Alle eerlijke voorstanders der vrijheid zullen, zonder twijfel, ons de
lange uitweiding vergeven, waartoe wij ons aan het einde van het
laatste hoofdstuk lieten verleiden, ten einde te beletten dat onze
geschiedenis misbruikt werd ten voordeele van de verderfelijkste leer,
welke het priesterdom ooit de boosheid, of de onbeschaamdheid heeft
gehad te verkondigen.
Wij zullen nu den heer Jones verder vergezellen, die zoodra het onweder
voorbij was, afscheid nam van zijne Heidensche Majesteit, na herhaalde
dankbetuiging voor de genadige ontvangst en behandeling, en zijne reis
voortzette naar Coventry, waarheen een Heiden (daar het nog pikdonker
was) bevolen werd hem te geleiden.
Daar Jones, door den omweg welken hij gemaakt had elf in plaats van zes
mijlen gereisd had, en meestal langs afschuwelijke wegen, waarop men
zelfs om eene baker te halen geen haast had kunnen maken, was het bijna
twaalf uur eer hij te Coventry aankwam. Het was ook over twee uur eer
hij weder in den zadel kon komen, want het was niet gemakkelijk om
postpaarden te krijgen, en de stalknecht en de postiljon hadden lang
niet zoo veel haast als hij, maar verkozen liever om met het geduld van
Partridge in te stemmen, die, daar hij de versterking der rust missen
moest, elke gelegenheid waarnam om zich dat te vergoeden, door iedere
andere verkwikking welke hij krijgen kon, te gebruiken en nooit beter
in zijn schik was dan als hij eene herberg bereikt had, en nooit minder
tevreden dan als hij ze weder verlaten moest.
Jones reisde thans met postpaarden; wij zullen hem dus, volgens onze
gewoonte volgen,—en overeenkomstig de regels van Longinus,—op dezelfde
wijze.
Van Coventry bereikte hij Daventry; van Daventry kwam hij te Stratford,
en van Stratford te Dunstable, welke stad hij den volgenden dag na den
middag bereikte, en weinige uren nadat Sophia ze verlaten had, en
hoewel hij hier langer vertoeven moest dan hij wenschte, terwijl een
smid, zeer op zijn gemak, zijn paard besloeg, hoopte hij toch zijne
Sophia in te halen eer zij uit St. Albans vertrok, waar hij rekende dat
Milord blijven zou om het middagmaal te gebruiken.
En, als hij zich in deze gissing niet bedrogen had, zou hij
waarschijnlijk zijn engel ook hier ingehaald hebben; maar ongelukkig
had Milord het middagmaal besteld in zijn eigen huis te Londen, en ten
einde bij tijds dáár aan te komen, had hij zich versche paarden te St.
Albans te gemoet doen zenden. Toen Jones dus dáár aankwam, vernam hij
dat de reiskoets met de zes paarden reeds twee uren geleden vertrokken
was.
Al waren er zelfs paarden gereed geweest, wat echter niet het geval
was, zou het toch blijkbaar onmogelijk geweest zijn de koets in te
halen eer ze Londen bereikte, zoodat Partridge dacht nu eene geschikte
gelegenheid te hebben, om zijn vriend aan iets te herinneren, dat deze
geheel scheen vergeten te hebben. De lezer zal gissen wat dit was, als
wij hem mededeelen dat Jones slechts één gebakken ei gegeten had sedert
zijn vertrek uit de herberg, waar hij den eersten gids ontmoet had, die
van Sophia terugkeerde; want bij de Heidenen had hij zich alleen
geestelijk verkwikt.
De waard was het zoo volmaakt eens met het gevoelen van den heer
Partridge, dat hij naauwelijks hoorde hoe deze zijn vriend verzocht om
toch te blijven eten, of hij viel hem dadelijk bij, en zijn woord weder
intrekkende, dat hij hem gegeven had om hem postpaarden te verschaffen,
verzekerde hij den heer Jones dat hij geen tijd verliezen zou door een
middagmaal te bestellen, dat, zoo als hij verzekerde, eerder klaar zou
zijn dan het mogelijk was de paarden uit de weide te halen, en ze een
goed voer haver te geven eer ze de reis ondernamen.
Jones werd voornamelijk door dit laatste argument van den waard
overgehaald om te blijven, en een stuk schapenvleesch werd aan het
braadspit gedaan. Terwijl het geregt klaar gemaakt werd, toefde
Partridge in hetzelfde vertrek met zijn vriend, of liever zijn meester,
en nam de gelegenheid waar om hem, als volgt, toetespreken:
„Wezenlijk, mijnheer, als ooit een mensch een meisje verdiende, hebt
gij nu jufvrouw Western verdiend! Want hoeveel liefde moet hij niet
gevoelen die er geheel van leeft, zoo als gij nu doet! Ik weet zeker
dat ik dertig maal zoo veel gegeten heb binnen de laatste vier en
twintig uren als gij, mijnheer, en toch ben ik nu weer bijna
uitgehongerd;—want niets prikkelt den eetlust meer dan het
reizen,—vooral bij zulk koud, guur weder. En toch begrijp ik het niet,
maar mijnheer schijnt volmaakt gezond en heeft er zeker nooit beter of
frisscher uit gezien. Gij leeft zeker van de liefde!”
„Dat is ook eene zeer bezwarende kost, Partridge,” hernam Jones. „Maar
heeft het goede geluk mij gisteren niet iets heel lekkers gezonden?
Gelooft ge niet dat ik meer dan vier en twintig uren van dit lieve
zakboekje leven kan?”
„Wel ja! Zonder twijfel!” riep Partridge; „er is genoeg in dat boekje
om meer dan één goeden maaltijd te betalen. Het geluk heeft het
mijnheer op een zeer geschikt oogenblik gezonden; want uw geld moet nu
bijna op zijn?”
„Wat bedoelt gij?” riep Jones. „Ik hoop toch niet dat gij u verbeeldt
dat ik oneerlijk genoeg zou zijn, om gebruik te maken van het geld, al
behoorde het ook aan iemand anders dan mejufvrouw Western—”
„Oneerlijk!” herhaalde Partridge, „de hemel beware mij er voor om u van
zoo iets te verdenken; maar waarom zou het oneerlijk zijn om eene
kleinigheid te leenen voor de behoeften van het oogenblik, daar gij
later zoo best in staat zult wezen het de dame terug te geven? Ja,
zeker zou ik er sterk vóór zijn dat mijnheer het zoo spoedig mogelijk
weder afbetaalde;—maar hoe zou er eenig kwaad in steken om er nu
gebruik van te maken, als gij het noodig hebt? Als het aan een arm
schepsel toebehoorde, dan zou het eene geheel andere zaak wezen; maar
zulk eene groote dame zal het zeker nooit noodig hebben, vooral nu zij
bij een Lord is, die, ongetwijfeld, haar van alles voorzien zal wat zij
noodig heeft. Bovendien, al heeft zij iets noodig, het geheel heeft zij
zeker niet noodig en daarom zou ik er haar slechts weinig van
geven;—maar ik liet me liever ophangen, dan dat ik haar dadelijk zeide
dat ik het gevonden had,—vóór dat ik wat geld van mijn eigen had; want,
naar ik hoor, is er geene ergere plaats ter wereld dan Londen als men
gebrek aan geld heeft. Werkelijk, als ik niet geweten had aan wie het
toebehoorde, had ik het voor heksengeld kunnen houden, en zou ik bang
geweest zijn er gebruik van te maken;—daar gij echter van het tegendeel
overtuigd zijt, en het op eene eerlijke wijze in uwe handen gekomen is,
zou het zijn de Fortuin te beleedigen om het alles af te geven, op het
oogenblik dat gij het zelf zoo noodig hebt. Gij kunt ook naauwelijks
verwachten dat de godin u weder op dezelfde wijze begunstigen zal; want
fortuna nunquam perpetuo est bona. In weerwil van al wat ik zeg, zult
gij toch uw zin doen; maar ik herhaal: ik liet me liever ophangen dan
één woord van het geld te reppen!”
„Naar ik zie, Partridge,” hernam Jones, „is het hangen iets non longe
alienum a Scaevolae studiis.”
„Gij moest liever alienus zeggen,” riep Partridge: „ik herinner me die
aanhaling. Ze is een voorbeeld bij den regel: „communis, alienus,
immunis, variis casibus serviunt.””
„Als ge u den regel herinnert,” riep Jones, „zie ik dat ge er toch
niets van begrijpt; maar ik zeg u ronduit, vriendje, dat hij die het
eigendom van een ander vindt en willens en wetens het den eigenaar
onthoudt, in foro conscientiae evenzeer de galg verdient als hij die
het gestolen heeft. En wat die banknoot in kwestie betreft, die aan
mijn engel toebehoort en eens in hare lieve handen was, ik zal ze ook
in geene andere hand dan de hare geven, om welke reden ook;—neen, zelfs
niet al had ik zooveel honger als gij, en geen ander middel om aan mijn
eetlust te voldoen. Ik hoop nu dat me dat gelukken zal eer ik me ter
rust begeef; maar als dat niet gelukt, dan gelast ik u, op straf van
mijn eeuwigdurenden toorn, mij niet meer te grieven door ooit weer te
spreken van dergelijke verfoeijelijke laagheden.”
„Als ik het in dat licht gezien had,” hernam Partridge, „zou ik er ook
nu niet van gesproken hebben; want ik haat al wat slecht is, evenzeer
als wie ook ter wereld;—maar gij zijt welligt wijzer dan ik,—en toch
zou ik me verbeeld hebben, dat ik niet zoo oud ben geworden en niet zoo
vele jaren onderwijs gegeven heb, zonder het onderscheid tusschen fas
et nefas te begrijpen;—maar, naar het schijnt, is men nooit te oud om
te leeren. Ik herinner me mijn ouden leermeester, die dikwerf zeide,—op
zijn Grieksch—, dat de kip wel van het ei wat leeren kan. Ik heb
waarlijk mijn tijd wel op eene nuttige wijze doorgebragt, als ik op
mijne jaren de grammatica nog leeren moet! Welligt zult gij eens van
meening veranderen, jonge heer, als gij zoo oud moogt worden als ik;
want ik herinner me, dat ik me op twintigjarigen leeftijd voor even
wijs hield als nu. Ik weet zeker dat men mij altijd alienus leerde, en
zóó had het ook mijn meester vóór mijn tijd geleerd!”
Er waren niet vele gelegenheden denkbaar waarbij Partridge het in zijne
magt had om Jones kwaad te maken, en er waren ook niet vele, waarbij
Partridge zelf er toe zou hebben kunnen komen om zijn eerbied voor
Jones te vergeten. Ongelukkig echter hadden beide nu eene dergelijke
gelegenheid gevonden. Wij hebben reeds gezien dat Partridge het niet
verdragen kon dat men aan zijne geleerdheid twijfelde, en er was het
een of ander in de woorden welke Partridge pas geuit had, dat Jones
niet verdragen kon. Hij keek dus zijn makker aan met een blik van
minachting (iets dat bij hem niet veel voorkwam) en riep: „Ik zie nu,
Partridge, dat gij een verwaande oude gek zijt, en ik hoop dat ge niet
tevens een oude schelm zijt! Inderdaad, als ik evenzeer van het laatste
als van het eerste overtuigd ware, zoudt ge geen stap verder met mij
reizen!”
De wijze schoolmeester was reeds voldaan dat het hem gelukt was aan
zijne verontwaardiging lucht te geven, en even als de slak, trok hij nu
de horens in. Hij zeide spijt te gevoelen van iets geuit te hebben dat
als eene beleediging kon opgenomen worden, wat volstrekt niet in zijne
bedoeling lag;—maar „nemo omnibus horis sapit.”
Hoewel nu Jones de gebreken bezat aan een driftigen aard eigen, was hij
geheel vrij van die van een koel karakter, en als zijne vrienden
bekennen moesten, dat hij zich ligt uit zijn humeur liet brengen,
moesten ook zelfs zijne vijanden toegeven, dat zijne drift spoedig
weder bedaarde,—daar ze volstrekt niet op de zee geleek, welker woelen
heviger en gevaarlijker is na den storm, dan terwijl die woedt. Hij nam
dus dadelijk genoegen met de onderwerping van Partridge, gaf hem de
hand en zeide hem, met de meeste vriendelijkheid, allerlei streelende
dingen, terzelfder tijd zich zelven zwaar veroordeelende, hoewel hij
dat niet half zoo streng deed, als de meeste onzer geachte lezers
waarschijnlijk zullen doen.
Partridge was nu geheel weder gerust gesteld, daar zijne vrees van
Jones beleedigd te hebben dadelijk week en zijn hoogmoed voldaan was
door de schuldbekentenis van zijn vriend,—welke hij toepaste op
hetgeen, waardoor hij zich juist het meest gegriefd had gevoeld,—en hij
herhaalde dus, voor zich heen mompelende: „’t Is zeker waar, mijnheer,
dat uwe kennis van sommige zaken de mijne wel overtreft; maar wat de
grammatica betreft, houd ik het er voor dat ik iedereen daarin staan
kan. Ik geloof dat ik die ten minste op mijn duimpje ken.”
Als er iets ter wereld was dat de voldoening van den goeden man op dit
oogenblik vermeerderen kon, was het de heerlijke schapenbout, die op
dit oogenblik op tafel gezet werd,—en nadat beide een goeden maaltijd
daarvan gedaan hadden, bestegen zij weder hunne paarden en vertrokken
naar Londen.