Na eenige oogenblikken gezwegen te hebben, slaakte mevrouw Fitzpatrick
een diepen zucht en begon aldus:
„Het is natuurlijk dat de ongelukkige, als hij zich de gelukkigste
oogenblikken van zijn leven herinnert, een heimelijk leed gevoelt. De
gedachte aan verledene vreugde vervult ons met eene soort van teedere
smart, gelijk aan die welke wij ondervinden bij het herdenken van
dierbare overledenen;—men zou kunnen zeggen dat de schimmen van beiden
voor onze verbeelding zweven. Om deze reden denk ik nooit zonder
verdriet aan die dagen (de gelukkigste mijns levens), welke wij te
zamen sleten onder de hoede van tante Western. Helaas! Waar zijn juffer
Deftig en juffer Denkniet gebleven? Ge herinnert u zeker den tijd, dat
wij elkaar nooit anders noemden? Inderdaad, gij hadt maar al te groot
regt mij dien laatsten naam te geven! Later begreep ik hoezeer ik hem
verdiende. Gij, Sophia, waart altijd mijne meerdere in alles, en ik
hoop van harte dat gij het ook in het geluk van uw levensloop zijn
zult! Ik zal nooit de wijze, moederlijke raadgevingen vergeten, die ik
van u kreeg toen ik eens zoo teleurgesteld was dat ik niet naar een bal
mogt gaan,—hoewel gij toen zeker geen veertien jaren oud waart.—O,
Sophia, hoe gelukkig was ik toen, dat ik zulk eene teleurstelling als
een ongeluk beschouwde,—en het ook werkelijk de grootste ramp was,
welke ik toen kende!”
„En toch, mijne lieve Henriette,” hernam Sophia, „was het toen voor u
eene ernstige zaak. Troost u dus met te denken, dat hetgeen gij nu
betreurt, welligt in latere tijden even beuzelachtig en nietig zal
schijnen als op dit oogenblik eene danspartij.”
„Ach, Sophia,” antwoordde de andere dame, „gij zelve zult anders over
mijn tegenwoordigen toestand denken; want uw week hart moet zeer
veranderd zijn als mijne rampen u niet menigen zucht,—ja zelfs menige
traan kosten! De overtuiging hiervan moest me welligt beletten om u
iets mede te deelen dat u zeker zoo diep bedroeven zal.—”
Hier brak mevrouw Fitzpatrick af, tot zij, na herhaald smeeken van
Sophia, aldus voortging:
„Ofschoon gij natuurlijk van mijn huwelijk gehoord hebt, zal ik echter,
daar de zaken waarschijnlijk verkeerd voorgesteld zijn geweest,
beginnen met mijne eerste ongelukkige kennismaking met mijn
tegenswoordigen echtgenoot, te Bath, kort nadat gij tante verlaten hadt
om naar huis te gaan bij uwen vader.
„Onder de jonge heeren, die toen te Bath een vrolijk leven leidden,
bevond zich mijnheer Fitzpatrick. Hij was schoon, bevallig, zeer
beleefd en overtrof de meeste menschen in zijn opschik. Met één woord,
lieve, als gij hem nu ongelukkig zaagt, zou ik hem niet beter kunnen
beschrijven dan door u te vertellen dat hij juist het tegenovergestelde
was in alle opzigten van hetgeen hij nu is; want hij heeft nu zoolang
onder boeren geleefd, dat hij volmaakt een wilde Ier is geworden. Maar
ik ga met mijn verhaal voort: de goede hoedanigheden welke hij toen
bezat, bevalen hem zoodanig aan, dat hoewel de hoogere klassen te dien
tijd afgescheiden leefden van al de overige bezoekers van die plaats,
de heer Fitzpatrick middel vond om zich te doen ontvangen. Het was ook
welligt niet gemakkelijk om hem te ontloopen; want hij vergde weinig of
geene aanmoediging, en terwijl zijne schoonheid en fatsoenlijkheid het
hem gemakkelijk maakten zich bij de dames aan te bevelen, gevoelden de
mannen geen lust om hem openlijk te beleedigen, daar hij meer dan eens
bewezen had dat hij den degen wist te voeren. Ware het niet om deze
redenen geweest, geloof ik dat hij weldra door zijn eigen geslacht
gebannen zou zijn geweest, want werkelijk bezat hij, streng genomen,
geen regt om onder de Engelsche patriciërs opgenomen te worden, die ook
niet geneigd schenen hem eenige buitengewone gunst te bewijzen. Achter
zijn rug, scholden zij hem allen uit, wat welligt uit nijd geschiedde;
want door de vrouwen was hij zeer goed opgenomen en werd door haar met
de meeste onderscheiding behandeld.
„Tante, hoewel zelve van geen hoogen rang, was, daar zij altijd aan ’t
hof geleefd had, onder de groote luî opgenomen, want, hoe men ook in
die groote kringen kome, als men er eens is, wordt dat beschouwd als
een voldoend bewijs zijner verdiensten. Jong als gij zelve toen waart,
moet gij dit opgemerkt hebben uit tante’s gedrag, die gemeenzaam of
ingetrokken was tegenover alle menschen, naar de mate hunner
verdiensten in dit opzigt.
„Het was, geloof ik, ook deze verdienste welke den heer Fitzpatrick in
hare gunst aanbeval,—die hij in zulke mate verwierf dat hij altijd op
de kleine partijen gevraagd werd, welke zij gaf. Hij bleef ook niet in
gebreke om deze onderscheiding dankbaar te erkennen, en bewees haar
spoedig zooveel oplettendheid, dat eerst de kwaadsprekers er notitie
van begonnen te nemen, en toen de meer fatsoenlijke lieden begonnen te
verklaren dat het tusschen hen tot een huwelijk komen zou. Wat mij
betreft, ik beken dat ik het er voor hield dat hij stipt eerlijke
voornemens koesterde,—zoo als men zegt van iemand die door een huwelijk
eene dame van haar vermogen berooven wil! Tante was, naar ik begreep,
noch jeugdig noch schoon genoeg om vele booze neigingen op te
wekken;—maar bezat anders overvloedige bekoorlijkheden als echtgenoote.
„Ik werd te meer in dit gevoelen bevestigd door den buitengewonen
eerbied, welken hij mij bewees sedert het eerste oogenblik onzer
kennismaking. Ik vatte dit op als eene poging van zijn kant, om, zoo
mogelijk, den afkeer te overwinnen, welke mijne belangen mij inboezemen
moesten tegen zijn huwelijk met tante; en welligt gelukte hem dit
eenigzins; want daar ik ruim tevreden met mijn eigen vermogen, en
hoegenaamd niet baatzuchtig was, kon ik volstrekt geen bittere vijandin
zijn van een man, wiens gedrag tegenover mijzelve mij zeer beviel,—wat
te meer het geval was, daar ik het eenige voorwerp was van zijn
eerbied; want vele dames van hoogen rang behandelde hij ten dezen tijde
zonder de minste achting.
„Hoe aangenaam mij dit gedrag ook was, veranderde echter weldra zijne
houding op eene wijze, die me welligt nog beter beviel. Hij werd
bijzonder zachtzinnig en kwijnend en zuchtte zwaar. Tusschenbeide
echter, hetzij uit list, of ongemaakt, dat wil ik niet beslissen,
schertste en lachte hij als vroeger; maar slechts in het bijzijn der
menschen en met andere vrouwen; want zelfs in een contredans, als hij
niet met mij danste, was hij ernstig, en zoodra hij mij naderde, sprak
de meeste teederheid uit zijne blikken. Werkelijk, was hij zoo
bijzonder in alle opzigten tegenover mij, dat ik met blindheid had
moeten geslagen zijn als ik het niet ontdekt had. En—en—en—”
„En dat beviel u nog veel meer, lieve Henriette,” riep Sophia; „ge
behoeft u niet te schamen,” voegde zij met een zucht er bij; „want
waarlijk er is iets onweerstaanbaar bekoorlijks in de teederheid welke
zoo vele mannen weten te huichelen.”
„Dat is waar!” hernam hare nicht; „mannen, die in alle andere opzigten
gebrek aan gezond verstand hebben, zijn echte Machiavellis in de listen
der liefde. Ik wilde dat ik zelve geen voorbeeld daarvan ontmoet
had!—Nu: de laster begon thans zich even druk met mij bezig te houden
als vroeger met tante, en er waren eenige lieve dames, die niet
schroomden te vertellen, dat de heer Fitzpatrick met ons beide eene
intrigue had.
„Maar, wat u welligt verwonderen zal, is, dat tante zelve iets zag noch
scheen te veronderstellen van hetgeen, naar ik meen, zigtbaar genoeg
was in ons beider houding. Men zou inderdaad moeten gelooven dat de
liefde eene bejaarde vrouw geheel en al blind maakt. En werkelijk, zij
slikken zoo gretig de zoetheden welke tot haar gerigt worden, dat zij
evenals een erge gulzigaard, geen tijd hebben om te zien wat onder
andere menschen voorvalt aan dezelfde tafel. Dit heb ik in meer
gevallen dan het mijne waargenomen en het was zoo in het oogvallend bij
tante, dat hoewel zij ons dikwerf zamen vond bij hare terugkomst van de
bronnen, het minste vleijende woord van hem, dat zijn ongeduld te
kennen gaf over hare afwezigheid, genoeg was om alle verdenkingen van
haar kant weg te ruimen. Eéne list van hem was vooral voorspoedig. Deze
was dat hij mij als klein kind behandelde en mij nooit, in haar
bijzijn, anders noemde dan „kindlief.” Dit benadeelde hem eenigzins bij
uwe onderdanige dienaresse; maar weldra doorzag ik zijne bedoeling,
vooral daar hij in hare afwezigheid, zooals ik u reeds verteld heb, mij
geheel anders behandelde. Evenwel, al was ik ook niet zeer gegriefd
door eene houding, welker bedoelingen mij duidelijk waren, moest ik er
toch zwaar voor boeten; want tante beschouwde me werkelijk als het
„kind,” zooals haar gewaande minnaar mij steeds noemde, en zij
behandelde mij in alle opzigten dienovereenkomstig. Om de waarheid te
zeggen, het verwonderde me, dat zij me niet weer aan den leiband liet
loopen.
„Eindelijk vond mijn minnaar (want dat was hij geworden) goed, mij op
de meest plegtige wijze een geheim mede te deelen, dat mij al sedert
lang bekend was. Hij schreef al de liefde, welke hij tot mijne tante
geveinsd had, op mijne rekening over. Hij betreurde, in zeer
aandoenlijke bewoordingen, de aanmoediging welke zij hem gegeven had,
en rekende het zich zeer tot verdienste, dat hij zoovele vervelende
uren in den omgang met haar had moeten slijten.—Wat zal ik u nu zeggen,
mijne lieve Sophia?—Ik zal maar de waarheid bekennen, namelijk, dat ik
zeer met dien mensch ingenomen was. Ik was zeer tevreden over mijne
overwinning. Het verheugde me de mededingster mijner tante te zijn; het
verrukte me boven zoovele andere vrouwen voorgetrokken te wezen. Met
één woord, ik vrees, dat ik me zelfs bij zijne eerste liefdesverklaring
niet zóó gedroeg als wel behoorde;—ik vrees zelfs bijna dat ik hem
eenige aanmoediging gaf eer wij scheidden.
„De wereld te Bath begon nu druk over mij te spreken;—ik zou bijna
zeggen te brullen. Vele jonge dames veinsden den omgang met mij te
vermijden, niet zoo zeer welligt wegens eenige wezenlijke verdenkingen
welke men koesterde, als wel uit verlangen om mij uit een gezelschap te
verbannen, waar ik den algemeenen lieveling slechts al te veel van haar
aftrok. En hier kan ik niet nalaten mijne dankbaarheid te uiten voor de
vriendelijkheid, welke mij bewezen werd door den overbekenden heer
Nash, den ceremoniemeester te Bath, die mij op zekeren dag ter zijde
nam en mij een raad gaf, welke mijn ongeluk voorkomen zou hebben, als
ik er naar geluisterd had. „Kind,” zeide hij, „het spijt mij de
gemeenzaamheid te zien, welke er bestaat tusschen u en een mensch, die
u geheel onwaardig is, en die, naar ik vrees, u te gronde rigten zal.
Wat uwe oude, malle tante betreft,—als het u en die lieve Sophia
Western niet benadeelde, (ik verzeker u dat ik zijne woorden getrouw
herhaal), zou ik heel blijde zijn hem in het bezit te zien van haar en
al wat haar toebehoort. Ik geef nooit eenigen raad aan bejaarde
vrouwen; want als zij het in het hoofd krijgen om zich weg te werpen,
is het even onmogelijk als het niet de moeite waard is, haar te
beletten naar den drommel te loopen. Maar onschuld, jeugd en schoonheid
verdienen een beter lot, en die wilde ik uit de klaauwen van dien man
redden. Laat me u dus den raad geven, kindlief, dien mensch nooit meer
in uwe nabijheid te dulden.”
„Hij zeide me nog veel meer, dat me nu ontgaan is, en inderdaad ik
luisterde er maar half naar op dat oogenblik; want al wat hij vertelde,
werd door mijne neigingen tegengesproken, en bovendien kon ik niet
gelooven dat zoo vele fatsoenlijke vrouwen zich vernederen zouden om
met zulk een slecht mensch gemeenzaam om te gaan.
„Maar ik vrees, lieve, u met het uitvoerige vermelden van te vele
kleine bijzonderheden te vervelen. Om kort te gaan, verbeeld u dus
slechts dat ik gehuwd ben; verbeeld u mij, met mijn echtgenoot, aan
tantes voeten, en verbeeld u dan de dolste vrouw in het gekkenhuis, in
eene vlaag van woede, en uwe verbeelding zal u niets meer toonen dan er
werkelijk bestond.
„Den volgenden morgen verliet tante Bath, gedeeltelijk om niet meer
genoodzaakt te zijn mij en mijn man te zien, en welligt evenzeer om ook
alle overige menschen te vermijden; want, hoewel ik verneem dat zij
later alles geloochend heeft, geloof ik dat zij op het oogenblik niet
weinig uit het veld geslagen was door hare teleurstelling. Sedert dien
tijd heb ik haar menigen brief geschreven; maar heb nooit eenig
antwoord ontvangen, wat ik bekennen moet dat me te grievender schijnt,
omdat zij zelve, hoewel onschuldig, de eerste aanleiding had gegeven
tot al mijne rampen; want, als het niet onder het voorwendsel geweest
ware van haar zijn hof te maken, zou de heer Fitzpatrick nooit de
gelegenheid gevonden hebben om mijn hart te veroveren, dat, onder
andere omstandigheden, zoo als ik me nog verbeeld, niet ligt ten prooi
zou gevallen zijn aan iemand van dien aard. Inderdaad, ik geloof niet
dat ik zoo grovelijk gedwaald zou hebben, als ik alleen op mijn eigen
oordeel vertrouwd had; maar ik rekende geheel op het oordeel van
anderen, en was dwaas genoeg de verdiensten van een man als bewezen te
achten, die zulk een algemeene gunsteling der vrouwen was. Welke reden
bestaat er ook, lieve, dat wij, wier verstand niet onderdoet voor dat
der grootsten en wijssten van het sterkere geslacht, zoo dikwerf de
dwaasste menschen tot onze makkers en gunstelingen maken? Het wekt
telkens de meeste verontwaardiging bij me op als ik denk aan het groote
aantal verstandige vrouwen, die door dwazen te gronde gerigt zijn!”
Hier zweeg zij een oogenblik;—daar Sophia echter geen antwoord gaf,
hervatte zij haar verhaal zoo als het te lezen staat in het volgende
hoofdstuk.