DE OUDE MAN VAN DEN BERG GAAT VOORT MET ZIJN VERHAAL.

„Ik had nu mijne vrijheid herkregen,” zei de vreemdeling; „maar ik was

mijn goeden naam kwijt; want er is groot verschil tusschen een man, die

uit gebrek aan bewijzen vrijgesproken wordt door eene regtbank en hem

die in zijn eigen hart en in de oogen der wereld onschuldig wordt

bevonden.

„Ik was mij mijne schuld bewust, en schaamde me dus iemand in de oogen

te zien, om welke reden ik besloot den volgenden morgen Oxford te

verlaten, eer ik gevaar liep bij daglicht door iemand gezien te worden.

„Zoodra ik de stad achter den rug had, kwam de gedachte bij mij op om

naar huis terug te keeren, bij mijn vader, en om te trachten zijne

vergiffenis te verwerven; daar ik echter geen grond had te

veronderstellen dat hij niet bekend was geworden met al wat er geschied

was, en daar ik zijn grooten afkeer kende van al wat op oneerlijkheid

geleek, kon ik geene hoop voeden van door hem in genade opgenomen te

worden, vooral omdat ik slechts al te zeker was van den nadeeligen

invloed mijner moeder te zullen ondervinden. Ja, al ware ik even zeker

geweest van mijn vaders vergiffenis, als ik me nu van het tegendeel

gevoelde, twijfel ik, of ik den moed zou gehad hebben hem onder de

oogen te komen, of dat ik, op welke voorwaarden ook, mij er aan had

kunnen onderwerpen om met diegenen te leven en om te gaan, die mij van

zulk eene schanddaad schuldig wisten.

„Ik haastte me dus naar Londen terug te komen, de beste schuilplaats

voor leed of schande, tenzij men algemeen bekend is; want men smaakt er

het voordeel, zonder het nadeel der eenzaamheid, daar men tegelijker

tijd alleen en onder de menschen zijn kan; en terwijl men onopgemerkt

stil zit of rondwandelt, is er drukte, gewoel, en eene onafgebroken

reeks van verschillende voorwerpen, die den geest bezig houden en

beletten dat men aan zijne eigene gedachten wordt overgeleverd,—of

liever zich verzadigt met leed en schande,—de slechtste kost ter

wereld; en waarop sommigen (hoewel er velen zijn die beide alleen in

het openbaar gevoelen), ruimschoots en op eene zeer noodlottige wijze

teren in de eenzaamheid.

„Maar, daar er bijna geen menschelijk goed bestaat, dat niet zijn kwaad

ook medebrengt, zoo zijn er ook velen, die deze onoplettendheid der

menschen onderling afkeuren;—voornamelijk diegenen, welke geen geld

hebben; want evenmin als men schaamte gevoelt voor onbekenden, wordt

men ook door onbekenden gevoed en gekleed. En de mensch kan even goed

verhongeren midden op de markt te Londen, als in de woestijnen van

Arabië. Het was op het oogenblik mijn lot om geheel vrij te zijn van

hetgeen vele schrijvers, die er waarschijnlijk nooit overlast van

hadden, „het grootste kwaad” noemen,—namelijk het geld.”

„Met uw verlof, mijnheer,” zei Partridge, „ik herinner me geen

schrijver, die het „een kwaad” genoemd heeft; maar wel „irritamenta

malorum” „Effodiuntur opes irritamenta malorum.””

„Nu, mijnheer,” ging de vreemdeling voort, „of het geld een kwaad is,

of alleen eene oorzaak van het kwaad,—ik had er volslagen gebrek aan,

en terzelfder tijd ook aan vrienden, en naar ik me verbeeldde ook aan

kennissen;—maar toen ik op zekeren avond, zeer hongerig en ellendig

door den Binnen-Tempel ging, hoorde ik eene stem, die mij op de meest

gemeenzame wijze bij mijn doopnaam riep, en mij omkeerende herkende, ik

dadelijk den persoon, die mij aldus toesprak, als een oud mede-student,

die sedert een jaar de akademie verlaten had,—lang eer mij eenig

ongeluk overkomen was. Deze heer, die Watson heette, drukte me

hartelijk de hand, uitte de meeste vreugde over onze ontmoeting en

stelde onmiddellijk voor, dat wij zamen eene flesch drinken zouden. Ik

weigerde dit eerst, voorgevende dat ik zaken af te doen had; daar hij

er echter op bleef aandringen, overwon eindelijk de honger mijn

hoogmoed, en ik bekende hem ronduit dat ik geen duit op zak

had,—evenwel niet zonder eene onwaarheid te bedenken, om mij te

verontschuldigen, daar ik zeide dat ik dien morgen van kleeding

verwisseld en vergeten had het geld uit mijn broekzak te nemen. De heer

Watson zeide: „Kom Jaap, ik dacht dat gij en ik elkaar te goed kenden,

om van zoo iets te spreken.” Hij nam me toen onder den arm en sleepte

mij mede; maar behoefde weinig geweld te gebruiken, daar mijne eigene

neigingen me veel sterker trokken dan hij had kunnen doen.

„Wij gingen nu naar de herberg „De Kloosterbroeders,” waar, gelijk u

bekend is, altijd de grootste drukte heerscht. De heer Watson wendde

zich onmiddellijk tot den bottelier, zonder aan den kok te denken; want

hij verbeeldde zich natuurlijk dat ik al lang geleden gegeten had. Daar

dit echter het geval niet was, bedacht ik eene nieuwe onwaarheid, en

vertelde mijn makker, dat ik om zaken van belang naar het andere einde

van de stad was geweest, en slechts in de haast onderweg eene cotelette

gegeten had, en dus weer honger had en hem verzocht een beef-steak bij

de flesch te bestellen.”

„Zekere soort van menschen dienden wel altijd een sterk geheugen te

hebben,” zei Partridge. „Hadt ge dan geld genoeg op zak gehad om de

cotelette te betalen?”

„Uwe opmerking is zeer juist,” hernam de vreemde; „en ik geloof dat

zulke vergissingen onafscheidelijk zijn van de gewoonte van onwaarheid

te vertellen.—Maar, om voort te gaan: ik begon me nu zeer gelukkig te

gevoelen. Het vleesch en de wijn wonden me spoedig op, en ik smaakte

groot genot in den omgang met mijn oude kennis, te meer, daar ik in den

waan verkeerde dat hij niets wist van hetgeen er aan de akademie

voorgevallen was sedert zijn vertrek.

„Maar hij liet me niet lang in dezen aangenamen waan; want met de eene

hand een vol glas opnemende, terwijl hij mij met de andere vatte, riep

hij uit: „Nu oude, jongen, dit is om u geluk te wenschen dat gij zoo

eervol vrijgesproken werdt in die zaak, waarin gij als beklaagde moest

optreden!”

„Ik stond als versteend bij deze woorden, en zoodra Watson dit

opmerkte, ging hij voort: „Wel, vriendje, ge behoeft u niet te schamen;

men heeft u vrijgesproken en geen mensch durft nu zeggen dat gij

schuldig zijt; maar ik bid u, vertel mij, als vriend, hebt ge hem

werkelijk niet bestolen? Ik hoop dat ge ’t gedaan hebt; want, mag ik

verd.... zijn, als het niet eene verdienstelijke daad was, om zulk een

ellendigen, kruipenden schelm af te zetten, en in plaats van twee

honderd, wilde ik, dat ge twee duizend guinjes genomen hadt. Kom, kom,

oude jongen,—wees niet bang om mij alles te bekennen;—ge staat nu niet

voor een van die pruiken! Verd—! als ik u niet eerbiedig daarom; want,

zoo waar ik hoop zalig te worden, zou ik volstrekt niet schromen het

ook te doen.”

„Deze betuiging deed mijne schaamte eenigzins verminderen, en daar de

wijn mijn hart ook geopend had, bekende ik zeer gul den diefstal, maar

verzekerde hem dat hij verkeerd ingelicht was omtrent de som, die

naauwelijks meer dan een vijfde gedeelte bedroeg van hetgeen hij zich

verbeeldde.

„Dat spijt me hartelijk,” zeide hij, „en ik wensch u meer voorspoed de

volgende keer. Maar, als gij mijn raad volgen wilt, zult gij u aan geen

gevaar meer van dien aard bloot stellen. Zie hier,” ging hij

voort,—eenige dobbelsteenen uit den zak halende,—„hier is het ware! Dit

zijn de kleine doktoren, die de ziekte van de beurs genezen. Volg maar

mijn raad, en ik zal u de kunst leeren om een vogel te plukken zonder

gevaar te loopen van zelf aan een dorren boom te blijven hangen.”

„Dorren boom?” vroeg Partridge. „Wel, mijnheer, wat is dat?”

„Dat is dieventaal,” zei de vreemde, „en beteekent „de galg;” want de

spelers, die weinig van de dieven verschillen in hunne zedeleer, hebben

ook veel overeenkomst met hen in de taal.

„Wij hadden nu ieder eene flesch geledigd, toen mijnheer Watson zeide,

dat men al aan de groene tafel bezig was, en dat hij er bij moest

wezen, mij terzelfder tijd ten ernstigste aanradende om met hem te gaan

en mijn geluk te beproeven. Ik hernam dat hij wel wist dat ik dat nu

niet doen kon, daar ik hem verteld had, dat ik niets op zak had. En, om

de waarheid te zeggen, na zijne krachtige vriendschapsbetuigingen,

twijfelde ik niet dat hij mij eene kleine som zou willen leenen met dat

doel; maar hij hernam: „Dat doet er niet toe, vriendje, ge kunt gerust

eene weddingschap doen! Maar pas op met wien ge het aanlegt! Ik zal u

een wenk geven met wien gij moet beginnen:—wat noodzakelijk zou kunnen

wezen, daar gij een vreemde zijt in de stad en een ouden speler van een

groen niet weet te onderscheiden.”

„Men bragt nu de rekening en Watson betaalde zijn aandeel en wilde

gaan. Ik herinnerde hem weder met een blos dat ik geen geld had, en hij

hernam: „Dat doet er niet toe; laat ze het maar opschrijven, of poets

hem maar, onbevreesd zonder, er notitie van te nemen.—Of wacht eens—ik

weet er iets beters op,” zeide hij. „Ik ga eerst naar beneden, en gij

neemt dan het geld hier van tafel op en gaat naar de koffijkamer en

laat de heele boel daar opschrijven, en ik zal u wachten aan den hoek

van de straat.”

„Ik drukte eenigen tegenzin in dit plan uit, en gaf te kennen dat ik

verwacht had dat hij alles zou betalen; maar hij verklaarde geen

stuiver meer op zak te hebben.

„Hij ging toen naar beneden en ik liet me overhalen om het geld op te

nemen en hem te volgen, wat ik zoo schielijk deed, dat ik hem den

knecht hoorde zeggen, dat het geld voor de rekening op tafel lag. De

knecht ging mij voorbij op de trap, naar boven; maar ik haastte me zoo

zeer op straat te komen dat ik niets van zijne teleurstelling vernam en

ook niets in de koffijkamer zeide.

„Wij gingen nu regtstreeks naar het speelhuis, waar de heer Watson, tot

mijne groote verwondering, eene zware som gelds te voorschijn haalde en

die vóór zich nederlegde; wat vele anderen ook deden, zonder twijfel

hunne eigene geldhoopen beschouwende als zoo vele lokvinken, om die

hunner buren tot zich te trekken.

„Het zou vervelend wezen om hier al de grillen te beschrijven van

Fortuna, of liever van de dobbelsteenen die hier hun tempel hadden.

Hoopen gouds verdwenen in weinige oogenblikken aan één kant der tafel

en verrezen even spoedig aan den anderen. De rijke werd in één

oogenblik arm en de arme werd in even korten tijd rijk, zoodat het

scheen dat even als een wijsgeer nergens zijne leerlingen beter omtrent

het verachtelijke der rijkdommen had kunnen inlichten, hij zeker ook

nergens de onzekerheid van hun duur zoo duidelijk had kunnen aanwijzen.

„Wat mij betreft, na mijn kleinen inzet eerst aanzienlijk vermeerderd

te hebben, zag ik hem eindelijk geheel verdwijnen. Na vele

kanswisselingen stond ook de heer Watson eenigzins driftig van de tafel

op, verklaarde dat hij ruim honderd pond verloren had en dat hij niet

langer spelen wilde. Hij rigtte zich toen weder tot mij en verzocht me

weder naar dezelfde herberg met hem te gaan; maar ik weigerde dit ten

stelligste, zeggende dat ik me niet meer aan hetzelfde gevaar wilde

blootstellen, vooral daar ook hij al zijn geld verloren had en in

denzelfden toestand verkeerde als ik. „Bah,” zeide hij, „ik heb een

paar guinjes van een vriend ter leen gevraagd en een er van staat tot

uw dienst.” Hij drukte me er dadelijk een in de hand, en ik weerstond

niet meer.

„Het hinderde me eerst naar hetzelfde huis te gaan, hetwelk wij op zulk

eene schuinsche wijze verlaten hadden, maar toen de knecht ons met de

meeste beleefdheid zeide, „dat hij geloofde dat wij vergeten hadden

onze rekening te betalen,” was ik weder gerust gesteld, en gaf hem

dadelijk de guinje, met last om de rekening er af te houden en nam de

schuld welke hij onverdiend op mij geworpen had, op mijne schouders.

„De heer Watson bestelde nu het fijnste souper dat hij bedenken kon, en

hoewel hij vroeger met eenvoudigen tafelwijn tevreden was geweest, was

nu niets dan de duurste Bourgogne goed genoeg voor hem.

„Ons gezelschap werd spoedig vermeerderd door de komst van verscheidene

heeren van de speeltafel, van welke de meesten, naar ik later begreep,

niet daar kwamen om iets te drinken, maar om zaken; want de echte

spelers hielden zich ziek en weigerden iets te gebruiken, terwijl zij

twee jonge lieden tot drinken aanmoedigden, die later uitgeplunderd

zouden worden,—wat ook op eene onbarmhartige wijze geschiedde. Ik had

het geluk om deel aan den buit te hebben, hoewel ik nog geen deel aan

het geheim had.

„Een opmerkelijk verschijnsel deed zich voor bij dit spel in de kroeg;

namelijk, dat het geld langzamerhand geheel verdween, zoodat, hoewel de

tafel eerst half bedekt was met goud, eer het spel uit was (wat niet

het geval was vóór den middag van den volgenden dag,—een zondag), er

naauwelijks één goudstuk op tafel te zien was, en dit was te vreemder

daar alle aanwezigen, behalve ik, verklaarden dat zij geld verloren

hadden, en—waar het geld heen was tenzij, de Satan zelf het opgepakt

had, is moeijelijk te zeggen.”

„Dat zal hij ook zeker gedaan hebben,” zei Partridge, „want de booze

geesten kunnen alles wegslepen, zonder gezien te worden, al zijn er nog

zoo vele menschen in de kamer, en het zou mij niet verwonderd hebben

als hij de heele troep slecht volk gehaald had, dat onder kerktijd zat

te spelen. En, als ik verkoos, zou ik u eene echte spookgeschiedenis

kunnen vertellen van den duivel, die een man uit het bed haalde van een

ander man’s vrouw, en door het sleutelgat met hem wegvloog. Ik heb het

huis gezien waar het gebeurd is, en in de laatste dertig jaren heeft

geen mensch er in willen wonen.”

Hoewel Jones wat knorrig was over de onbescheidenheid van Partridge,

moest hij toch om zijne eenvoudigheid glimlagchen. Dit deed de vreemde

ook en hervatte toen zijn verhaal, zooals men in het volgende hoofdstuk

zien zal.

Tom Jones · 第 151 / 340 题