Jones was ruim een half uur weg geweest toen hij overhaast in de keuken
terugkeerde, en den waard verzocht hem oogenblikkelijk te laten weten
wat hij te betalen had. En nu werd het verdriet van Partridge, omdat
hij het warme hoekje van den haard en zijn lekkeren drank verlaten
moest, eenigzins getemperd door te vernemen dat men niet verder te voet
zou reizen; want Jones had met gouden overredingsmiddelen den postiljon
overgehaald om hen terug te brengen naar het logement, waarheen hij
Sophia begeleid had. De jongen wilde echter alleen hierin toestemmen
onder voorwaarde dat de andere gids hem in de herberg wachten
zoude,—omdat, daar de waard te Upton bevriend was met dien te
Gloucester, het vroeger of later hem ligt ter ooren kon komen, dat
zijne paarden tweemaal verhuurd waren geweest, en de jongen aldus het
geld zou moeten verrekenen, dat hij nu zeer wijsselijk besloten had
zelf op te steken. Wij zijn genoodzaakt geweest, deze omstandigheid,
hoe nietig ze ook schijnen moge, te vermelden, omdat ze het vertrek van
den heer Jones aanzienlijk vertraagde; want de eerlijkheid van den
tweeden jongen was zeer groot,—wat den prijs betreft,—en zou inderdaad
Jones zeer duur te staan zijn gekomen, zoo Partridge,—die, gelijk wij
reeds gezegd hebben, een zeer slimme vent was,—niet op de meest listige
wijze hem een daalder extra geboden had, om te verteren waar hij zat,
terwijl hij op de terugkomst van zijn makker wachtte.
Zoodra de waard lucht kreeg van dezen daalder, gaf hij zich zeer veel
moeite om Partridge bij te staan, ten einde het geld zelf in handen te
krijgen, zoo dat de jongen weldra overtuigd was, en er in toestemde den
daalder aan te nemen en te wachten. Wij kunnen niet nalaten om hier op
te merken, dat daar er reeds zoo vele diplomatie bestaat onder de
lagere klassen, de groote lui zich dikwerf te hoog schatten wegens
hunne fijne listen, waarin zij toch menigmaal overtroffen worden door
de meest verachtelijke leden der maatschappij.
Zoodra de paarden voorgebragt werden, sprong Jones dadelijk in den
vrouwenzadel, waarop zijne geliefde Sophia gereden had. De jongen bood
hem wel zeer beleefd den zijne aan; maar Jones gaf de voorkeur aan den
vrouwenzadel, waarschijnlijk omdat hij zachter was. Partridge echter,
ofschoon hij wel zoo wekelijk was als Jones, kon er niet aan denken
zijne waardigheid als man te verloochenen; hij maakte dus gebruik van
het aanbod van den jongen, en Jones, op Sophia’s zadel, de jongen op
dien van jufvrouw Honour en Partridge op het derde paard, hervatten
hunne reis en bereikten binnen vier uren het logement, waar de lezer
vroeger zoo langen tijd heeft moeten toeven. Partridge was den heelen
weg zeer opgeruimd, en herinnerde Jones herhaaldelijk aan de vele goede
voorteekens van welslagen, welke hem in den laatsten tijd begunstigd
hadden, en de lezer, zonder in het minst bijgeloovig te zijn, zal
bekennen dat ze ook bijzonder gelukkig waren.
Bovendien was Partridge meer ingenomen met het tegenwoordige doel van
zijn makker, dan met zijn streven naar roem, en juist uit deze
voorteekens, welke hem zulk een goed gevolg voorspelden, verkreeg hij
tevens een helder begrip van de liefde van Jones en Sophia, waaraan hij
tot dus ver slechts weinige aandacht geschonken had, omdat hij van het
begin af op een verkeerd spoor was geweest omtrent de redenen welke bij
Jones bestonden voor zijn vertrek van huis. Wat betreft al hetgeen er
te Upton gebeurd was, had hij te veel van den schrik geleden kort vóór
en pas na zijn vertrek van die plaats, om er iets anders uit op te
maken, dan dat de arme Jones volmaakt krankzinnig was,—een begrip dat
volstrekt niet in strijd was met het denkbeeld dat hij reeds opgevat
had van zijne buitengewone dolzinnigheid, welke naar zijn gevoelen
omtrent het gedrag van Jones toen zij Gloucester verlieten, zoo goed
overeen kwam met al wat hij vroeger van hem gehoord had. Hij was echter
tamelijk in zijn schik met dezen nieuwen togt en begon van nu af een
veel beter denkbeeld te koesteren omtrent de verstandelijke vermogens
van zijn vriend.
De klok had pas drie uur geslagen toen zij aankwamen en Jones bestelde
dadelijk postpaarden;—maar ongelukkig, was er geen paard in de heele
plaats te krijgen, wat den lezer niet verwonderen zal als hij bedenkt
welke drukte toenmaals heerschte in het geheele rijk en vooral in dit
gedeelte van het land, daar op elk uur van den dag en nacht expressen
heen en weer vlogen.
Jones deed het onmogelijke om zijn gids over te halen hem tot Coventry
te brengen, maar de jongen was onverbiddelijk. Terwijl hij nog op de
plaats met den postiljon stond te praten, naderde iemand die hem bij
zijn naam aansprak, en hem vroeg hoe de geheele lieve familie in
Somersetshire het maakte, waarop Jones, de oogen op den vrager
werpende, spoedig den heer Dowling herkende, den procureur, met wien
hij gegeten had te Gloucester en hem dus met de meeste beleefdheid
weder groette.
Dowling raadde Jones zeer ernstig aan dien avond niet verder te reizen,
en staafde zijne raadgevingen met vele zeer geldige redenen, zoo als de
invallende duisternis, de slechte toestand der wegen, en hoe veel beter
het was over dag te reizen, met vele andere even gewigtige argumenten,
van welke sommige waarschijnlijk Jones zelven reeds vroeger ingevallen
waren, maar die niets bij hem uitgewerkt hadden,—wat ook nu het geval
was,—zoo dat hij vast bleef bij zijn besluit om verder te gaan, al
moest hij dat ook te voet doen.
Zoodra de vriendelijke procureur nu ontwaarde dat hij Jones niet
overhalen kon om te blijven, legde hij zich ijverig er op toe om den
gids te overtuigen, dat hij verder gaan moest. Hij gebruikte allerlei
redenen om hem de korte reis te doen ondernemen en eindigde met te
zeggen: „Gelooft gij niet dat mijnheer u zeer ruim beloonen zal voor de
moeite?”
Twee tegen één is eene zware partij, niet slechts bij het balspel, maar
ook in andere dingen. Maar het voordeel van deze vereenigde kracht bij
overreding en smeeken moet door iederen opmerkzamen toeschouwer
waargenomen zijn; want hij heeft dikwerf moeten zien, dat als een
vader, een meester, eene vrouw, of ieder ander gezaghebbende, zijne
weigering standvastig volgehouden heeft tegenover al de redenen, welke
één enkel mensch heeft kunnen aanvoeren, hij dikwerf bezweken is voor
dezelfde argumenten, als zij door een tweeden of derden persoon
aangehaald werden, die voor de zaak in de bres sprong, zonder iets
nieuws tot haar voordeel aan den dag te brengen. Van daar welligt de
gewoonte dat men „ondersteund” moet worden, als men in eene vergadering
een voorstel doet, en het groote gewigt hetwelk men daaraan hecht in
alle openbare bijeenkomsten, waar iets te behandelen valt. Vandaar ook
waarschijnlijk dat wij dikwijls een wel-edel-gestrengen heer
(gewoonlijk een advokaat), een uur achtereen precies hetzelfde hooren
voordragen wat een andere wel-edel-gestrenge heer, die hem voorgegaan
is, pas gezegd heeft.
In plaats nu van dit te willen verklaren, zullen wij op onze gewone
wijze voortgaan, met het door een voorbeeld op te helderen in het
gedrag van voornoemden postiljon, die bezweek voor de bewijsgronden van
den heer Dowling, en nogmaals beloofde toe te staan dat Jones den
vrouwenzadel beklom; maar er op bleef aandringen dat zijne arme dieren
eerst goed gevoed werden, zeggende dat ze al ver en snel geloopen
hadden. Inderdaad was deze voorzorg van den postiljon onnoodig; want
Jones, in weerwil van zijne haast en zijn ongeduld, zou dit zelf wel
verkozen hebben; daar hij het volstrekt niet eens was met diegenen
welke de dieren beschouwen als slechts zoovele werktuigen, en die als
zij hun paard de sporen geven, zich verbeelden dat het dier en de spoor
beide even weinig gevoel hebben.
Terwijl nu de paarden hun haver opvraten (of liever verondersteld
werden te vreten, want daar de postiljon voor zich zelven zorgde in de
keuken, zorgde de stalknecht dat zijn haver op stal niet verkwist
werd), vergezelde de heer Jones den heer Dowling, op diens ernstig
verzoek, naar zijne kamer, waar zij zamen eene flesch wijn gingen
gebruiken.