien eerbied voor geregtigheid,

welke iedereen aan zijn vaderland verschuldigd is. Partridge bezag de

zaak zeker uit dit oogpunt, drukte zijne groote ontevredenheid er over

uit, haalde een oud spreekwoord aan en zeide dat het hem niet

verwonderen zou als de schelm hen weder aanviel eer zij Londen

bereikten.

De struikroover was onuitputtelijk in de betuiging van zijne overgroote

dankbaarheid. Hij stortte er zelfs tranen bij,—of veinsde ten minste

dat te doen. Hij zwoer ook dat hij dadelijk naar huis terugkeeren en

nooit weder eene dergelijke misdaad ondernemen zou. Het zal welligt

later blijken of hij woord hield of niet.

Onze reizigers, hunne paarden weder bestegen hebbende, kwamen nu,

zonder verdere avonturen, te Londen aan. Onderweg viel er veel en druk

te praten tusschen Jones en Partridge over hunne laatste ontmoeting.

Jones drukte veel medelijden uit voor de struikroovers die, door

onoverkomelijke rampen, als het ware, gedreven worden tot zulke

onwettige handelingen, die hun meestal eindelijk een schandelijken dood

berokkenen. „Ik bedoel,” zeide hij, „slechts diegenen, die nooit eene

grootere misdaad dan rooverij plegen, en die zich niet schuldig maken

aan wreedheid of beleediging van wien ook,—eene omstandigheid, dat moet

ik zeggen, welke, tot eer van ons vaderland, de Engelsche straatroovers

onderscheidt van die van alle andere volken,—waar de moord bijna altijd

den roof vergezelt.”

„Daar twijfelt geen mensch aan, zei Partridge, „dat het beter is iemand

zijn geld dan zijn leven te benemen, en toch is het zeer hard voor

eerlijke lieden, dat zij voor hunne zaken niet reizen kunnen, zonder

gevaar te loopen door die schelmen. En zeker is het dat het beter zou

zijn dat alle schurken opgehangen en opgeruimd werden, dan dat één

eerlijk man benadeeld werd. Wat mij betreft, het is waar dat ik niet

gaarne den dood van één van hen voor mijne verantwoording zou hebben;

maar het is heel goed dat de wet hen allen opknoopt. Welk regt heeft

iemand ter wereld mij een duit af te nemen, als ik hem het geld niet

schenken wil? Kan zoo iemand een greintje eerlijkheid bezitten?”

„Wel, neen!” riep Jones, „zeker niet! Niet meer dan hij, die iemand de

paarden van stal zou willen nemen, of tot zijn eigen gebruik het geld

dat hij vindt, aanwenden, als hem de regtmatige eigenaar bekend is.”

Deze wenken legden Partridge het stilzwijgen op, en hij opende den mond

niet weder totdat Jones eenige spottende aanmerkingen over zijne

lafhartigheid maakte en hij zich trachtte te verontschuldigen door de

overmagt der vuurwapenen aan te voeren, terwijl hij zeide; „Duizend

ongewapende mannen zijn niet bestand tegen één pistool; want hoewel het

waar zij, dat men met één schot slechts één mensch dooden kan, weet

niemand of hij niet juist die ééne zal wezen.”

Tom Jones · 第 213 / 340 题