Het wordt nu tijd dat wij naar Sophia rondkijken, en als de lezer half
zooveel van haar houdt als ik, zal het hem verheugen haar ontsnapt te
zien aan de klaauwen van haren doldriftigen vader en van haren minder
driftigen minnaar.
Twaalf maal sloeg de ijzeren klep tegen het luidklinkende metaal, de
spoken oproepende, om de nachtelijke ronde te doen,—eenvoudiger gezegd:
het was middernacht, en het geheele huisgezin, zoo als wij verteld
hebben, lag in drank of slaap gedompeld,—met uitzondering alleen van
mejufvrouw Western, die verdiept was in een staatkundig vlugschrift, en
van onze heldin, die nu zachtjes de trap afsloop, en een der huisdeuren
ontgrendeld en ontsloten hebbende, er uit ging en zich spoedde naar de
bepaalde plaats.
Niettegenstaande de vele lieve kunstjes, welke de vrouwen soms in
praktijk brengen, om bij elke nietige gelegenheid hare angstvalligheid
aan den dag te leggen,—en die bijna zoo talrijk zijn als die welke het
sterkere geslacht bezigt, om de zijne te verbergen,—is er zekere graad
van moed, die niet slechts de vrouw betaamt, maar die ook dikwerf
vereischt wordt, om haar in staat te stellen haren pligt te doen.
Woestheid alleen, en geenszins ware moed, ontsiert het
vrouwenkarakter;—want wie kan de geschiedenis van de te regt beroemde
Arria lezen, zonder een even verheven denkbeeld te koesteren van hare
zachtheid en teederheid als van hare geestkracht? Terzelfder tijd is
welligt menige vrouw, die het uitgilt op het gezigt van eene muis of
van eene rat, in staat om haar echtgenoot te vergiftigen;—of wat nog
erger is, om hem er toe te brengen zich zelven te vergiftigen.
Sophia, met de meest mogelijke vrouwelijke zachtzinnigheid, bezat ook
den meesten moed. Toen zij dus op de bepaalde plaats aankwam, en in
plaats van, volgens afspraak, hare kamenier daar te vinden, een man op
zich zag toerijden, gilde zij niet, noch viel zij in zwijm, ofschoon
haar pols wat sneller sloeg dan anders, want zij gevoelde wel in ’t
begin eenige vrees en angst, die echter bijna even zoo spoedig
verdwenen als ze ontstaan waren, toen de man den hoed opligtte en haar
zeer onderdanig vroeg,—„of zij welligt niet verwachtte eene andere dame
dáár te vinden?” Waarop hij voortging met haar te zeggen, dat hij
gezonden was om haar bij die dame te brengen.
Sophia kon, na dit gehoord te hebben, onmogelijk eenig verraad vreezen;
zij klom dus moedig achter den man te paard, die haar veilig bragt naar
eene ongeveer anderhalf uur verwijderde stad, waar zij de voldoening
smaakte van de goede jufvrouw Honour te vinden;—want daar de geheele
ziel van de kamenier vervuld was met de kleeren, waarin zij gewoon was
haar ligchaam te hullen, kon zij er volstrekt niet toe komen ze uit
hare oogen te laten. Zij bewaakte ze dus zelve, terwijl zij voornoemden
bode zond, na hem behoorlijk ingelicht te hebben, om hare meesteresse
te halen.
Zij overlegden nu wat zij doen moesten om aan de vervolging van den
heer Western te ontgaan, die, zoo als zij wel wisten, binnen een paar
uren haar nazetten zoude. De weg naar Londen had zooveel bekoorlijks
voor Honour, dat zij verlangde om dadelijk verder te gaan, en beweerde
dat, daar men Sophia eerst om acht of negen uur den volgenden morgen
missen zou, hare vervolgers niet meer in staat zouden zijn haar in te
halen, zelfs al wisten zij welken weg zij ingeslagen had. Maar Sophia
had te veel op het spel gezet om iets aan het toeval over te laten, en
waagde het ook niet te veel te vertrouwen op hare eigene zwakke
ledematen in een wedstrijd, die alleen door meerdere vlugheid beslist
moest worden. Zij besloot dus dwars door het land te rijden, ten minste
een uur of zes zeven, en dan den grooten weg naar Londen te volgen.
Daarom huurde, zij paarden om zeven uren den éénen kant uit te gaan,
terwijl zij zich voorgenomen had om juist de andere rigting te volgen,
en vertrok, met denzelfden gids achter wien zij gereden had van haar
vaders huis, terwijl de man nu op zijn paard, in plaats van Sophia, een
veel zwaarderen en minder schoonen last voerde,—namelijk een groot
koffer, goed gevuld met die uiterlijke sieraden, door middel van welke
de bekoorlijke Honour vele veroveringen en eindelijk fortuin hoopte te
maken in de hoofdstad.
Zoodra zij ongeveer twee honderd pas van het logement gekomen waren op
den weg naar Londen, reed Sophia op den gids toe, en met eene stem, die
veel honigzoeter was dan die van Plato, hoewel men zijn mond bij een
bijenkorf vergeleken heeft, smeekte zij hem den eersten weg in te
slaan, die naar Bristol voerde.
Ik ben, lezer, volstrekt niet bijgeloovig en hecht niet veel aan
hedendaagsche wonderen. Hetgeen nu volgt geef ik dus volstrekt niet als
eene onbetwistbare waarheid; want ik kan het zelf naauwelijks gelooven;
maar de getrouwheid van den geschiedschrijver noodzaakt mij te herhalen
hetgeen stellig beweerd wordt;—en dat is, dat het paard waarop de gids
reed, zoodanig bekoord werd door Sophia’s stem, dat het halt maakte en
ongewillig scheen om verder te gaan.
Misschien echter, is het feit op zich zelf waar en minder
wonderbaarlijk dan men veronderstellen zou, daar er eene natuurlijke
oorzaak daarvoor bestaat; want, daar de gids op dat oogenblik ophield
met het gedurige gebruik van zijn gewapenden regterhiel (want, even als
Hudibras, droeg hij slechts één spoor), is het zeer mogelijk, dat dit
verzuim alleen het paard deed stilstaan, te meer daar dit dikwerf het
geval was met het dier ook bij andere gelegenheden.
Maar, had de stem van Sophia al wezenlijk eenige uitwerking op het
paard, ze vermogt niet veel bij den ruiter. Hij antwoordde eenigzins
knorrig: „Dat zijn meester hem bevolen had dien weg te volgen, en dat
hij zijne dienst kwijt zou wezen, als hij een anderen insloeg.”
Sophia, bevindende dat hare overredingskracht niets uitwerkte, begon nu
onweerstaanbare bekoorlijkheden aan hare stem bij te
zetten,—bekoorlijkheden waaraan men in nieuwere tijden die
onoverwinnelijke magt toegeschreven heeft, welke de ouden aan de
volmaakte welsprekendheid toekenden. Met één woord, zij beloofde hem
ruimschoots te beloonen.
De jongen was niet geheel doof voor deze beloften; maar hield niet van
het „onbepaalde” er van; want hoewel hij denkelijk dit woord niet
kende, was dat inderdaad wat hem tegenstond.
„De groote luî,” zeide hij, „dachten niet om het geringe volk. Men had
hem een dag of wat geleden bijna weggejaagd, omdat hij van den grooten
weg afgegaan was met een heer, die van mijnheer Allworthy’s huis
kwam,—en hem niet naar behooren beloond had.”
„Met wien?” vroeg Sophia driftig.
„Met een heer, die van mijnheer Allworthy kwam,” hernam de jongen. „Met
zijn zoon, geloof ik, dat men hem heet.”
„Waarheen,—welken weg is hij ingeslagen?” vroeg Sophia.
„Wel, zoo wat den kant van Bristol uit,—omtrent een uur of zeven van
daar,” antwoordde de jongen.
„Breng mij naar die plaats,” zei Sophia, „en ik zal u een guinje
geven,—of twee, als één niet genoeg is.”
„Nu,” hernam de jongen, „’t is zeker een paar guinjes waard als de
jufvrouw bedenkt hoeveel gevaar ik loop; maar als gij mij zeker twee
guinjes belooft, zal ik het wagen. ’t Is waar, het is schande om zoo
overal rond te trekken met de paarden van den baas;—maar één troost is
het, dat men niet meer kan doen dan mij wegjagen, en twee guinjes
zullen het me gedeeltelijk vergoeden.”
Zoodra de koop gesloten was, sloeg de jongen den weg naar Bristol in,
en Sophia ondernam om Jones te volgen, zeer tegen den zin van
mejufvrouw Honour, die veel verlangender was om Londen dan om den heer
Jones te zien; want inderdaad, zij begunstigde hem niet zeer bij hare
meesteresse, daar hij zich schuldig had gemaakt aan het verzuim van
zekere geldelijke beleefdheden, die, volgens de gewoonte in alle
liefdezaken, vooral in die van geheimen aard, bewezen moeten worden aan
de kameniers. Dit schrijven we eerder toe aan zijn onbedachtzamen aard
dan aan eenig gebrek aan mildheid; hoewel zij welligt aan dit laatste
de schuld gaf;—zeker is het echter dat zij hem bitter haatte om die
reden, en besloot geene gelegenheid te verzuimen om hem bij hare
meesteresse te benadeelen. Het was dus een groot ongeluk voor haar, dat
zij juist in dezelfde stad en dezelfde herberg gekomen waren van waar
Jones vertrokken was, en nog ongelukkiger dat zij toevallig denzelfden
gids namen, waardoor Sophia de toevallige ontdekking gedaan had.
Onze reizigers bereikten Hambrook [11] bij het aanbreken van den dag,
waar Honour, zeer tegen haar zin, gelast werd onderzoek te doen naar
den weg door den heer Jones gevolgd.
Dit had haar de gids zelf ook best kunnen mededeelen; maar Sophia, om
welke reden is mij onbekend, deed hem die vraag niet.
Zoodra jufvrouw Honour terug kwam met het berigt van den waard, kreeg
Sophia met veel moeite eenige slechte paarden, welke haar bragten naar
de herberg waar Jones opgehouden was geworden, eerder door het ongeluk
van een heelmeester dan dat van een gat in zijn hoofd gekregen te
hebben.
Hier werd Honour weder gelast onderzoek te doen, en had pas de waardin
aangesproken, en het uiterlijk van den heer Jones beschreven, toen die
slimme vrouw, om het heel plat uit te drukken, lont begon te ruiken.
Zoodra dus Sophia in de kamer trad, wendde zich de waardin tot de
meesteresse, in plaats van de kamenier te antwoorden, en sprak haar als
volgt aan:
„Hemelsche tijd! Wel kom aan! Wie zou zoo iets gedacht hebben! Wis en
zeker, het schoonste paar dat ik ooit gezien heb! Wel! Geen wonder dat
mijnheer zoo dweept met de jufvrouw. Hij zei me dan ook dat gij de
schoonste dame ter wereld waart,—en dat is ook zeker waar! Goede hemel!
Wat had ik medelijden met de arme ziel toen hij zijn hoofdkussen aan
het hart drukte en het zijne dierbare Sophia noemde!—Ik deed mijn best
om hem af te raden naar den oorlog te gaan, dat is zeker;—ik zei hem
ook, dat er mannen genoeg waren, die tot niets anders geschikt waren
dan om zich te laten doodschieten, en die door geene schoone dames
bemind werden.”
„Wel,” riep Sophia, „de goede vrouw is zeker niet bij zinnen!”
„Neen, neen,” hernam de waardin; „ik ben niet gek! Gelooft de jufvrouw,
dat ik er niets van weet?”
„Welk onbeschaamd mensch heeft u ooit iets van mijne meesteresse
verteld?” vroeg Honour.
„Het was geen onbeschaamd mensch,” antwoordde de waardin, „maar de
jonge heer zelf, naar wien ge vraagt;—en hij is een zeer knap jong
mensch ook, en bemint jufvrouw Sophia Western van ganscher harte.”
„Hij! mijne meesteresse beminnen! Ge moet begrijpen, vrouw, dat zij
niet iemand is van zijne gading!”
„Kom, kom, Honour,” viel haar Sophia in de rede, „maak u niet boos op
de goede vrouw; ik ben overtuigd dat zij geen kwaad bedoelt.”
„Neen, dat doe ik ook niet,” hernam de waardin, aangemoedigd door
Sophia’s vriendelijke woorden,—waarop zij een lang verhaal opdischte,
te vervelend om hier herhaald te worden, en waarin eenige volzinnen
voorkwamen, die Sophia een weinig en hare kamenier nog veel meer
aanstoot gaven de; laatste maakte dus van deze gelegenheid gebruik om
den armen Jones bij hare meesteresse zwart te maken zoodra zij zich
weder alleen bevonden, terwijl zij zeide, „dat het toch een ellendig
mensch moest wezen, en dat hij eene dame volstrekt niet beminnen kon,
wier naam hij aldus in eene gemeene kroeg ten beste gegeven had.”
Sophia echter zag zijn gedrag niet in dit slecht licht, en schepte
welligt meer behagen in de hevige vlagen zijner liefde (welke de
waardin evenzeer overdreven had als al het overige), dan dat zij zich
beleedigd gevoelde door andere zaken, en inderdaad, zij schreef het
geheel toe aan de buitensporigheid en overmagt zijner liefde, en aan
zijne openhartigheid.
Deze gebeurtenis echter, welke zij zich later weder herinnerde, en die
door Honour in het meest hatelijke licht geplaatst werd, diende slechts
om de ongelukkige dingen die te Upton gebeurd waren, te kleuren en te
bekrachtigen, en hielp de kamenier in hare pogingen om hare meesteresse
uit het logement te doen vertrekken zonder Jones te willen zien.
Daar de waardin begreep dat Sophia niet langer blijven wilde dan tot de
paarden gereed waren, en ook niets eten of drinken, ging zij weldra
heen, en Honour begon met hare meesteresse de les te lezen,—want
inderdaad zij matigde zich de grootste vrijheid tegenover haar aan,—en
na eene lange aanspraak, waarin zij haar herinnerde aan haar voornemen
om naar Londen te gaan, en haar vele wenken gaf omtrent het ongepaste
van een jongen heer na te loopen, eindigde zij met deze ernstige
vermaning:
„In ’s Hemels naam, jufvrouw, bedenk wat ge doet, en waarheen ge gaat!”
Deze raadgeving aan eene dame die reeds een uur of twaalf gereden had,
en dat in geen aangenaam jaargetijde, zal wel tamelijk dwaas schijnen.
Men mag veronderstellen dat zij dit rijpelijk en wel overlegd en
besloten had,—ja, naar de wenken welke zij gaf, scheen zich jufvrouw
Honour dit te verbeelden, en ik twijfel ook niet, dat dit het denkbeeld
is van vele lezers, die waarschijnlijk reeds lang geleden de voornemens
onzer heldin begrepen hebben, en haar als een zeer ligtzinnig wezen
veroordeeld hebben.
Maar dit was werkelijk niet het geval. Sophia was in den laatsten tijd
zoodanig tusschen hoop en vrees geslingerd geworden, tusschen pligt en
liefde tot haar vader, afkeer van Blifil, medelijden en (waarom zou men
de waarheid verbloemen?) neiging tot Jones, welk laatste gevoel door
het gedrag van haar vader, van hare tante en van iedereen—en vooral van
Jones zelven tot eene lichte, laaije vlam aangeblazen was, dat zich
haar geest in dien verwarden toestand bevond, waarin men met waarheid
zeggen kan, dat wij onwetend zijn van hetgeen we doen, en waarheen we
gaan,—of liever, dat wij onverschillig worden voor de gevolgen van ons
doen en laten.
De voorzigtige en wijze raadgevingen van hare kamenier bragten er haar
echter toe om de zaak kalmer te overleggen, en eindelijk besloot zij
naar Gloucester te gaan, en van daar regtstreeks naar Londen.
Ongelukkig echter, een uurtje eer zij die stad binnenreed, ontmoette
zij den beunhaas, die, zoo als wij verhaald hebben, dáár met den heer
Jones gegeten had. Daar deze vent jufvrouw Honour goed kende, maakte
hij halt en sprak haar aan, waarop Sophia, op het oogenblik, weinig
acht gaf, en alleen vroeg wie het was.
Maar, later te Gloucester, vertelde haar Honour meer van dezen mensch,
en toen zij hoorde van zijne vlugge wijze van reizen,—waarvoor (gelijk
reeds gemeld is), hij bijzonder vermaard was, en toen zij zich ook
herinnerde, dat zij jufvrouw Honour hem had hooren vertellen dat zij
naar Gloucester gingen, begon zij te vreezen dat haar vader, door
middel van dezen mensch, haar naar die stad zou kunnen nasporen, en dat
als zij dáár den weg insloeg naar Londen, hij best in staat zou zijn
haar in te halen. Zij veranderde dus van besluit, en na paarden gehuurd
te hebben, om eene week lang te reizen in eene geheel andere rigting
dan zij voornemens was te volgen, vertrok zij, na eenige ververschingen
gebruikt te hebben, zeer tegen het verlangen en de ernstige gebeden
harer dienaresse en niet minder tegen de levendige vermaningen van
mejufvrouw Whitefield zelve in, die uit beleefdheid, of welligt uit
welwillendheid,—want de jonge dame scheen zeer vermoeid, sterk er op
aandrong dat zij dien avond te Gloucester zou blijven.
Na zich dus slechts met wat thee verkwikt en een paar uren te bed
gelegen te hebben, terwijl de paarden in gereedheid gebragt werden,
verliet zij stoutmoedig het huis van mejufvrouw Whitefield tegen elf
uur ’s avonds, en dadelijk den weg naar Worcester inslaande, bereikte
zij binnen de vier uren het logement, waar wij haar het laatst
ontmoetten.
Na onze heldin aldus op den voet gevolgd te zijn van haar vertrek af
tot aan hare aankomst te Upton, zullen wij, in zeer weinige woorden,
haren vader tot diezelfde plaats brengen. Na eerst op het spoor gebragt
te zijn door den postiljon, die zijne dochter naar Hambrook gebragt
had, spoorde hij haar zeer gemakkelijk verder na tot Gloucester, van
waar hij haar naar Upton volgde, daar hij vernomen had dat Jones
daarheen gegaan was,—want Partridge,—om de uitdrukking van den
landjonker te bezigen,—liet overal eene sterke lucht achter, en hij
twijfelde niet, dat Sophia, ook dien weg volgde, of zoo als hij het
uitdrukte, in hetzelfde spoor liep. Hij bezigde inderdaad eene zeer
grove uitdrukking hiervoor, die het niet noodig is hier in te lasschen,
daar de vossenjagers, die ze alleen verstaan zouden, ze zich ook
gemakkelijk verbeelden kunnen.