WAARIN DE OUDE MAN VAN DEN BERG ZIJN VERHAAL BEGINT.

„Ik ben geboren in het jaar 1657 in een dorp in Somersetshire, Mark

genaamd: mijn vader was hetgeen men een heereboer heet. Hij had een

klein landgoed, dat hem ongeveer vijfhonderd pond ’s jaars opbragt, in

eigendom, en een tweede, van nagenoeg dezelfde waarde, in huur. Hij was

verstandig, vlijtig en had zoo veel overleg, dat hij een zeer

gemakkelijk en prettig leven had kunnen leiden, zonder eene erge heks

van eene huisvrouw, die hem het huisselijke leven verbitterde. Maar,

hoewel deze omstandigheid hem welligt ongelukkig maakte, bragt ze hem

niet tot armoede; want hij hield haar bijna altijd te huis opgesloten

en wilde liever hare onophoudelijke verwijtingen daar aanhooren, dan

zich in zijn vermogen benadeelen, door haar toe te geven in de

buitensporigheden, die zij buiten ’s huis wilde begaan.

„Bij deze „Xantippe,”—(„Zoo heette ook de vrouw van Socrates,” viel

Partridge in)—„had hij twee zonen, van welke ik de jongste was. Hij

wilde ons beiden eene goede opvoeding geven; maar mijn oudste broeder,

die, ongelukkig, de lieveling zijner moeder was, verwaarloosde het

leeren geheel en al, om welke reden ook mijn vader, nadat hij vijf of

zes jaren de school bezocht had, zonder er iets te leeren, toen men van

zijn onderwijzer vernam, dat het niets baten zou hem langer daar te

laten, eindelijk er in toestemde hem weêr in huis te nemen en hem dus

uit de handen van den dwingeland (zoo als mijne moeder den meester

noemde), verloste, hoewel deze werkelijk den jongen minder gestraft

had, dan hij verdiende, maar toch nog veel meer dan den jongen heer

beviel, die aanhoudend bij zijne moeder klaagde over de strenge

behandeling, en altijd van haar gelijk kreeg.”

„Ja, ja,” riep Partridge, „ik heb dergelijke moeders gekend; ik zelf

ben wel eens door haar uitgescholden,—en zeer onbillijk ook; zulke

ouders verdienden straf, evenzeer als hunne kinderen.”

Jones berispte den schoolmeester voor zijne onbeleefdheid, en de

vreemde hervatte: „Op vijftienjarigen leeftijd, zeide nu mijn broeder

de geleerdheid vaarwel,—en evenzeer alle andere dingen, behalve zijn

jagthond en het geweer, met welk laatste hij zoo handig werd, dat hij,

hoewel gij het misschien ongeloofelijk zult vinden, niet slechts met

groote juistheid naar een vaste schijf kon schieten, maar ook soms wel

eens een kraai in de vlugt raakte! Hij was ook best in staat een

zittend haas op te sporen, en werd weldra beschouwd als een der

grootste jagers in den omtrek:—een roem, beide door hem en door zijne

moeder evenzeer op prijs gesteld alsof men hem voor den grootsten

geleerde gehouden had.

„De toestand van mijn broeder deed me in het begin mijn eigen lot des

te harder achten, daar ik op school moest blijven; maar ik veranderde

weldra van gevoelen; want daar ik tamelijk vlug vorderde, viel me het

werk gemakkelijk, en de oefeningen vond ik zoo vermakelijk dat mijn

onaangenaamste tijd de vacantiedagen waren; want mijne moeder, die

nooit van mij gehouden had, vreezende dat mijn vader mij de meeste

genegenheid toedroeg, en ziende, of denkende, dat menschen van

opvoeding in den omtrek, en vooral de predikant, meer notitie van mij

namen dan van mijn broeder, begon mij te haten en maakte het mij zoo

onaangenaam te huis, dat de eerste schooldag, die anders door de

schooljongens verfoeid wordt, voor mij de prettigste dag van het jaar

was.

„Na eindelijk de school te Taunton doorgeloopen te hebben, ging ik van

daar naar het Exeter-college, te Oxford, waar ik vier jaren bleef, na

welker verloop een toeval mij aan de studie onttrok,—en dien tijd mag

ik als het begin en den oorsprong beschouwen van al hetgeen me later in

het leven overkomen is.

„Er studeerde met mij zekere Sir George Gresham, een jong mensch die

een ruim vermogen had, dat hij echter, volgens het testament van zijn

vader, eerst in zijn bezit zou krijgen als hij den leeftijd van vijf en

twintig jaren bereikt had. De mildheid zijner voogden liet hem echter

weinig reden, om over de groote voorzigtigheid van zijn vader te

klagen; want hij kreeg vijf honderd pond ’s jaars aan de akademie, waar

hij zijne paarden had en zijne maitresse, en een zoo slecht en

losbandig leven leidde, als hij bij mogelijkheid had kunnen doen, al

ware hij volmaakt meester geweest over zijne geldmiddelen; want behalve

de vijfhonderd pond ’s jaars, die zijne voogden hem gaven, vond hij

middel om zoo wat duizend pond meer te verteren. Hij was al

meerderjarig en het kostte hem weinig moeite om zooveel krediet te

krijgen als hij hebben wilde.

„Deze jongen had, onder vele tamelijk slechte hoedanigheden, eene die

echt duivelsch was. Hij schepte er namelijk groot vermaak in, om jonge

lieden, die minder geld hadden dan hij, ongelukkig te maken en te

gronde te rigten, door hen tot uitgaven te verleiden, die hun niet

betaamden, en hoe deugdzamer waardiger, en matiger een jong mensch was,

des te grooter was het genot en de voldoening die hij smaakte, als hij

hem tot den bedelstaf kon brengen. Hij speelde dus de rol, welke men

den Satan toekent en liep rond, zoekende wien hij verslinden zou.

„Het was mijn ongeluk dat ik kennis maakte en gemeenzaam werd met dezen

mensch. De naam, welken ik had van ijverig te zijn in mijne studiën,

maakte mij tot een wenschelijk voorwerp zijner kwade bedoelingen, en

mijne eigene neigingen maakten het hem ligt genoeg om zijn doel te

bereiken; want, hoewel ik me met den meesten ijver toegelegd had op de

boeken, welke me groot genot opleverden, waren er andere genoegens,

voor welke ik nog veel vatbaarder was; want ik was moedig, zeer

opgewonden, eenigzins eerzuchtig en zeer verliefd van aard.

„Ik was pas bekend geworden met Sir George, toen ik een deelgenoot werd

van al zijne genoegens, en zoodra ik eens dat tooneel betreden had,

duldden noch mijne neigingen, noch mijn hoogmoed, dat ik eene

ondergeschikte rol zou spelen. Ik deed dus voor niemand van ons

gezelschap onder in losbandigheid;—ja, ik maakte mij zoo berucht bij

alle rustverstoringen en vechtpartijen, dat mijn naam gewoonlijk de

bovenste was op de lijst der schuldigen; en in plaats van beklaagd te

worden als de ongelukkige leerling van Sir George, werd ik nu

beschuldigd als de persoon die dien veelbelovenden jongen heer misleid

en bedorven had; want hoewel hij de belhamel was en de bevorderaar van

al het onheil, werd hij er toch nooit voor gehouden. Eindelijk haalde

ik mij de berisping der hoogste autoriteiten aan de akademie op den

hals en er scheelde weinig aan dat ik weggejaagd werd.

„Ge zult wel willen gelooven, mijnheer, dat het leven dat ik leidde,

onbestaanbaar was met eenige vorderingen in de studie, en dat, naarmate

ik me meer en meer aan de loszinnigheid overgaf, ik ook al slordiger in

mijn werk werd. Dit was natuurlijk; maar het was niet alles. Mijne

uitgaven overtroffen niet slechts zeer mijn inkomen, maar ook al de

sommen, welke ik bovendien van mijn goeden milden vader afperste, onder

het voorwendsel dat ik ze noodig had voor de voorbereidende stappen eer

ik promoveerde. Deze eischen werden echter eindelijk zoo talrijk en

buitensporig, dat mijn vader langzamerhand gehoor begon te geven aan de

berigten, welke hij omtrent mijn gedrag vernam van verschillende

kanten, en welke mijne moeder nooit naliet zeer getrouw en hardop te

herhalen, er bijvoegende: „O ja, dit is de knappe jongen, de geleerde,

die zijne familie zoo veel eer aandoet! Die haar fortuin zal maken! Ik

dacht wel waartoe al deze geleerdheid leiden zou! Hij zal ons allen te

gronde rigten, nadat zijn oudste broeder zelfs het noodzakelijke heeft

moeten ontberen, om zijne opvoeding te betalen,—die ons zulke schoone

renten zou opbrengen! Ik begreep wel wat die renten zouden zijn!” Met

veel meer in denzelfden trant. Maar aan dit proefje zult gij wel genoeg

hebben.

„Mijn vader begon dus nu vermaningen in plaats van geld, in antwoord op

mijne eischen te zenden, wat mijne zaken welligt iets vroeger tot de

crisis bragt; maar al had hij mij zijn geheel inkomen gezonden, het

zou, gelijk ge begrijpt, slechts zeer korten tijd voldoende zijn

geweest om iemand te onderhouden, die met Sir George Gresham in zijne

uitgaven wedijverde.

„Het is waarschijnlijk dat de geldnood waarin ik me nu bevond, en de

onmogelijkheid om het op dien voet langer vol te houden, mij op eens de

oogen geopend en tot de studie terug gebragt zou hebben, als ik maar

tot besef gekomen ware eer ik mij in schulden gewikkeld zag, waaruit ik

nu geen kans zag me ooit te redden. Dit was inderdaad het hoofddoel van

Sir George, waardoor hij zoo velen ongelukkig maakte, die hij later als

gekken en kwasten uitlachte, omdat zij, zoo als hij het uitdrukte,

hadden willen wedijveren met een man van zijn vermogen! Om dit doel te

bereiken, leende hij hun zelfs tusschenbeide eene kleine som, om het

krediet van zoo’n armen jongen bij anderen staande te houden, tot hij,

juist door dat krediet, reddeloos verloren was.

„Daar mijne stemming op deze wijze, even wanhopig was geworden als mijn

toestand, bestond er naauwelijks ééne misdaad, waarover ik niet

peinsde, om mij te redden. De zelfmoord werd een onderwerp van ernstig

nadenken voor mij, en ik zou er zeker toe besloten hebben, zoo deze

gedachte niet vervangen ware geworden door eene die nog schandelijker

was, hoewel misschien minder zondig.”

Hier aarzelde de vreemde een oogenblik en riep toen uit: „Neen! Ik

verzeker u dat lange jaren de herinnering aan deze daad niet

uitgewischt hebben en dat ik blozen moet, als ik ze u vertel!”

Jones verzocht hem alles te verzwijgen, wat hem pijnlijk viel te

verhalen; maar Partridge riep driftig uit: „O, ik smeek u, mijnheer,

laat het ons toch hooren! Ik zou liever dit vernemen dan al het

overige! En zoo waar ik zalig hoop te worden, zal ik er nooit één woord

van zeggen!”

Jones wilde hem hierover berispen; maar de vreemde belette het hem,

door aldus voort te gaan: „Ik had een contubernaal, een voorzigtige,

overleggende jongen, die hoewel hij geen groot jaargeld had, door

zuinigheid meer dan veertig guinjes opgespaard had, die hij, zoo als ik

wist, in zijn lessenaar bewaarde. Ik nam dus de gelegenheid waar,

terwijl hij sliep, om hem den sleutel uit den broekzak te stelen, en

maakte me dus meester van zijn schat. Daarna deed ik den sleutel weder

in zijn zak, en veinzende te slapen, hoewel ik geen oog digt kon doen,

bleef ik te bed tot hij opgestaan was en aan het bidden ging,—eene

gewoonte welke ik al lang verwaarloosd had.

„Angstvallige dieven, door overmaat van voorzorg, halen zich dikwerf

eene ontdekking op den hals, welke vermeden wordt door die welke meer

moed bezitten. Dit was ook het geval met mij; want had ik stoutmoedig

zijn lessenaar open gebroken, zou hij mij waarschijnlijk niet eens

verdacht hebben,—daar het echter duidelijk was, dat de persoon die hem

bestolen had, den sleutel moest gehad hebben, begreep hij dadelijk,

zoodra hij het geld miste, dat niemand anders dan zijn kamergenoot de

dief kon wezen. Daar hij evenwel zeer benaauwd van aard was en ik zijn

meerdere was in ligchaamssterkte, en naar ik geloof, ook in moed,

durfde hij mij niet openlijk van mijne misdaad betichten, uit vrees

voor de gevolgen. Hij ging dus dadelijk bij den Vice-kanselier der

Hooge school, en onder eede eene verklaring afgelegd hebbende omtrent

de omstandigheden onder welke hij bestolen was, kreeg hij, zonder

bezwaar, een bevel tot arrestatie van iemand, die zoo schandelijk

slecht ter naam en faam stond als met mij het geval was.

„Tot mijn geluk, sliep ik den volgenden avond niet te huis; want dien

dag bragt ik juist eene jonge dame in een rijtuig naar Whitney, waar

wij den nacht bleven, en den volgenden morgen, onder weg naar Oxford,

ontmoette ik een mijner vrienden, die me genoeg vertelde van hetgeen me

dreigde, om mij dadelijk te doen omkeeren.”

„Mijnheer,” vroeg Partridge, „vertelde hij u iets van het bevel tot

arrestatie?”

Maar Jones verzocht den vreemde voort te gaan, zonder op eenige

onbeschaamde vragen te letten, en de oude heer ging voort:

„Daar ik er nu niet meer aan denken kon naar Oxford terug te keeren,

was het eerste dat bij me opkwam, eene reis naar Londen. Ik deelde mijn

voornemen aan mijne gezellin mede, die in het begin er veel tegen had:

maar toen zij mijne schatten zag, stemde zij er dadelijk in toe. Wij

sloegen nu een zijweg in, die ons op den straatweg naar Cirencester

bragt, en haastten ons zoo zeer, dat wij reeds den tweeden dag te

Londen aankwamen.

„Als ge bedenkt waar ik me nu bevond, en in welk gezelschap, zult gij

waarschijnlijk begrijpen dat ik binnen zeer korten tijd al het geld

uitgegeven had, waarvan ik me op zulk eene snoode wijze meester had

gemaakt.

„Ik leed nu veel meer ellende dan te voren; ik begon gebrek te hebben

zelfs aan levensbehoeften en hetgeen nog pijnlijker was, mijne

maitresse, op wie ik geheel verzot was geworden, deelde in mijne

ellende. Het is welligt bijna onmogelijk de verschrikkelijkheid van die

rampen te schilderen voor iemand die ze zelf niet gekend heeft; de

rampen van hem die eene beminde ziet lijden, en haar niet helpen kan,

en die terzelfder tijd het bewustzijn heeft dat hij haar tot dezen

toestand gebragt heeft!”

„Ik geloof het wel,—van ganscher harte!” riep Jones; „en ik heb in

mijne ziel medelijden met u!” Daarop liep hij een paar maal, zeer

ontroerd, de kamer op en neder, verontschuldigde zich toen en wierp

zich op zijn stoel, uitroepende: „Goddank, dat ik daarvoor bewaard ben

gebleven!”

„Deze omstandigheid,” ging de vreemde voort, „verzwaarde dermate mijn

ongelukkigen toestand, dat deze me bepaald ondragelijk werd. Ik kon

ligter alle mogelijke ontberingen, zelfs honger en dorst verdragen, dan

het denkbeeld om aan den grilligsten wensch eener vrouw niet te

voldoen, op wie ik zoo buitensporig verzot was, dat ik, ofschoon

wetende, dat zij de maitresse was geweest van de helft mijner

kennissen, vast besloten had haar te trouwen. Maar het lieve schepsel

wilde niet dat ik eene daad beging, welke de menschen als zoo nadeelig

voor mij hadden kunnen beschouwen. En, daar zij welligt medelijden

gevoelde met mij, toen zij dagelijks zag hoe veel ik om harentwil leed,

besloot zij een einde aan mijne ellende te maken. Zij vond ook weldra

het middel om mij uit mijn lastigen en benaauwden toestand te redden,

want terwijl ik over allerlei plannen tobde om haar eenig genot te

verschaffen, had zij de liefheid—mij te verraden aan een harer vorige

minnaren te Oxford, door wiens zorg en ijver ik dadelijk gevat en naar

de gevangenis gebragt werd.

„Daar begon ik voor het eerst ernstig na te denken over de misslagen

die ik vroeger begaan had; over de rampen die ik me zelf berokkend had,

en over het leed dat ik den besten der vaderen veroorzaakt moest

hebben. Wanneer ik bij dit alles den ontrouw mijner beminde voegde,

werd mijne ellende zoo groot, dat ik het leven begon te haten en ik den

dood als mijn besten vriend omhelsd zou hebben, zoo die zich aan mij

aangeboden had zonder door de schande vergezeld te zijn.

„De tijd der assises naderde weldra, en ik werd, volgens de wet, naar

Oxford vervoerd, waar ik zeker schuldig verklaring en het daarop

volgende doodvonnis wachtte;—maar tot mijne groote verwondering, trad

er niemand op om mij te beschuldigen, en na afloop der zittingen, werd

ik, bij gebreke aan aanklagte, in vrijheid gesteld. Met één woord, mijn

contubernaal had Oxford verlaten, en hetzij uit onverschilligheid, of

om eenige andere mij onbekende reden, had hij geweigerd zich iets

verder met de zaak in te laten.

„Misschien,” riep Partridge, „wilde hij uw bloed niet over zijn hoofd

hebben,—en hij had gelijk. Als er iemand door mijne getuigenis aan de

galg kwam, zou ik later nooit in staat wezen om alleen te slapen, uit

vrees voor zijne schim.”

„Ge zult me spoedig doen twijfelen, Partridge,” zei Jones, „waarin ge

meer uitmunt, in dapperheid of in wijsheid.”

„Nu, mijnheer,” hernam Partridge, „het staat u natuurlijk vrij mij uit

te lagchen, als ge dat goedvindt; maar als gij slechts naar een zeer

kort verhaal van mij wilt luisteren, dat zeker waar is, zult gij

misschien van gedachte veranderen. In het dorp waar ik ter wereld

kwam—”

Hier wilde Jones hem het stilzwijgen opleggen; maar de vreemde kwam

tusschenbeide en verzocht verlof voor hem om zijn verhaal te doen,

belovende inmiddels te bedenken wat hij zelf verder mede te deelen had.

Partridge begon nu als volgt: „In het dorp waar ik ter wereld kwam,

leefde een pachter, Bridle genaamd, die een zoon had, een goeden, veel

belovenden jongen, Frans geheeten. Wij gingen zamen op dezelfde school,

waar ik me nog herinner, dat hij het tot de Epistolae van Ovidius

bragt, en hij soms drie regels achtereen vertalen kon zonder ééns in

het woordenboek te kijken. Bovendien, was het een zeer brave jongen,

die ’s zondags de kerk nooit oversloeg, en men rekende hem onder de

beste koorzangers van de gemeente. Hij plagt wel eens tusschenbeide een

slokje te veel te gebruiken;—maar dat was zijn eenig gebrek.”

„Nu, kom maar tot het spook!” riep Jones.

„Wees daar niet ongerust over, mijnheer,” hernam Partridge; „ik zal er

spoedig genoeg toe komen! Ge moet nu weten, dat de oude Bridle eene

merrie kwijt raakte, als ik me goed herinner, een schimmel, en het

gebeurde dat de jonge Frans kort daarna op de kermis te Hindon, naar ik

meen, op een—neen, den dag van de week kan ik me niet herinneren,—maar,

daar was hij—en zie, daar ontdekt hij een mensch op zijn vaders merrie

gezeten! Frans riep dadelijk, „Houdt den dief!” en daar het midden op

de kermis was, kunt ge wel begrijpen dat het onmogelijk was voor den

kerel om weg te komen. Dus werd hij opgepakt en voor den vrederegter

gebragt;—die was, dat weet ik nog best, mijnheer Willoughby van Noyle,

een best, goed mensch, en hij zond den beschuldigde naar de gevangenis

en Frans moest borg stellen, dat hij zou komen getuigen als hij

opgeroepen werd. Eindelijk kwam Milord, de regter Page, om bij de

assises voor te zitten en de kerel werd voorgebragt en Frans werd als

getuige gedagvaard. Wel! Ik zal nooit het gezigt van den regter

vergeten toen hij hem begon te ondervragen omtrent hetgeen hij tegen

den beklaagde in te brengen had. De arme Frans stond te beven en te

sidderen in zijn schoenen! „Nou, gij lummel,” zei Milord, „wat hebt gij

te vertellen? sta me daar niet te kugchen en te stamelen, maar spreek

eens op!” Evenwel werd hij spoedig heel vriendelijk jegens Frans en

begon te donderen tegen den andere, en toen hij hem vroeg, wat hij

tegen de beschuldiging in te brengen had, zei de kerel, dat hij het

paard gevonden had. „Hé!” hernam de regter, „gij zijt een bijzonder

gelukkig mensch; ik heb al veertig jaren hier het graafschap

rondgereisd en heb van mijn leven geen paard gevonden. Maar, wil ik u

wat zeggen, vriend? ge zijt nog gelukkiger geweest dan ge u verbeeldt;

want ge hebt niet slechts een paard, maar een halster voor u zelven er

bij gevonden!” Wel! Ik zal nooit dat woord vergeten! En iedereen begon

ook hardop te lagchen,—want ze konden het niet laten. Ja, en hij zeide

wel twintig andere grappen, die ik me nu niet meer herinneren kan. Hij

zei iets over de paardenkennis van den dief, dat iedereen weêr aan het

lagchen bragt. Die regter moet zeker evenzeer bij de hand als geleerd

geweest zijn! ’t Is inderdaad alleraardigst om zoo’n halszaak te hooren

behandelen. Maar ik beken dat ik één ding een weinig hard vond voor den

beklaagde, en dat was, dat de advokaat die voor hem pleiten zou, niet

eens gehoord werd, ofschoon hij verlof vroeg om slechts één enkel woord

te mogen inbrengen;—maar Milord wilde niets van hem weten, hoewel hij

een advokaat tegen hem een half uur lang liet praten. Ik dacht wel dat

het wat wreed was, dat moet ik bekennen,—Milord en al de overige leden

van het geregtshof, en de Jury en de advokaten en de getuigen, alles

tegen één armen drommel,—die op den koop toe in de boeijen zat! Nu, de

vent werd opgeknoopt,—en dat kon ook wel niet anders, en de arme Frans

had geen rust meer. Hij was nooit alleen in het donker, of hij

verbeeldde zich den geest van den armen kerel te zien.”

„Nu? Is dat uw geheele verhaal?” vroeg Jones.

„Wel neen!” riep Partridge. „Heere mijn tijd! Nu kom ik juist tot de

zaak! Want op zekeren avond, toen hij van de kroeg naar huis ging, door

eene lange, smalle, donkere laan, liep hij het spook vlak tegen het

lijf, en het spook, dat in het wit gekleed was, viel Frans aan, en

Frans, die een fiksche jongen was, sloeg terug, en zoo worstelden ze

tegen elkaar en de arme Frans kreeg verschrikkelijke slagen, zoodat het

hem geweldig veel moeite kostte om naar huis te kruipen; maar, van de

slagen en van den schrik was hij wel veertien dagen ziek;—en dat is

alles zeker waar, en de heele gemeente zou het kunnen getuigen.”

De vreemdeling glimlachte over dit verhaal, en Jones proestte het uit,

waarop Partridge zeide: „Ja, lach maar, mijnheer; dat hebben ook

anderen gedaan, vooral een landjonker dáár, welke men zoo wat voor ’n

godloochenaar houdt, die, omdat er den volgenden morgen een kalf met

een witten kop dood gevonden werd in die laan, volhield dat de strijd

plaats had gehad tusschen Frans en het stomme dier: alsof een kalf een

mensch zou durven aanvallen! En daarenboven verzekerde me Frans dat hij

wel wist dat het een spook was, en dat hij voor elk geregtshof ter

wereld dat bezweren wilde; hij had ook niet meer dan een kan of twee

drie gedronken, toen het gebeurde. De hemel beware ons allen, zeg ik,

en belette dat wij de handen in bloed doopen!”

„Nu, mijnheer,” zei Jones tot den vreemde, „Partridge heeft zijn

verhaal ten einde gebragt en ik hoop dat hij u niet meer storen zal,

als gij zoo vriendelijk wilt wezen om voort te gaan.”

De oude heer hervatte toen zijn verhaal; daar hij echter een oogenblik

rust gehad heeft, achten wij het ook goed den lezer hetzelfde te

gunnen, en zullen dus een einde maken aan dit hoofdstuk.

Tom Jones · 第 149 / 340 题