Juist toen Jones en zijn vriend aan het einde van het gesprek in het
vorige hoofdstuk gekomen waren, bereikten zij den voet van een zeer
steilen heuvel. Hier bleef Jones staan en de blikken naar boven
rigtende, zweeg hij een tijdlang. Eindelijk wendde hij zich tot zijn
makker en zeide:
„Partridge, ik wilde wel dat ik boven op dezen heuvel was. Daar heeft
men zeker een heerlijk uitzigt; vooral bij deze verlichting; want de
plegtige somberheid die de maan over alles verspreidt, is
onbeschrijfelijk schoon, vooral voor eene verbeelding, die met
droefgeestige gedachten vervuld is.”
„Dat is best mogelijk,” hernam Partridge; „maar als de top van den
heuvel zoo geschikt is om sombere gedachten op te wekken, zal denkelijk
de voet opgeruimder denkbeelden doen ontstaan, en deze houd ik voor
veel verkieselijker. Gij hebt mij het bloed in de aderen doen stollen,
alleen door van den top van dien berg te spreken, die mij een der
hoogste op aarde toeschijnt. Neen, neen! als wij iets zoeken, laat het
dan maar een gat in den grond zijn, om ons te beschermen tegen de
vorst.”
„Doe dat maar,” zei Jones; „maar niet verder van hier dan mijne stem u
bereiken kan, en ik zal u roepen als ik weerkom.”
„Wel, mijnheer, ge zijt toch niet gek!” riep Partridge.
„Ja, wezenlijk, ik ben gek,” hernam Jones, „als het gek is dezen heuvel
te beklimmen:—maar daar gij reeds zoo veel last van de koude hebt,
wilde ik maar dat gij beneden bleeft en ik zal zeker binnen het uur
terug wezen.”
„Neen, neen, mijnheer,” riep Partridge; „ik heb besloten u overal heen
te volgen.”
Inderdaad, hij was nu bang om achter te blijven; want ofschoon hij ook
in andere opzigten lafhartig genoeg was, vreesde hij vooral spoken,
waarvoor het uur van den nacht en de woestheid van de plek bijzonder
geschikt schenen.
Op dit oogenblik ontdekte Partridge een licht, flikkerende door de
boomen, die digt in hunne nabijheid schenen, en hij riep dadelijk in
verrukking:
„O, mijnheer, de hemel heeft eindelijk mijne gebeden verhoord, en ons
tot een huis geleid; misschien is het zelfs eene herberg! Laat me u
smeeken, mijnheer, als ge eenig medelijden hebt met u zelven of met
mij, om de goedheid der Voorzienigheid niet te minachten, maar
regtstreeks op dat licht af te gaan. Herberg of niet, als het door
christenmenschen bewoond is, zullen zij eene schuilplaats niet weigeren
aan een paar ongelukkigen zoo als wij zijn.”
Jones bezweek nu ten laatste voor het ernstige smeeken van Partridge,
en beiden naderden de plek, vanwaar het licht straalde.
Weldra bereikten zij de deur van het huis of het hutje, want beide
benamingen waren er even toepasselijk voor. Jones klopte verscheidene
keeren aan, zonder antwoord te ontvangen, waarop Partridge, die geheel
vervuld was met het denkbeeld van spoken, duivelen, heksen en
dergelijke, begon te beven en uitriep: „De hemel zij ons genadig! De
menschen moeten zeker hier uitgestorven zijn! Ik zie ook geen licht
meer, en toch ben ik overtuigd dat ik een oogenblik geleden eene
brandende kaars zag! Nu, ik heb wel meer van dergelijke dingen
gehoord!”
„Waarvan hebt ge gehoord?” vroeg Jones. „De menschen zijn òf vast in
den slaap, òf waarschijnlijk, daar dit eene eenzame plek is, zijn ze
bang om de deur open te doen!” Daarop begon hij tamelijk hard te
schreeuwen, en eindelijk deed eene bejaarde vrouw een bovenraam open en
vroeg:
„Wie zij waren en wat zij wilden?”
Jones hernam dat zij verdwaalde reizigers waren, en daar zij een licht
in huis gezien hadden, waren zij er gekomen in de hoop van zich bij het
vuur te mogen warmen.
„Wie ge ook zijt,” riep de vrouw, „ge hebt hier niets te maken en op
dit uur van den nacht zal ik voor niemand de deur open doen.”
Partridge, die bij het geluid eener menschelijke stem van zijn schrik
hersteld was, begon nu op de aandoenlijkste wijze te smeeken om slechts
eenige minuten bij het vuur te mogen doorbrengen, daar hij „bijna
bevroren was,” gelijk hij zeide, en inderdaad hij had evenzeer van
angst als van koude gerild. Hij verzekerde haar dat de heer die haar
aangesproken had, een der grootste heeren van het land was, en
gebruikte alle mogelijke argumenten, behalve één, dat Jones later met
het beste gevolg toepaste,—namelijk de belofte om haar een daalder te
geven.
Die som was te zwaar om niet aangenomen te worden door iemand van dien
aard, vooral daar het fatsoenlijke uiterlijk van Jones, dat zij zeer
goed in den maneschijn onderscheiden kon, tegelijk met zijne
vriendelijkheid, den angst voor dieven, dien zij in het begin
koesterde, spoedig deed verdwijnen. Zij stemde dus eindelijk er in toe
om hen binnen te laten en Partridge vond, tot zijne groote vreugde, een
lekker vuur gereed voor zijne ontvangst.
De arme vent had zich echter pas verwarmd, toen die gedachten, welke
altijd in zijn brein bovendreven, hem weer begonnen te verontrusten.
Er was niets waaraan hij vaster geloofde dan aan hekserij en de lezer
kan zich geene gestalte voorstellen, die meer geschikt was om dit
denkbeeld te versterken, dan die van de oude vrouw, die thans vóór hem
stond. Zij beantwoordde volmaakt aan de beschrijving door Otway in zijn
stuk, „de Wees” gegeven. En werkelijk, als deze vrouw geleefd had onder
de regering van Jakobus I, zou men haar alleen om haar uiterlijk,
zonder eenige verdere getuigenis op te sporen, opgehangen hebben.
Er waren ook vele andere omstandigheden, welke bijdroegen om Partridge
in zijn gevoelen te bevestigen; b.v. dat zij alléén leefde, zooals hij
toen dacht, op zulk een eenzame plek; dat zij een huis bewoonde, welks
uiterlijk reeds veel te goed voor haar scheen; terwijl het van binnen
op de keurigste en sierlijkste wijze ingerigt was. Om de waarheid te
zeggen, Jones zelf stond niet weinig verstomd over hetgeen hij zag;
want behalve de buitengewone netheid van het vertrek, was het versierd
met eene groote menigte snuisterijen en zeldzaamheden, welke de
oplettendheid van een kenner waardig waren.
Terwijl Jones dit een en ander bewonderde en Partridge zat te beven, in
het vaste geloof, dat zij bij eene tooverheks te regt gekomen waren,
zei de oude vrouw:
„Ik hoop, heeren, dat gij u zooveel mogelijk haasten zult; want ik
verwacht mijnheer straks te huis, en ik wilde niet, om tweemaal zoo
veel als ik van u gekregen heb, dat hij u hier vond.”
„Dus hebt ge een meester hier?” riep Jones. „Neem het me niet kwalijk;
maar ik stond verbaasd over al de fraaije dingen die ik hier zag.”
„Och, mijnheer, als het twintigste gedeelte van al deze dingen mij
toebehoorde, zou ik me rijk achten; maar, ik smeek u, mijnheer, blijf
niet langer; want ik verwacht mijnheer elk oogenblik.”
„Wel!” zei Jones; „hij zou zeker niet op u knorren, omdat gij ons een
weinig gastvrijheid verleent.”
„Helaas, mijnheer,” hernam zij; „’t is een vreemd mensch; die op
niemand anders lijkt. Hij gaat met niemand om, en wandelt zelden anders
dan des nachts, om niet gezien te worden; en al het landvolk in den
omtrek schuwt hem evenzeer; want zijne kleeding alleen is genoeg om die
menschen te doen schrikken, die er niet aan gewoon zijn. Zij noemen hem
den Man van den Berg,—want dáár wandelt hij ’s nachts rond, en ik
geloof dat de boeren niet banger zijn voor den Satan zelven dan voor
hem. Hij zou verschrikkelijk kwaad zijn, als hij u hier vond.”
„Kom, mijnheer,” zei Partridge; „laat ons dien heer niet kwaad maken;
ik ben klaar om te vertrekken, en heb het van mijn leven nooit warmer
gehad.—Kom, mijnheer, laat ons maar opstappen! Daar hangen pistolen
boven den schoorsteen; wie weet of ze niet geladen zijn, en wat hij
daarmede beginnen zal?”
„Wees niet bang, Partridge,” hernam Jones; „ik zal u beschermen; dat
beloof ik u.”
„Ja, wat dat betreft,” viel de vrouw weer in; „kwaad doet hij nooit,
maar hij moet wapens in huis hebben, om hier veilig te wezen; want men
heeft meer dan eens hier ingebroken, en slechts een paar nachten
geleden, dachten wij dieven in de buurt te hooren. Wat mij aangaat, het
heeft me dikwerf verwonderd, dat de een of andere schurk hem niet
vermoord heeft, op zijne eenzame wandelingen ’s nachts; maar, zooals ik
u vertelde, het volk is bang voor hem, en bovendien verbeeld ik me, dat
zij denken, dat hij niets bij zich heeft, dat de moeite waard zou zijn
te stelen.”
„Ik vermoed,” zei Jones, „te oordeelen naar deze verzameling van
zeldzaamheden, dat uw meester veel gereisd heeft?”
„Ja, mijnheer,” hernam zij; „hij heeft ook veel gereisd. Er zijn
weinige menschen, die van allerlei dingen meer weten dan hij. Ik
verbeeld me dat hij eene ongelukkige liefde heeft gehad, of iets van
dien aard; wat, weet ik niet; maar ik heb al een dertigtal jaren bij
hem gewoond en in dien tijd heeft hij ter naauwernood met een half
dozijn menschen gesproken.”
Hierop smeekte zij hen op nieuw om weg te gaan, en werd ondersteund
door Partridge; maar Jones rekte het gesprek voorbedachtelijk; want hij
was zeer nieuwsgierig geworden om dezen buitengewonen mensch te zien.
Hoewel dus de oude vrouw elk harer antwoorden eindigde met het verzoek
dat zij heengaan zouden, en Partridge het zelfs waagde hem bij den mouw
te trekken, ging hij voort met nieuwe vragen te bedenken, tot de oude
vrouw, met een verschrikt gelaat verklaarde haar meester te hooren;—en
op datzelfde oogenblik vernamen zij meer dan één stem buiten de deur,
die riep: „Uwe beurs of uw leven, gij oude schelm! Uwe beurs, zeg ik,
of ik jaag je een kogel door het hoofd!”
„Goede hemel!” riep de oude vrouw; „mijnheer is zeker door roovers
aangevallen! Ach! wat zal ik beginnen! Wat zal ik beginnen?”
„Hoe?” riep Jones. „Zijn die pistolen geladen?”
„Och, mijn goede mijnheer, er is niets in—wezenlijk! O vermoord ons
toch niet, mijne heeren!” riep de vrouw; want zij beschouwde de mannen
in huis als van denzelfden slag als die daar buiten.
Jones gaf haar geen antwoord; maar een ouden sabel grijpende, die aan
den muur hing, snelde hij dadelijk naar buiten, waar hij den ouden heer
vond, worstelende tegen twee schelmen, die hij om genade smeekte. Jones
vroeg naar niets; maar ging zoo vlug te werk met den sabel, dat de
beide kerels dadelijk loslieten en zonder onzen held aan te vallen, het
hazenpad kozen en ontsnapten; want hij gaf zich geene moeite om hen te
vervolgen,—en inderdaad, hield hij dat ook niet voor noodig, daar hij
tevreden was met den ouden heer verlost te hebben, en uit het gesteun
van beide schelmen opmaakte, dat de roovers er genoeg van hadden, daar
zij onder het wegloopen uitriepen, dat zij hun leven kwijt waren.
Jones haastte zich nu om den ouden heer op te rigten, die, onder het
gevecht, op den grond geraakt was, en drukte terzelfder tijd zijne
vrees uit, dat de schurken hem ernstig gewond hadden.
De oude man staarde Jones een oogenblik aan en zeide toen:
„Neen, mijnheer, neen! Ik ben slechts een weinig bezeerd! Dank u wel!
De Heere zij me genadig!”
„Naar ik zie, mijnheer,” hernam Jones, „zijt ge niet vrij van angst ten
opzigte zelfs van diegenen die u gered hebben;—ik kan ook uwe
verdenkingen niet euvel duiden;—hoewel ze wezenlijk overbodig zijn. Gij
zijt thans alleen door vrienden omgeven. Daar wij heden nacht verdwaald
waren geraakt in de koude, namen wij de vrijheid om ons bij uw vuur te
warmen, en waren op het punt van te vertrekken, toen wij u om hulp
hoorden roepen,—die de Voorzienigheid, dat moet ik zeggen, u schijnt
gezonden te hebben.”
„Ja, waarlijk de Voorzienigheid!” riep de oude heer, „als hetgeen gij
mij vertelt waarheid is.”
„Dat is zoo, mijnheer; dat kan ik u verzekeren,” zei Jones. „Hier is uw
eigen zwaard, mijnheer. Ik heb het gebruikt om u te verdedigen en geef
het nu in uwe eigene handen terug.”
De oude man het zwaard ontvangen hebbende, dat bevlekt was met het
bloed zijner aanvallers, keek Jones een oogenblik strak aan en zeide
toen, met een zucht:
„Vergeef me, mijnheer: ik was niet altijd achterdochtig van aard, en ik
ben ook geen voorstander der ondankbaarheid.”
„Wees dankbaar dan aan die Voorzienigheid, welke u gered heeft,” hernam
Jones; „wat mij betreft, ik heb niets gedaan dan mijn pligt als mensch,
en wat ik voor iedereen in uw toestand zou gedaan hebben.”
„Laat me u nog één oogenblik aanzien,” riep de oude heer; „ge zijt dus
wezenlijk een mensch?—Nu, dat is welligt mogelijk!—Ik bid u, ga weder
met mij in mijne nederige woning. Gij zijt inderdaad mijn redder
geweest!”
De oude vrouw was half waanzinnig, zoo door den angst, dien zij voor
haar meester, als door de vrees, welke zij om zijnentwil koesterde, en
Partridge, zoo mogelijk, had het nog benaauwder. Zoodra echter de oude
vrouw hoorde dat haar heer Jones vriendelijk aansprak, en begreep wat
er gebeurd was, herstelde zij spoedig; maar toen Partridge den ouden
heer zag, boezemde hem de vreemdheid van zijne kleeding nog grooteren
angst in dan hij gevoeld had bij de vroegere vermelding daarvan en bij
al het rumoer dat later voorgevallen was.
En, om de waarheid te zeggen, dat uiterlijk had een kloekeren geest dan
dien van den heer Partridge in de war kunnen brengen. De gestalte was
buitengewoon lang, met een zwaren baard, zoo wit als sneeuw. Het
ligchaam was gehuld in eene ezelshuid, tot eene soort van jas verknipt.
Hij droeg hooge laarzen aan de beenen en eene muts op het hoofd, beide
uit dierenvellen vervaardigd.
Zoodra de oude heer in huis trad, begon zij hem geluk te wenschen met
zijne ontsnapping uit de handen der roovers.
„Ja,” riep hij, „ik ben inderdaad ontsnapt, dank zij mijn redder!”
„De hemel zegene hem!” hernam zij. „Ik sta u er borg voor, dat het een
best mensch is. Ik vreesde dat mijnheer knorren zou dat ik hem binnen
gelaten had; en zeker, zou ik dat niet gedaan hebben, als ik niet
gezien had, dat het een fatsoenlijk man was, die haast van de koude
verging. En, waarlijk, een goede engel moet hem hierheen gezonden en
mij verleid hebben dat te doen!”
„Naar ik vrees, mijnheer,” zei de oude heer tot Jones, „is er niets in
huis, dat gij zoudt kunnen gebruiken, tenzij een slok brandewijn;—die
heerlijk is, en die ik zoo wat dertig jaren in den kelder heb.”
Jones bedankte daarvoor op de meest beleefde en passende wijze, waarop
de andere hem vroeg, „waarheen hij gaan wilde, toen hij verdwaald
geraakt was?”—er bijvoegende: „ik ben toch eenigzins verwonderd dat zoo
iemand als gij zijt, op zulk een laat uur van den nacht alleen reist.
Ik veronderstel, mijnheer, dat ge hier in de omstreken te huis behoort;
want gij ziet er uit als iemand, die niet gewoon is zonder paarden rond
te reizen.”
„De schijn bedriegt,” zei Jones. „De menschen zijn niet altijd wat zij
schijnen. Ik verzeker u dat ik niet in deze streken te huis behoor, en,
werkelijk, ik weet naauwelijks zelf waar ik heen ga.”
„Wie gij ook zijt, en waarheen ge ook gaat,” hernam de oude heer; „gij
hebt me groote verpligtingen opgelegd, die ik u nooit vergelden kan.”
„Ik verzeker u nogmaals,” zei Jones, „dat niets van dien aard het geval
is; want er is niets verdienstelijks in datgene op het spel te zetten,
waarop men zelf geen prijs stelt. En niets ter wereld is mij minder
waard dan het leven.”
„Het spijt me zeer, mijnheer,” hernam de vreemde, „dat gij op uw
leeftijd reden hebt u zoo ongelukkig te gevoelen.”
„Dat ben ik wel, mijnheer,” antwoordde Jones. „Ik ben de ongelukkigste
der stervelingen.”
„Misschien,” zei de andere, „hebt gij een vriend gehad, of eene
beminde, die—”
„Ge hebt daar twee woorden genoemd,” riep Jones, „die me tot waanzin
konden brengen.”
„Een van beide is al genoeg om een mensch gek te maken,” hernam de oude
man. „Ik vraag niets meer mijnheer. Misschien ben ik al te nieuwsgierig
geweest.”
„Wezenlijk, mijnheer,” zei Jones, „het is me onmogelijk eene begeerte
af te keuren, die me nu zelf geheel vervult. Houd het me te goed, als
ik u verzeker, dat alles wat ik gezien en gehoord heb sedert ik hier
een voet in huis zette, de grootste nieuwsgierigheid bij mij heeft doen
ontstaan. Iets zeer buitengewoons moet er gebeurd zijn om u tot deze
leefwijze te doen besluiten en ik heb reden te veronderstellen, dat uwe
eigene geschiedenis niet vrij van rampen is.”
Hier zuchtte de oude heer weder en bewaarde eenigen tijd het
stilzwijgen; maar eindelijk, Jones ernstig aanziende, zeide hij:
„Men zegt, dat een gunstig uiterlijk een aanbevelingsbrief is, en als
dat waar is, kan niemand sterker aanbevolen zijn dan gij. En als ik ook
om geene andere reden neiging tot u gevoelde, zou ik het ondankbaarste
monster ter wereld zijn; daarom spijt het me waarlijk, dat ik niet
anders heb dan woorden, om u van mijne dankbaarheid te overtuigen.”
Jones, na eenige aarzeling, hernam: „dat juist deze woorden hem de
hoogste voldoening zouden verschaffen. Ik heb mijne nieuwsgierigheid
bekend, mijnheer,” voegde hij er bij; „behoef ik nu te zeggen, hoezeer
ik me verpligt zou rekenen, als gij de goedheid wildet hebben daaraan
te voldoen? Zult gij mij dus veroorloven u te vragen,—tenzij gij
gewigtige bedenkingen daartegen hebt—, welke beweegredenen u genoopt
hebben, u aldus uit de menschelijke zamenleving te verwijderen, en een
leven te leiden, waarvoor het duidelijk blijkt, dat gij niet geboren
zijt?”
„Na hetgeen er gebeurd is, heb ik naauwelijks het regt u iets te
weigeren,” hernam de oude man. „Als ge dus verlangt de geschiedenis van
een ongelukkig mensch te vernemen, zal ik ze u vertellen. En werkelijk,
gij hebt goed geoordeeld, toen gij tot het besluit kwaamt, dat er iets
buitengewoons moet wezen in het lot van diegenen, die de maatschappij
ontvlugten; want hoe paradox, of zelfs tegenstrijdig het ook schijne,
is het desniettemin zeker, dat het groote menschenliefde is, die ons
voornamelijk de menschen doet mijden en verfoeijen; niet zoo zeer om
hunne bijzondere en individuële ondeugden, als om die van algemeenen
aard, zoo als nijd, boosheid, verraderlijkheid, wreedheid en alle
mogelijke soorten van kwaadaardigheid. Deze zijn de ondeugden, welke de
ware menschlievendheid verfoeit, en liever dan zich daardoor omgeven te
zien en daarmede te moeten omgaan, ontvlugt zij de zamenleving. Maar,
zonder vleijerij, gij schijnt me geen mensch te zijn, dien ik vermijden
of haten moest;—ja, ik moet zelfs bekennen dat het, uit het weinige wat
u reeds ontvallen is, schijnt dat er eenige gelijkheid bestaat in ons
lot; ik hoop echter dat het uwe gelukkiger afloopen zal!”
Hier maakten onze held en zijn gastheer elkaar weerkeerig eenige
complimenten, en de laatste wilde juist zijn verhaal beginnen, toen
Partridge hem stoorde. Deze was nu zoo tamelijk van zijn angst bevrijd,
maar bespeurde toch nog eenige uitwerking daarvan, om welke reden hij
den ouden heer aan den uitstekenden brandewijn herinnerde, waarvan
sprake was geweest. De flesch werd dadelijk gehaald en Partridge
ledigde er een groot glas van.
Zonder verdere inleiding begon daarop de oude heer zijn verhaal, zoo
als in het volgende hoofdstuk te lezen staat.