EEN HAPJE VOOR DE RECENSENTEN.

Men zal welligt denken dat wij in ons laatste inleidende hoofdstuk dat

geduchte menschenras, dat men „recensenten” noemt, met eene

onbetamelijke vrijheid behandeld hebben, daar zij de grootste

nederigheid eischen en ook gewoonlijk vinden bij den schrijver. Wij

zullen dus de reden van ons gedrag hier ophelderen jegens dit

eerbiedwaardig corps, en zullen hen welligt in een licht plaatsen,

waarin men hen tot dusver niet gezien heeft.

Het woord criticus, is afgeleid van een Grieksch woord, dat „oordeel”

beteekent. Vandaar, veronderstel ik, dat zekere menschen, die het

oorspronkelijke niet verstaan, en slechts de vertaling er van kennen,

er uit opgemaakt hebben, dat het oordeel beteekende in den

regtsgeleerden zin, waarin het dikwerf voorkomt als gelijkluidend met

„veroordeeling.”

Ik hel te meer tot dit gevoelen over, daar men in de laatste jaren de

meeste critici onder de regtsgeleerden gevonden heeft. Vele dezer

heeren, uit wanhoop welligt van ooit den regterstoel te beklimmen in

het Paleis van Justitie, hebben dien beklommen in den schouwburg, waar

zij hun ambt uitoefenen en hun oordeel,—of, veroordeeling—zonder genade

uitspreken.

Die heeren zouden welligt genoegzaam in hun schik zijn, als wij het er

bij lieten na hun ambt dus vergeleken te hebben bij een der meest

aanzienlijke en gewigtige in het rijk, en als wij voornemens waren naar

hunne gunst te dingen, zouden wij het ook daarbij laten; daar wij

echter van plan zijn om opregt en openhartig met hen om te gaan, moeten

wij hen aan een anderen ambtenaar der Justitie herinneren, met wien zij

ook eenige flaauwe gelijkenis vertoonen, daar zij niet slechts hun

vonnis vellen, maar het ook ten uitvoer leggen.

Bovendien is er een ander licht, waarin men met het meeste regt en de

grootste billijkheid deze hedendaagsche critici stellen kan, namelijk,

indien men hen beschouwt als gemeene lasteraars. Als, namelijk, een

persoon, die het karakter zijner naasten bespiedt, met geen ander doel

dan om hunne gebreken te ontdekken en ze aan de wereld bekend te maken,

den naam verdient van een menschenlasteraar, waarom zou de recensent,

die met hetzelfde kwaadwillige oogmerk leest, niet even goed een

boekenlasteraar genoemd worden?

De ondeugd heeft, geloof ik, geen onderdaniger slaaf; de maatschappij

brengt geen hatelijker ongedierte voort; de Satan zelf kan geen gast

ontvangen, die hem waardiger is, of hem bij mogelijkheid meer genoegen

oplevert, dan een lasteraar.

En toch vrees ik, dat de wereld dit monster niet met half zoo veel

afkeer beschouwt als hij wel verdient, en ik aarzel nog meer om den

oorsprong aan te toonen van de misdadige zachtzinnigheid, waarmede hij

behandeld wordt;—evenwel is het onbetwistbaar, dat de dief bij hem

onschuldig schijnt; ja, zelfs de schuld van den moordenaar kan zelden

de zijne evenaren; want de laster is een wreeder wapen dan het staal,

en de wond, welke de eerste toebrengt, blijft steeds onheelbaar. Er is

echter ééne wijze van te moorden, de laagste en verfoeijelijkste van

alle, die eene zeer naauwkeurige overeenkomst heeft met de ondeugd

waarvan hier sprake is,—en dat is het vergif;—eene zoo verachtelijke en

tevens zoo verschrikkelijke wraakoefening, dat ze vroeger, zeer

wijsselijk, door de wetten onderscheiden werd van alle overige

moordaanslagen en met bijzondere strengheid gestraft werd.

Behalve het ontzettende kwaad door den laster verrigt, en de laagheid

der middelen, die hij bezigt, zijn er nog andere omstandigheden, die

hem des te verfoeijelijker maken;—want dikwerf bestaat er geene

aanleiding daartoe, en ook geen vooruitzigt op belooning, tenzij het

eene belooning moge wezen voor de eene of andere zwarte en duivelsche

ziel om zich te kunnen verheugen in de gedachte dat zij de ellende en

den ondergang van anderen bewerkt heeft.

Shakespeare heeft eene schoone toespeling op deze ondeugd gemaakt, als

hij zegt:

„Wie mij mijn geld ontsteelt, steelt drek; ’t is iets,—’t is niets;

’t Was mijn, werd het zijne, en diende duizenden:

Maar hij die mij mijn goeden naam ontrooft,

Ontvreemdt mij iets dat hem niet rijker maakt,

En mij volstrekt verarmt.” [12]

Tegen dit alles zal de vriendelijke lezer wel niets in te brengen

hebben; maar veel er van zal hem zonder twijfel te scherp schijnen om

toegepast te worden op den lasteraar van boeken. Men bedenke echter,

dat beider wanbedrijven uit denzelfden boosaardigen gemoedsaard

voortspruiten, en evenmin door iets verleidelijks daarin te

verontschuldigen zijn. Wij zullen ook niet kunnen beweren, dat de

laatste slechts zeer weinig schade toebrengt, als wij het boek van den

schrijver beschouwen als zijn kind,—als het kind van zijn brein.

De lezer, wiens Muze tot dusver in een maagdelijken toestand verkeert,

kan slechts een zeer onvolkomen begrip hebben van deze soort van

vaderliefde. Jegens zoo iemand mogen wij den teederen uitroep van

Macduff parodieren, en tot hem uitroepen: „Helaas! Gij hebt geen boek

geschreven!” Maar de schrijver, wiens Muze vruchtbaar is geweest, zal

mijn aandoenlijken toon vatten, en me welligt met zijne tranen

volgen,—vooral indien zijn lieveling reeds overleden is,—als ik spreek

van den angst waarmede de zwangere Muze haren last ronddraagt, van de

pijnen welke zij in barensnood uitstaat, en eindelijk, van de zorg en

de liefde waarmede de teedere vader zijn lieveling koestert, tot die

zoo ver gekomen is, dat hij in de wereld kan gebragt worden.

Er is ook geene andere soort van vaderlijke liefde, welke minder steunt

op het bloote instinkt, of beter met de wereldsche wijsheid in

overeenstemming is, dan deze. Deze kinderen mogen met regt de schatten

van hun vader genoemd worden, en vele daarvan hebben met echt

kinderlijke liefde hun vader in zijn ouden dag gevoed, zoo dat niet

slechts liefde, maar ook tevens het belang van den schrijver zeer

benadeeld kan worden door die lasteraars, welke zijn boek een

ontijdigen dood doen ondergaan.

Eindelijk: de lasteraar van een boek is, naar waarheid, de lasteraar

van den schrijver; want even als men niemand voor een onecht kind

uitschelden kan, zonder ook diens moeder te beleedigen, zoo kan men ook

geen boek brandmerken als „louter onzin,” „niets dan wartaal,” zonder

den schrijver een domkop te heeten;—wat, hoewel het in een zedelijken

zin minder erg is, dan dat men hem een schurk noemt, welligt zijne

wereldsche belangen nog meer benadeelt.

En hoe belagchelijk dit alles aan sommige menschen toeschijnen moge,

zullen toch anderen, zonder twijfel, de waarheid er van beseffen en

erkennen;—ja, zullen zich welligt verbeelden, dat ik de zaak met te

weinig betamelijke plegtigheid behandeld heb; maar, waarom zou men de

waarheid niet spreken met een lagchend gelaat? En werkelijk, het is, op

zijn zachtst gezegd, een zeer kwaadaardig iets als men noodeloos, of

met boos opzet, een boek afbreekt, en een grommende, hatelijke

recensent mag wel, geloof ik, voor een slecht mensch gehouden worden.

Ik zal dus in het overige gedeelte van dit hoofdstuk de kenmerken van

zijn karakter trachten te schetsen, en aan te toonen welke soort van

kritiek ik hier wenschte te laken;—want, alleen de bedoelde personen

zelve zullen mijn gezegde in dien zin willen opvatten alsof ik geene

gepaste beoordeelaren van een letterkundig werk erkende, of uit het

gemeenebest der letteren die edele recensenten wilde uitsluiten, aan

wier arbeid de geleerde wereld zooveel te danken heeft. Zoodanigen

waren Aristoteles, Horatius en Longinus, onder de ouden; Dacier en

Bossu onder de Franschen, en welligt ook enkelen onder de Engelschen,

die zeker het regt verkregen hebben om in Foro literario een vonnis te

vellen.

Maar, zonder al de vereischten van een recensent op te sommen, die ik

ook elders ter loops besproken heb, geloof ik onbevreesd protest te

mogen aanteekenen tegen de afkeuring, door wien ook, van werken, welke

hij zelf niet gelezen heeft. Zulke veroordeelingen als deze, hetzij men

volgens vooraf opgevatte gissingen spreke, of de meening en de berigten

van anderen naprate, mogen, met regt, als laster beschouwd worden van

het boek dat afgekeurd wordt.

Men kan ook gerust als lasteraars bestempelen al diegenen, welke,

zonder eenige bepaalde gebreken aan te wijzen, het geheel afkeuren in

algemeene minachtende woorden, zoo als, bij voorbeeld, „gemeen, saai,

vervloekte onzin enz.”—en vooral door het gebruik van het woordje

„plat,” dat niemand het regt heeft uit te spreken, tenzij hij zelf zeer

verheven zij.

Verder: hoewel men eenige gebreken in het boek moge aanwijzen,—als deze

niet in de hoofdzaken zijn, of als ze opgewogen worden door nog

grootere schoonheden, zal het eerder getuigen van de kwaadaardigheid

van een lasteraar dan van het oordeel van een degelijken recensent, als

men het geheel vonnist, alleen wegens de gebreken van enkele gedeelten,

wat geheel in strijd is met de gevoelens van Horatius:

„Verum ubi plurima nitent ni carmine, non ego paucis

Offendar maculis, quas aut incuria fudit,

Aut humana parum cavit natura,—”

Want, zoo als Martialis zegt: Aliter non fit, avite, liber. Geen boek

kan anders geschreven worden. Alle schoonheid van karakter, van

gelaatstrekken, kortom, al wat menschelijk is, moet op deze wijze

beoordeeld worden. Het zou ook inderdaad wreed zijn indien een werk als

deze geschiedenis, die ons eenige duizend uren gekost heeft om ze te

schrijven, afgekeurd moest worden, omdat het eene of andere hoofdstuk,

of welligt eenige hoofdstukken, zeer billijke en verstandige berisping

verdienen. En toch is niets algemeener dan deze zeer strenge

veroordeeling van boeken op zulke gronden van afkeuring, die als ze

goed begrepen werden (wat niet altijd het geval is), volstrekt niets

doen tot de verdiensten van het geheel;—vooral op het tooneel, kan men

zeker wezen, dat ééne enkele uitdrukking, welke niet overeenkomt met

den smaak van het publiek, of met dien van een enkelen criticus onder

het gehoor, uitgefloten zal worden, en één afgekeurd tooneel brengt het

heele stuk in gevaar. Het is even onmogelijk te schrijven volgens zulke

strenge regels als deze, als te leven op eene wijze, die volgens de

meening van sommige zwartgallige menschen alleen onberispelijk is, en

als wij oordeelden volgens de gevoelens van sommige critici en van

sommige christenen, zou er geen schrijver hier op aarde, of sterveling

hiernamaals ooit zalig worden.

Tom Jones · 第 180 / 340 题