„Mijn oud mede-student had me in nieuwe tooneelen ingewijd. Ik werd
bekend met de geheele broederschap van valsche spelers, en met hunne
geheimen. Dat is, met die grove streken die geschikt zijn om de stompen
en onervarenen te foppen; want er zijn sommige fijne zetten die slechts
aan weinigen van de bende bekend zijn, welke aan het hoofd van hun
beroep staan;—eene eer, welke buiten mijn bereik bleef; want de drank,
waaraan ik uiterst verslaafd was, en mijne aangeborene drift beletten
mij om eenige groote bedrevenheid te bereiken in eene kunst, welke
evenveel koelbloedigheid eischt als het strengste wijsgeerige stelsel.
„De heer Watson, met wien ik nu op den meest gemeenzamen voet leefde,
ging ook gebukt onder het eerstgenoemd gebrek, waaraan ik leed; dus in
plaats van rijk te worden door zijn beroep, zooals het geval was met
sommige anderen, was hij beurtelings arm en rijk, en werd dikwerf
genoodzaakt onder een glas wijn, aan zijne koelbloedigere vrienden den
roof af te staan, welken hij aan de openbare speeltafel van zijne
slagtoffers verkregen had.
„Evenwel gelukte het ons, schoon op eene onzekere wijze, om den kost te
verdienen en gedurende twee jaren zette ik dit beroep voort, in welken
tijd ik alle mogelijke lotwisselingen beleefde;—soms zwelgde ik in
overvloed; op andere oogenblikken had ik tegen bijna onoverkomelijke
bezwaren te worstelen. Heden wentelde ik me letterlijk in allerlei
weelde; den volgenden dag moest ik me met den grofsten en eenvoudigsten
kost tevreden stellen. Mijne fraaije kleêren droeg ik dikwijls ’s
avonds, en den morgen daarop waren zij verpand.
„Op zekeren dag, toen ik zonder een duit op zak van de speeltafel
terugkeerde, zag ik een grooten oploop op straat. Daar ik niets te
duchten had van zakkenrollers, waagde ik me in het gewoel, waar ik
vernam dat iemand zwaar mishandeld en bestolen was geworden door eene
bende schelmen. De gekwetste was met bloed bedekt en naauwelijks in
staat om op de beenen te blijven. Daar mijne toenmalige leefwijze en
omgang me niet van alle menschelijkheid beroofd hadden, hoewel me zeer
weinig eerlijkheid of schaamte overbleef, bood ik den ongelukkige
onmiddellijk mijne hulp aan, welke met dank aangenomen werd, en zich
onder mijn geleide stellende, smeekte hij mij hem naar eene herberg te
brengen, waar hij een heelmeester kon laten halen, daar hij, gelijk hij
zeide, zich flaauw gevoelde van het bloedverlies. Hij scheen inderdaad
zeer gelukkig van iemand te vinden, die een fatsoenlijk uiterlijk had;
want, wat al de overigen betreft die tegenwoordig waren, zij zagen er
zóó uit, dat het niet voorzigtig zou geweest zijn om eenig vertrouwen
in hen te stellen.
„Ik nam den armen man onder den arm, en bragt hem naar de herberg, waar
wij bijeen kwamen, daar die toevallig het digtst in de buurt was. Een
heelmeester, die gelukkig in huis was, kwam er dadelijk bij, en verbond
zijne wonden, die, tot mijn groot genoegen, bleken volstrekt niet
doodelijk te zijn.
„De heelmeester, die zijn werk zeer vlug en behendig verrigt had, begon
nu met te vragen, in welk gedeelte van de stad de patient woonde? En
deze hernam: „dat hij pas dien morgen in de stad gekomen was; dat zijn
paard stond in een logement in Piccadilly, en dat hij geene andere
woning had, en zeer weinige, of geene kennissen in de stad.”
„De heelmeester, wiens naam mij ontschoten is, schoon ik me herinner
dat die met een R begon, had zeer veel naam, en was heelmeester des
Konings. Hij bezat bovendien vele goede hoedanigheden, en was een zeer
mild, goedaardig mensch, die zich steeds bereid betoonde om zijne
medemenschen alle mogelijke hulp te verleenen. Hij bood den zieke aan
om hem in zijn eigen rijtuig naar zijn logement te laten brengen, en
fluisterde hem tevens in het oor, „dat als hij geld noodig had, hij hem
daarmede voorzien kon.”
„De arme man was echter buiten staat om hem voor dit edelmoedige aanbod
te danken; want na de oogen een tijdlang op mij gevestigd te hebben,
wierp hij zich achterover in zijn stoel, en riep: „Mijn zoon! O mijn
zoon!” en viel toen in zwijm.
„Velen der aanwezigen schreven dit toe aan het bloedverlies; maar ik,
die op hetzelfde oogenblik mij de trekken van mijn vader begon te
herinneren, gevoelde me nu bevestigd in mijn vermoeden en overtuigd dat
hij zelf het was, dien ik nu ontmoet had. Ik liep dadelijk op hem toe,
hief hem in de armen op en kuste vurig zijne koude lippen. Hier moet ik
een sluijer laten vallen over een tooneel, dat ik niet beschrijven kan;
want, ofschoon ik niet van mij zelven raakte, zooals mijn vader een
tijdlang bleef, waren mijne zinnen zoodanig verward door schrik en
verbazing, dat ik niet weet wat er gedurende eenige minuten
voorviel,—tot mijn vader weder uit de onmagt bijgekomen was en ik me in
zijne armen bevond, onder teedere omhelzingen van weerskanten, terwijl
ons beiden de tranen langs de wangen biggelden.
„De meesten der aanwezigen schenen zeer getroffen door dit tooneel,
terwijl wij, als de hoofdpersonen, zeer verlangende waren om ons zoo
spoedig mogelijk aan aller oogen te onttrekken. Mijn vader maakte dus
gebruik van het vriendelijke aanbod van den heelmeester en ik
vergezelde hem naar zijn logement.
„Zoodra wij ons alleen bevonden, verweet hij mij vriendelijk dat ik hem
in zoo langen tijd niet geschreven had,—zonder een enkel woord te
spreken van de misdaad, welke de aanleiding tot mijn stilzwijgen was
geweest. Daarop maakte hij mij bekend met den dood mijner moeder, en
stond er op dat ik met hem naar huis zou terugkeeren, er bijvoegende,
„dat hij al veel ongerustheid om mijnentwil had uitgestaan, dat hij
niet wist of hij het meest gevreesd, of gewenscht had te vernemen dat
ik overleden was, daar hij zoo veel angst uitgestaan had omtrent
dingen, die erger waren dan de dood. Eindelijk vertelde hij mij, dat
een heer uit zijne buurt, die pas een zoon uit Londen gered had, hem
bekend had gemaakt met mijn verblijf en dat de eenige aanleiding tot
zijne reis was, om mij van deze leefwijze terug te brengen.” Hij dankte
den Hemel dat het hem gelukt was mij te ontdekken door een ongeluk, dat
voor hem noodlottig had kunnen wezen, en het deed hem genoegen te
denken dat hij zijn behoud gedeeltelijk toeschrijven moest aan mijne
menschlievendheid, waarmede hij verklaarde nog meer ingenomen te zijn,
dan het geval zou geweest zijn, als ik, wetende, dat mijn vader in den
nood was, alleen uit pligtbesef gehandeld had.
„De bedorvenheid was niet zoo diep in mijn hart doorgedrongen, dat ze
me ongevoelig maakte voor zijne groote liefde, hoe weinig ook door mij
verdiend. Ik beloofde dadelijk aan zijne wenschen te gehoorzamen en met
hem naar huis te gaan, zoodra hij in staat zou zijn de reis te
ondernemen, wat binnen zeer weinige dagen het geval was, dank zij de
zorgen van den uitmuntenden heelmeester, die hem behandelde.
„Den dag vóór mijn vaders vertrek (tot welk oogenblik ik hem
naauwelijks uit de oogen liet), ging ik afscheid nemen van eenige
mijner meest gemeenzame kennissen, vooral van mijnheer Watson, die me
afried van me te gaan begraven, gelijk hij het noemde, alleen om
toetegeven aan de dwaze wenschen van een goeden ouden suffert.
„Zijne woorden bleven echter zonder uitwerking, en nog eens zag ik
mijne geboorteplaats weder. Mijn vader smeekte me nu ernstig aan het
huwelijk te denken; maar daarvan was ik ten zeerste afkeerig. Van de
liefde had ik reeds geproefd en misschien zijn u de buitensporigheden
van dien teedersten en hevigsten der hartstogten bekend?”
Hier zweeg de oude heer een oogenblik en keek Jones ernstig aan, die
binnen eene minuut doodsbleek en vuurrood werd; waarop de grijsaard,
zonder eenige aanmerking daarop te maken, hervatte:
„Daar ik nu van al de behoeften van het leven voorzien was, legde ik me
weder op de studie toe, en met veel grooteren ijver dan ooit te voren.
De boeken welke mij nu steeds bezig hielden, waren alleen dezulken, oud
of nieuw, die over de echte wijsbegeerte handelen,—iets dat door velen
beschouwd wordt als een geschikt voorwerp van hoon en bespotting. Ik
herlas nu de werken van Aristoteles en Plato, met de overige
onwaardeerbare schatten, welke het oude Griekenland aan de menschheid
nagelaten heeft.
„Hoewel nu deze schrijvers mij geene kunst leerden, waardoor de
menschen zich voorspiegelen mogen rijkdommen, of wereldsche magt te
verwerven, leerden zij me echter zelfs de duurste voorwerpen verachten,
die men door beide kan verkrijgen. Zij verheffen den geest en verharden
en versterken hem tegen de grillige streken van het noodlot. Zij leeren
niet slechts de wijsheid; maar bevestigen den mensch in de beoefening
er van, en bewijzen duidelijk, dat die onze gids moet wezen, als wij
ooit hopen mogen het hoogste aardsche geluk te bereiken, of ons met
eenig goed gevolg te verdedigen tegen de ellende, welke den mensch
overal omringt en dreigt.
„Hierbij voegde ik eene andere studie, bij welke vergeleken alle
wijsbegeerte door de wijsste heidenen geleerd, weinig meer is dan een
droom, en inderdaad even ijdel, als ooit door den dwaasten grappenmaker
beweerd is. Dit is de goddelijke wijsheid, welke alleen in de Heilige
Schrift gevonden wordt, die ons de kennis en de verzekering van dingen
mededeelt, welke onze aandacht veel waardiger zijn dan al wat deze
wereld aanbieden kan;—van dingen, welke de Hemel zelf zich verwaardigd
heeft aan ons te openbaren, en tot welker kennis de menschelijke geest,
zonder hulp, nooit had kunnen opklimmen. Ik begon nu te begrijpen dat
al de tijd, welken ik aan de beste heidensche schrijvers verspild had,
bijna zoo goed als verloren was geweest; want hoe aangenaam en
genoegelijk hunne lessen ook zijn, en hoe voldoende ook voor de juiste
regeling van ons gedrag ten opzigte dezer wereld, toch,—vergeleken bij
de heerlijkheid in de Heilige Schrift geopenbaard,—schijnen ze ons
beuzelachtig en even onbeduidend als de regels, volgens welke de
kinderen hunne beuzelachtige spelen en tijdverdrijven bestieren. ’t Is
waar, dat de wijsbegeerte ons wijzer maakt,—maar het christendom maakt
ons beter. De wijsbegeerte verheft en versterkt den geest; het
christendom verzacht hem en maakt hem beminnelijk. De eerste maakt ons
tot het voorwerp der menschelijke bewondering; de laatste tot dat der
goddelijke liefde. Gene verzekert onze tijdelijke,—deze onze eeuwige
zaligheid.—Maar ik vrees u door mijne uitweiding te vervelen?”
„Wel, volstrekt niet,” zei Partridge; „de hemel verhoede, dat het
schoone ons ooit vervelen zou!”
„Ik had,” hervatte de onbekende, „ongeveer vier jaren, voor mij zelven
op de gelukkigste wijze doorgebragt, geheel aan mijne overpeinzingen
overgelaten en volstrekt, wat het aardsche betreft, zonder zorgen, toen
ik den besten der vaders verloor,—een vader dien ik zoo teeder beminde,
dat mijne droefheid bij zijn verlies alle beschrijving te boven ging.
Ik wierp nu mijne boeken ter zijde en gaf me eene geheele maand over
aan droefgeestigheid en wanhoop. De tijd, echter, de beste trooster der
menschheid, bragt me eindelijk verligting.”
„Ja, ja! tempus edax rerum!” zei Partridge.
„Daarop,” vervolgde de vreemdeling, „keerde ik weder tot mijne studiën
terug, wat mij, mag ik zeggen, volkomen genas; want de wijsbegeerte en
de godsdienst mogen de oefeningen van den geest genoemd worden, en als
die in de war is, zijn ze even heilzaam als beweging is voor het zieke
ligchaam. En werkelijk, ze hebben ongeveer dezelfde uitwerking als de
beweging; want ze versterken en verheffen den geest, tot dat de mensch
naar de schoone woorden van Horatius, wordt:
„Fortis et in seipso totus teres atque rotundus,
Externi ne quid valeat per laeve morari:
In quem manca ruit semper Fortuna.”
Hier glimlachte Jones, om het een of ander denkbeeld dat zich aan hem
opdrong; maar de onbekende zag er denkelijk niets van en ging voort:
„Mijne omstandigheden waren zeer veranderd door den dood van mijn
besten vader; want mijn broeder, die nu heer in huis was geworden,
verschilde zoo zeer van mij in zijne neigingen, en onze leefwijze was
zoo uiteenloopend geweest, dat wij niet deugden in elkaars gezelschap;
maar hetgeen ons zamenzijn nog onaangenamer maakte, was de weinige
harmonie tusschen de weinigen die mij bezochten en den talrijken stoet
jagers, die bijna altijd mijn broeder uit het veld naar tafel volgde;
want zulke menschen, de luidruchtigheid en den onzin daargelaten,
waarmede zij bedaarde menschen vervolgen, trachten steeds hen met
beleedigingen en minachting uit te tarten. Dat gebeurde zoo dikwerf,
dat ik noch mijne vrienden ooit aan tafel met hen zitten konden zonder
bespot te worden wegens onze onwetendheid in de jagerstaal. Want
menschen, die wezenlijk geleerd zijn en eene bijna algemeene kennis
bezitten, hebben steeds medelijden met de onwetendheid van anderen;
maar lieden die slechts in de eene of andere geringe, verachtelijke
kunst uitmunten, bespotten diegenen die daarin onbedreven zijn.
„Met één woord, wij scheidden weldra, en volgens den raad van een
geneesheer, ging ik naar Bath, om de baden te gebruiken; want mijne
hevige droefheid, gepaard met een zittend leven, had mij eene soort van
paralytische ziekte berokkend, voor welke de wateren daar als een bijna
onfeilbaar geneesmiddel beschouwd worden. Den tweeden dag na mijne
aankomst, terwijl ik langs de rivier wandelde, scheen de zon zoo
brandend heet,—hoewel het nog vroeg in het jaar was,—dat ik eene
schuilplaats zocht onder eenige wilgenboomen, waar ik bij het water
ging zitten. Ik had nog niet lang dáár gezeten, toen ik aan den anderen
kant der boomen, iemand bitter hoorde zuchten en steunen. Op eens, met
een verschrikkelijken vloek, riep hij uit: „Neen! Ik kan het niet meer
verdragen!” en wierp zich onmiddellijk in de rivier. Ik sprong dadelijk
op en liep naar het water, tegelijker tijd, zoo hard ik kon, om hulp
roepende. Gelukkiger wijze, was er een hengelaar aan ’t visschen, iets
lager aan ’t water, en door wat hoog riet voor mij verborgen. Hij kwam
dadelijk aanloopen, en te zamen, gelukte het ons, niet zonder
levensgevaar, den drenkeling aan land te brengen. In het begin zagen
wij geen teeken van leven; maar na het ligchaam aan de voeten opgetild
te hebben,—want wij hadden spoedig bijstand genoeg,—liep er een boel
water uit de keel, en hij begon weldra pogingen te doen om adem te
halen en kort daarop met armen en beenen te trekken.
„Een apotheker, die toevallig onder de toeschouwers was, gaf nu den
raad, om het ligchaam, waaruit al het water nu scheen geloopen te zijn,
en dat sterke stuiptrekkingen kreeg, op te nemen en in een warm bed te
leggen. Dit geschiedde en de apotheker en ik bleven er bij.
„Onderweg naar eene herberg, want wij wisten niet waar de mensch
woonde, kwam ons gelukkig eene vrouw te gemoet, die met een hevigen gil
ons vertelde dat de heer bij haar in huis woonde.
„Zoodra ik den ongelukkige daar in veiligheid gezien had, liet ik hem
aan de zorg van den apotheker over, die hem waarschijnlijk behoorlijk
behandelde; want ik vernam den volgenden morgen dat hij weer volmaakt
bij zijn verstand was.
„Ik ging hem dus opzoeken, met het voornemen om te zien of het me
gelukken wilde, de oorzaak op te sporen, die hem tot zulk eene
wanhopige daad had aangespoord, en hem, zoo mogelijk, te beletten in de
toekomst zijne misdadige voornemens te hervatten. Naauwelijks was ik op
zijne kamer toegelaten, of wij herkenden elkaar dadelijk; want het was
niemand anders dan mijn waardige vriend, de heer Watson! Maar ik zal u
niet lastig vallen met al hetgeen besproken werd bij onze eerste
ontmoeting; daar ik, zoo mogelijk, alle langdradigheid vermijden
wilde.”
„O laat ons maar alles hooren!” riep Partridge. „Ik wilde zoo gaarne
weten, hoe hij te Bath gekomen was?”
„Ge zult alles vernemen wat van eenig belang is,” hernam de onbekende,
en hij ging toen voort met datgene te vertellen, wat wij nu opschrijven
zullen, na eerst den lezer en ons zelven een oogenblik rust gegund te
hebben.