In de eerste plaats dan, was de pas aangekomene niemand anders dan de
heer Western zelf, die hierheen was gekomen om zijne dochter op te
sporen;—en als hij het geluk had gehad slechts een paar uren vroeger
aan te kloppen, zou hij niet slechts haar gevonden hebben, maar zijne
nicht op den koop toe;—want in die betrekking stond mevrouw Fitzpatrick
tot hem, die door haar man, vijf jaren geleden, uit de hoede van die
wijze dame, mejufvrouw Western, geschaakt was.
Mevrouw Fitzpatrick was nu ongeveer op hetzelfde oogenblik als Sophia
uit het logement vertrokken; want gewekt zijnde door de stem van haar
echtgenoot, had zij de waardin naar boven laten komen, en na van haar
vernomen te hebben wat er gaande was, had zij de goede vrouw tegen een
buitensporigen hoogen prijs omgekocht om haar paarden te verschaffen,
ten einde van daar te ontsnappen. Zoodanig was de magt van het geld in
dit huisgezin;—en hoewel de meesteresse de meid weggejaagd zou hebben
als eene oneerlijke feeks, indien zij alles geweten had wat den lezer
bekend is, was zij zelve niet beter dan de arme Suze tegen de omkooping
bestand.
De heer Western en zijn neef kenden elkaar niet, en de eerste zou den
tweede verloochend hebben, als hij hem gekend had; want daar het een
geheim en dus een onnatuurlijk huwelijk was geweest (volgens het
oordeel van den heer Western), had hij, zoodra het gesloten was, het
arme vrouwtje geheel verloochend als een monster,—hoewel zij pas
achttien jaren oud was op dien tijd, en had sedert nooit willen dulden
dat men haar in zijn bijzijn noemde.
De keuken werd nu een tooneel van algemeene verwarring: Western vroeg
naar zijne dochter en Fitzpatrick even driftig naar zijne vrouw, toen
Jones in de kamer trad, tot zijn ongeluk, met Sophia’s mof nog in de
hand.
Zoodra Western Jones ontwaarde, liet hij het geroep van den jager
hooren, die het wild ontdekt. Dan liep hij op hem toe en pakte Jones,
met de woorden: „Daar hebben we al den vos;—ik wed dat het wijfje niet
ver af is!”
Gedurende eenige minuten werd er door vele menschen allerlei door
elkaar geschreeuwd, dat even moeijelijk te beschrijven als onaangenaam
te lezen zou zijn.
Nadat het Jones eindelijk gelukt was den heer Western af te schudden,
terwijl sommige der aanwezigen tusschen beide traden, begon onze held
zijne onschuld te betuigen omtrent eenige kennis van waar de dame zich
bevond, toen dominé Supple naderde en zeide:
„Het is dwaas alles dus te blijven ontkennen; want de bewijzen van uwe
schuld draagt gij in de hand. Ik ben gereed om zelf te verklaren en met
eede te bevestigen, dat de mof, welke gij in de hand houdt, aan
mejufvrouw Sophia toebehoort; want ik heb zelf gezien dat zij die in de
laatste dagen dikwerf gebruikte.”
„De mof mijner dochter!” riep de landjonker, woedend. „Heeft hij mijn
dochters mof? Let daarop! Hij heeft de goederen bij zich! Ik zal hem
dadelijk vóór den vrederegter brengen! Waar is mijne dochter, schelm?”
„Mijnheer,” zeide Jones „ik smeek u, wees bedaard! Ik beken dat deze
mof aan de jonge dame toebehoort; maar, op mijn woord van eer, verklaar
ik, dat ik haar zelve niet gezien heb.”
Bij deze woorden verloor Western alle geduld en werd in zijne woede
geheel onverstaanbaar.
Van eenige der dienstboden had Fitzpatrick vernomen wie de heer Western
was. De goede Ier verbeeldde zich dus nu de gelegenheid gevonden te
hebben om zijn oom een dienst te bewijzen, waardoor hij, mogelijk,
zijne gunst herwinnen kon; hij naderde Jones daarom en zeide:
„Wezenlijk, mijnheer, gij moest u schamen in mijn bijzijn te ontkennen
dat gij de dochter van dien heer gezien hebt, daar gij weet dat ik u
met haar te bed gevonden heb!”
Zich daarop tot Western wendende, bood hij aan hem dadelijk naar de
kamer te brengen, waar zich zijne dochter bevond,—en daar zijn aanbod
aangenomen werd, gingen hij, de landjonker, de dominé en eenige anderen
dadelijk naar boven,—naar de kamer van mevrouw Waters, waar zij met
even veel geweld binnen drongen, als de heer Fitzpatrick pas van te
voren gedaan had.
De arme dame sprong op, evenzeer ontsteld als verbaasd, en zag naast
haar bed eene gestalte, welke men zich best verbeelden kon pas uit het
gekkenhuis ontsnapt te zijn: want zoodanig woest en wild waren de
blikken van den heer Western, die zoodra hij de dame ontwaarde,
terugdeinsde, genoegzaam toonende door zijne houding,—eer hij een woord
sprak,—dat deze niet de persoon was, die hij zocht.
De vrouwen stellen zoo veel meer prijs op haren goeden naam dan op hare
persoon, dat hoewel de laatste in grooter gevaar scheen te verkeeren
dan de eerste keer, nu dat de eerste veilig was, de dame niet meer zoo
hard schreeuwde als te voren. Evenwel, zoodra zij zich weder alleen
bevond, gaf zij elke gedachte aan verdere rust op en, daar zij
genoegzame reden had om met haar tegenwoordig verblijf ontevreden te
zijn, kleedde zij zich zoo spoedig mogelijk aan.
De heer Western ging nu voort met het heele huis te doorzoeken; maar
evenzeer te vergeefs als toen hij de arme mevrouw Waters verontrust
had. Daarop keerde hij geheel verslagen in de keuken terug, waar hij
Jones onder bewaking zijner dienstboden vond.
Het geweldige rumoer had alle menschen in huis gewekt, hoewel het nog
naauwelijks dag was. Onder dezen was er een deftig heer, die toevallig
een der vrederegters van het graafschap Worcester was. Zoodra de heer
Western dit vernomen had, wilde hij zijne aanklagt bij hem indienen.
Maar de regter weigerde zijn ambt dáár uit te oefenen, zeggende dat hij
geen griffier bij zich had, en ook geen wetboek, en dat hij onmogelijk
alle wettelijke bepalingen omtrent het stelen van dochters en dergelijk
goed in zijn hoofd ronddragen kon.
Hierop bood hem de heer Fitzpatrick zijn bijstand aan, terwijl hij de
aanwezigen verzekerde dat hij zelf als regtsgeleerde groot gebragt was.
En werkelijk, had hij drie jaren gediend als schrijver bij een
procureur in het noorden van Ierland, toen hij eene fatsoenlijkere
loopbaan koos, zijn meester verliet, naar Engeland trok en dat beroep
uitoefende hetwelk geen leertijd eischt, namelijk dat van particulier,
waarin hij, zoo als met een enkel woord al gezegd is, volmaakt geslaagd
was.
De heer Fitzpatrick verklaarde nu dat de wet omtrent het stelen van
dochters bij de tegenwoordige zaak niet toepasselijk was; maar dat het
ontvreemden van eene mof zonder twijfel een diefstal was, en dat het
als een stellig bewijs van schuld gold als men de gestolene goederen
bij iemand vond.
De magistraat, door zulk een geleerden raadsman op deze wijze
aangemoedigd, en op hevigen aandrang van den landjonker, werd eindelijk
overgehaald om den regterstoel te beklimmen, vanwaar hij, na de mof
bekeken te hebben, welke Jones nog in de hand hield, en die de
predikant onder eede verklaarde het wettige eigendom van den heer
Western te zijn, den heer Fitzpatrick gelastte een bevel tot arrestatie
tegen Jones uit te vaardigen, dat hij zich gereed verklaarde te
onderteekenen.
Jones verzocht nu zelf gehoord te worden, wat hem met moeite toegestaan
werd. Hij riep nu den heer Partridge tot getuige, dat hij de mof
gevonden had; maar wat van nog meer belang was, Suze verklaarde dat
Sophia zelve haar de mof gegeven had, met bevel om ze op de kamer te
leggen, waar ze door den heer Jones gevonden werd.
Of eene aangeborene liefde tot het regt, of de buitengewone schoonheid
van Jones Suze tot deze ontdekking gebragt had, dat laat ik daar; maar
hare getuigenis was van die waarde, dat de magistraat zich achterover
werpende op zijn stoel, verklaarde dat de zaak nu even duidelijk ten
voordeele van den aangeklaagde was uitgemaakt als ze vroeger ten zijnen
nadeele scheen, waarmede de predikant volmaakt overeenstemde, er
bijvoegende: „De hemel verhoede dat ik er deel aan zou hebben om een
onschuldige in de gevangenis te werpen!”
Hierop stond de magistraat op, sprak den aangeklaagde vrij en sloot de
zitting.
De heer Western verwenschte nu alle aanwezigen met de meeste
hartelijkheid, en dadelijk zijne paarden bestellende, trok hij verder
op om zijne dochter te zoeken, zonder in het minst acht te slaan op
zijn neef Fitzpatrick, of eenig antwoord te geven, toen deze hem aan
hunne verwantschap herinnerde, niettegenstaande al hetgeen hij aan
dezen heer verpligt was. Bovendien, in de hevigheid zijner drift,
vergat hij, gelukkig, de mof van Jones af te eischen;—gelukkig, zeg ik,
omdat deze zich liever op de plek zou hebben laten doodslaan, dan er
afstand van te doen.
Jones, met zijn vriend Partridge, vertrok ook dadelijk, zoodra zijne
rekening betaald was, om zijne beminde Sophia op te sporen, die hij nu
besloten had tot het einde toe te volgen. Hij kon er zelfs niet meer
toe komen om afscheid van mevrouw Waters te nemen, wier herinnering hij
zelfs verafschuwde, daar zij, hoewel onschuldig, de oorzaak was geweest
waarom hij eene gelukkige ontmoeting met Sophia gemist had, aan wie hij
thans eeuwige trouw zwoer.
Wat mevrouw Waters aangaat, deze maakte gebruik van den wagen die naar
Bath reed, waarheen zij vertrok in gezelschap van de twee Iersche
heeren, terwijl de waardin de goedheid had haar van kleeren te
voorzien, waarvoor zij zich tevreden stelde slechts de dubbele waarde
te ontvangen, tot belooning harer vriendelijkheid. Onderweg verzoende
mevrouw Waters zich volmaakt met den heer Fitzpatrick, die een zeer
knap uiterlijk had, en deed haar best om hem de afwezigheid zijner
vrouw in alle opzigten te vergoeden.
Aldus eindigden de vele vreemde avonturen, die de heer Jones beleefde
in het logement te Upton, waar de menschen nog heden ten dage spreken
van de schoonheid en beminnelijkheid van Sophia, die zij „den engel uit
Somersetshire” noemen.