WAARIN DE WAARDIN EEN BEZOEK AFLEGT BIJ DEN HEER JONES.

Toen Jones van zijn vriend, den luitenant, afscheid genomen had,

trachtte hij de oogen digt te doen;—maar te vergeefs. Hij was te wakker

en te levendig geworden om weder in te slapen. Dus na zich een tijdlang

verstrooid, of liever gekweld te hebben met denken aan zijne Sophia,

tot het dag was geworden, bestelde hij wat thee, bij welke gelegenheid

de waardin zich verwaardigde hem zelve te bezoeken.

Dit was inderdaad de eerste keer dat zij hem zag, of eenige notitie van

hem genomen had; daar de luitenant haar echter verzekerd had, dat hij

zonder twijfel de een of andere jonge heer van goeden huize moest

wezen, besloot zij hem nu met den meest mogelijken eerbied te

behandelen; want haar huis was, zonder kwestie, een van diegenen, waar

een fatsoenlijk man,—volgens de advertentiën,—„eene prompte bediening”

vindt.

Zij was pas begonnen met de thee te zetten, toen zij ook begon met

praten.

„Wel, mijnheer,” zeide zij; „wat is het jammer dat zoo’n mijnheer als

gij zijt, zich vernedert om met die soldatentroep rond te trekken! Zij

noemen zich ook heeren, dat is waar; maar, gelijk mijn eerste man

zeide: zij moesten bedenken dat wij burgers hen eigenlijk betalen, en

het is zeker zeer hard voor ons logement-houders hen te moeten betalen

en hen te onderhouden op den koop toe. Daar waren er twintig van

gisteren avond hier, behalve de officieren;—maar wat dat betreft, ik

heb liever de soldaten dan de officieren, want voor die kwasten is

niets goed genoeg,—en als gij de rekening zaagt, mijnheer;—’t is

nagenoeg niets! Ik kan u verklaren dat ik minder moeite heb met eene

heele familie van hoogen stand, die soms twee of drie pond in den loop

van den avond verteert,—behalve hetgeen ze voor postpaarden betalen. En

toch sta ik u er borg voor, dat er geen een van deze officieren is, die

zich niet voor zoo goed houdt als de beste landedelman, die vijfhonderd

pond ’s jaars te verteren heeft. Wel! ’t Is een grap om te zien hoe de

manschappen rondloopen en hen groeten en salueren zonder einde! ’t Zijn

me menschen er naar, die voor een shilling eten moeten ’s middags! Dan

vloeken ze zoo onder elkaar, dat het mij doet beven;—want van zulke

booze menschen kan nooit iets teregt komen. En nu heeft één van hen u

op die barbaarsche wijze mishandeld! Ik wist ook wel hoe veilig de

anderen hem bewaken zouden; want zij hangen allen aan elkaar, en als

gij in doodsgevaar verkeerd hadt,—wat het me genoegen doet te zien dat

niet het geval is—is er geen een onder dat slechte volk, die zich

daarover bekommerd zou hebben. Zij zouden den moordenaar hebben laten

loopen. De hemel zij hem genadig! Ik zou om alles ter wereld niets van

dien aard op mijn geweten willen hebben. Maar, ofschoon gij, met ’s

Hemels zegen, waarschijnlijk herstellen zult, bestaan er nog wetten, en

als gij den advokaat Small wilt gebruiken, durf ik er voor in staan,

dat hij den kerel zal noodzaken het land uit te vlugten;—hoewel hij

misschien al weg is; want met zulke menschen is het heden hier en

morgen daar! Ik hoop echter dat gij in het vervolg verstandiger zult

wezen, en tot uwe vrienden terug keeren, die zeker diep ongelukkig zijn

sedert zij u verloren hebben;—en wat zouden zij zeggen als zij wisten

wat er met u gebeurd is? Mijn tijd! Ik ben blijde dat zij er niets van

weten!—Kom, kom! Wij begrijpen best waaraan het hapert! maar als de

eene niet wil, dan wil wel de andere;—zoo’n knappe jongen als gij zijt,

kan altijd een liefje vinden! Dit weet ik wel: als ik in uwe plaats

ware, dan zag ik de mooiste meid die ooit geleefd heeft, liever aan de

galg, dan dat ik om harentwil soldaat werd! Neen, bloos maar zoo niet,

mijnheer!” (want hij was rood als vuur geworden)—„Gij dacht zeker dat

ik niets wist van die zaak met jufvrouw Sophia!”

„Hoe!” riep Jones, opspringende, „kent gij mijne Sophia?”

„Of ik haar ken? Wel zeker!” riep de waardin. „Zij heeft menigmaal hier

gelogeerd.”

„O! zeker met hare tante?” vroeg Jones.

„Juist geraden!” riep de waardin. „Ja, ja, ik ken de oude dame best. En

jufvrouw Sophia is ook een lief meisje, dat is waar!”

„Een lief meisje!” riep Jones: „Wel:

„Gij maalt een engel schoon, opdat dat beeld

Op háár gelijken zou. Al wat ge u droomt

Van hemelsche volmaaktheid vindt ge in háár:

Die reinheid door lieftalligheid verhoogd,

Die rust der ziel, die liefde zonder eind!”

„Hoe had ik me ooit kunnen voorstellen dat gij mijne Sophia kendet?”

„Ik wou maar voor u, dat gij haar half zoo goed kendet als ik! Hoe veel

zoudt gij er niet om gegeven hebben om naast haar bed te zitten! Wat

heeft zij een prachtigen hals! Zij heeft de schoone ledematen

uitgestrekt op hetzelfde bed, waar gij nu op ligt.”

„Hier!” riep Jones; „heeft Sophia ooit in dit bed geslapen?”

„Ja, hier!—Hier, in dit bed,” zei de waardin, „en ik wenschte dat gij

haar nu bij u hadt,—en zij zou dat ook misschien wel willen; want zij

heeft me wel eens van u gesproken!”

„Hoe!” riep hij; „heeft zij ooit den armen Jones genoemd?—Ge vleit me

zeker;—ik kan me dat haast niet verbeelden!”

„Nu,” hernam zij; „zoo waar ik hoop zalig te worden, moge de Satan me

halen, als ik iets meer of minder dan de waarheid zeg! Ik heb haar van

den heer Jones hooren spreken;—op de meest bescheidene en zedige wijze,

dat beken ik; maar ik kon toch zien dat zij een heelen boel daarbij

dacht.”

„O, mijne goede vrouw,” riep Jones; „ik zal het nooit waardig zijn, dat

zij aan mij denkt. Zij is zoo goed, zoo lief, zoo beminnelijk! Waarom

kwam ooit zulk een schelm als ik ter wereld, om haar liefderijk hart

één oogenblik te kwellen? Waarom lig ik onder een vloek? Ik, die al de

kwellingen en ellende zou willen ondergaan, welke de duivel ooit

uitgevonden heeft tot marteling van het menschelijke geslacht, als ik

haar maar iets goeds kon doen. De hoogste ellende zou zelfs geen ramp

voor mij wezen, als ik maar wist dat zij gelukkig was!”

„Wel, kijk nou!” riep de waardin. „Zei ik haar niet dat gij zeker een

trouwe minnaar waart?”

„Maar zeg me toch, jufvrouw, wanneer, of hoe gij iets van mij hebt

gehoord; want ik ben nooit te voren hier geweest en ik herinner me ook

niet u ooit vroeger gezien te hebben.”

„Het is ook niet mogelijk dat ge u mijner zoudt herinneren,” hernam

zij; „want gij waart maar een heel klein kindje toen ik u bij mijnheer

op schoot hield!”

„Hoe?” riep Jones, „gij kent dus den goeden, besten mijnheer

Allworthy?”

„Wel zeker,” hernam zij. „Wie is er in het heele graafschap, die hem

niet kent?”

„De roem van zijne goedheid,” antwoordde Jones, „moet zich ook verder

uitgebreid hebben dan tot hiertoe; maar alleen de hemel kent hem zoo

als hij is,—en kan die goedheid begrijpen, welke van den hemel zelven

ontleend tot een voorbeeld op aarde gesteld werd. De menschen begrijpen

even weinig zulke goedheid als zij ze verdienen; maar niemand minder

dan ik zelf. Ik, die door hem zoo uit het stof verheven werd: ik, die

zoo als gij weten moet, een arm verlaten, onecht kind, door hem

aangenomen en als zijn eigen zoon behandeld werd, tot ik het waagde

door mijne dwaasheid mij zijn toorn op den hals te halen! Ja! Ik heb

het wel verdiend, en ik zal nooit de ondankbaarheid hebben om te

zeggen, dat hij mij onregtvaardig behandeld heeft. Neen, ik verdiende

de deur uitgezet te worden, gelijk mij overkomen is. En nu, jufvrouw,”

voegde hij er bij, „geloof ik niet, dat ge ’t afkeuren zult dat ik

dienst wil nemen;—vooral daar ik geen ander vermogen heb dan dit hier

op zak!” En met deze woorden liet hij zijne beurs zien, waarin slechts

zeer weinig overbleef, en wat de waardin nog minder toescheen.

De goede vrouw was, zoo te zeggen, als door den donder getroffen door

dit verhaal. Zij antwoordde hem dus heel koel: „Dat de menschen zeker

zelve het best weten moeten wat hun voegt,—maar luister eens!” riep

zij: „Ik geloof dat ik geroepen word! Ja, ja! Ik kom! De drommel zal

die dienstboden halen;—geen mensch schijnt iets te hooren! Ik moet naar

beneden! Als gij nog meer ontbijt noodig hebt, zal de meid het wel

boven brengen. Ja! Ik kom!”

En hiermede, zonder te groeten, stoof zij de kamer uit; want menschen

uit de lagere volksklasse geven zeer veel om uiterlijke eerbewijzen, en

hoewel zij die gaarne voor niet schenken aan personen van hoogen stand,

zorgen zij wel ze niet te verspillen aan huns gelijken, zonder ruim

daarvoor betaald te worden.

Tom Jones · 第 136 / 340 题