EEN VERBAZEND LANG HOOFDSTUK OVER HET WONDERBAARLIJKE;—VERREWEG HET
LANGSTE INLEIDENDE HOOFDSTUK IN HET GEHEELE WERK.
Daar wij nu een boek beginnen, waarin de loop van ons verhaal ons
noodzaakt om eenige dingen te beschrijven, die vreemder en
wonderbaarlijker klinken dan al wat tot dus ver voorgevallen is, zal
het niet ongepast wezen in ons inleidend hoofdstuk het een en ander te
zeggen van het wonderbaarlijke in het schrijven. Hierin zullen wij ons,
om onzen eigen wil en ook om dien van anderen, eenige perken trachten
te stellen, en inderdaad dit is zeer noodzakelijk, daar recensenten [5]
van verschillenden aard geneigd zijn ten dezen opzigte tot
verschillende uitersten te vervallen. Want terwijl sommigen, met
Dacier, gereed zijn toe te geven, dat iets, al is het onmogelijk, toch
soms waarschijnlijk kan wezen, hebben anderen zoo weinig historisch of
dichterlijk geloof, dat zij niets voor mogelijk of waarschijnlijk
houden, dat zijn weerga niet heeft in hetgeen door hen zelven opgemerkt
is.
Ten eerste dan, komt het mij voor, dat men redelijker wijze, van
iederen schrijver verwachten mag, dat hij binnen de grenzen van het
waarschijnlijke blijve, en dat hij zich steeds herinnere, dat het
naauwelijks mogelijk is voor den mensch te gelooven, dat een ander
mensch het onmogelijke zou kunnen verrigten. Deze overtuiging schonk
welligt het aanzijn aan vele verhalen omtrent de Heidensche goden,—van
welke de meesten eene dichterlijke afkomst hebben; want de dichter, die
aan eene weelderige en buitensporige verbeelding den teugel wilde laten
schieten, nam zijne toevlugt tot eene magt, van welker uitgebreidheid
zijne lezers niets wisten, of liever, welke zij voor oneindig groot
hielden, en dus niet schrikten, welke wonderen er ook van verhaald
werden. Hierin heeft men eene krachtige verdediging gezocht voor de
wonderen van Homerus, en het is welligt eene degelijke verdediging,—en
volstrekt niet zoo als de heer Pope wilde doen gelooven,—namelijk dat
Ulysses eene reeks van onwaarheden aan de Feniciërs opdischte, omdat
die een dom volk waren;—maar veeleer wijl de dichter zelf zong voor
Heidenen, bij wie de dichterlijke fabelen tot het geloof behoorden. Wat
mij zelven betreft, ik beken dat ik zoo medelijdend van aard ben, dat
ik wenschte dat Polyphemus zich tot zijne melkkost bepaald en zijn oog
behouden had; en Ulysses zelf kon niet bedroefder zijn dan ik toen
zijne makkers in zwijnen veranderd werden door Circé,—die, naar het mij
voorkomt, te veel op had met menschenvleesch, dan dat men
veronderstellen zou, dat zij lust gevoelde het in spek te veranderen.
Ik wenschte ook van ganscher harte, dat Homerus het voorschrift van
Horatius had kunnen kennen, om slechts zoo zelden mogelijk
bovennatuurlijke wezens te laten optreden. Wij zouden dan niet gezien
hebben hoe zijne Goden op nietsbeteekenende boodschappen uitgezonden
worden, en zich dikwijls zoo gedragen, dat zij niet slechts alle
aanspraken op onzen eerbied verbeuren, maar ook het voorwerp van spot
en verachting worden. Een dergelijk gedrag moet het geloof van een
vromen en verstandigen Heiden gekrenkt hebben, en is niet te
verdedigen, tenzij door eene veronderstelling, waartoe ik soms overhel,
namelijk dat de ongetwijfeld voortreffelijke dichter voornemens was het
bijgeloof van zijne eigene eeuw en van zijn eigen vaderland
belagchelijk te maken.
Maar ik heb te lang uitgeweid over eene leer, die geen
christen-schrijver ooit baten kan; want daar hij in geen zijner werken
eenige van die hemelsche wezens kan invoeren, die tot zijn geloof
behooren, is het verschrikkelijk kinderachtig om de Heidensche
godenleer te doorsnuffelen, ten einde Godheden te zoeken, die sedert
lang van hunne onsterflijkheid beroofd zijn.
Lord Shaftesbury heeft opgemerkt dat niets ons zoo koud laat als het
aanroepen der Muze door een hedendaagschen dichter. Hij had er bij
kunnen voegen, dat niets bespottelijker kan zijn! Heden ten dage kan
men veel sierlijker eene ballade inroepen,—gelijk sommigen zich
verbeelden dat het geval was met Homerus, of een kan bier, zoo als de
dichter Butler deed, en uit dit laatste is welligt meer poëzy geput en
proza ook, dan uit al het vocht van den Hippokreen of den Helicon.
De eenige bovennatuurlijke wezens welke wij heden mogen doen optreden,
zijn de geesten van afgestorvenen; maar ik zou den schrijver raden ook
met deze zeer spaarzaam te werk te gaan. Zij hebben inderdaad veel van
rattenkruid en andere gevaarlijke middeltjes, die slechts met de
uiterste voorzigtigheid te gebruiken zijn. Ik zou ook het optreden
daarvan altijd afraden in die werken, of door die schrijvers, bij wie
een hartelijke lach van den lezer groote ergernis of teleurstelling zou
veroorzaken.
Wat elfen en feeën en dergelijke dwaasheden betreft, van deze spreek ik
met opzet in ’t geheel niet, daar ik niet gaarne paal of perk zou
willen stellen aan de verbazende verbeeldingskracht van die auteurs,
voor welker reusachtige bevatting de grenzen der menschelijke natuur al
te bekrompen zijn; wier werken beschouwd moeten worden als eene nieuwe
schepping, en die dus het volmaaktste regt hebben om te doen wat zij
willen met hetgeen hun toebehoort.
De mensch dan is (tenzij bij zeer buitengewone gelegenheden,) het
verhevenste voorwerp, dat zich voordoet voor de pen van den
geschiedschrijver of dichter, en in het beschrijven zijner handelingen
moet men groote zorg dragen om de vermogens van hem, dien men
beschrijft, niet overdreven voor te stellen.
Wij kunnen ons ook niet alleen door „het mogelijke” regtvaardigen; wij
moeten tevens binnen de perken van het waarschijnlijke blijven. Het is,
geloof ik, een gezegde van Aristoteles,—en zoo niet van hem van een
anderen wijze, wiens gezag even groot zal zijn als hij even oud
geworden is,—„dat het geene verontschuldiging voor een dichter is als
hij iets ongeloofelijks verhaalt, dat het wezenlijk waar is.” Dit moge
welligt het geval zijn met de poëzy, maar men zou het onmogelijk tot
den geschiedschrijver mogen uitstrekken, die de zaken moet opteekenen
zoo als hij ze vindt, al zijn ze zoo buitengewoon van aard dat er niet
weinig historisch geloof vereischt wordt om ze te slikken. Zoodanig was
de ongelukkige onderneming van Xerxes, door Herodotus beschreven, en de
gelukkige togt van Alexander, door Arrianus vermeld. Zoodanig was ook
in latere tijden de zege te Azincourt, door Hendrik V behaald, en de
overwinning van Karel XII van Zweden bij Narva. Al welke voorbeelden,
hoe langer wij er over nadenken, hoe ongeloofelijker ze ons
toeschijnen.
Daar echter dergelijke daadzaken in den loop van het verhaal
voorkomen,—ja, zelfs het belangrijkste deel er van uitmaken,—is het
niet slechts billijk dat de geschiedschrijver ze vermelde, maar het zou
inderdaad onvergeefelijk in hem zijn als hij ze wegliet of veranderde.
Maar er zijn andere feiten van minder belang, en die minder
noodzakelijk zijn, welke, hoe geloofwaardig ook en door getuigenis
ondersteund, desniettemin, om den wille van de ongeloovigheid van den
lezer, aan de vergetelheid prijs gegeven moesten worden. Van dien aard
is, bijvoorbeeld, het merkwaardige verhaal van de geestverschijning van
George Villiers, dat men beter gedaan zou hebben aan Dr. Drelincourt te
schenken, om het spook van mevrouw Veale gezelschap te houden in zijne
verhandeling over den Dood, dan het in zulk een ernstig werk als de
geschiedenis van den opstand in te vlechten.
Wezenlijk als de geschiedschrijver zich maar beperken wilde tot hetgeen
werkelijk gebeurd is, met algeheele verwerping van iedere
omstandigheid, die hoe geloofwaardig ook verhaald, naar zijne
innerlijke overtuiging echter onwaar is, zal hij welligt soms tot het
wonderbaarlijke moeten overgaan, maar nooit tot het ongeloofelijke. Hij
zal dikwerf de verwondering en verbazing van den lezer opwekken, maar
nooit den ongeloovigen haat opwekken, door Horatius vermeld. Het is dus
door tot verdichting over te gaan, dat wij gewoonlijk tegen den regel
zondigen, om nooit de waarschijnlijkheid te verzaken, welke de
geschiedschrijver zelden opgeeft, zonder zijn karakter te verloochenen
en een romanschrijver te worden. Hierin hebben diegenen, welke de
openbare zaken beschrijven, veel voor boven ons, die ons beperken tot
tooneelen van het huisselijk leven. Hunne geloofwaardigheid wordt lang
staande gehouden door de algemeene bekendheid van hetgeen zij
behandelen, en officiële stukken en de onderlinge overeenkomst van vele
schrijvers getuigen ook voor de waarheid in latere eeuwen. Dus gelooft
het nageslacht evenzeer aan het bestaan van een Trajanus en een
Antoninus, als van een Nero en een Caligula, en geen mensch twijfelt er
aan dat dergelijke uitstekend goede en uitstekend slechte menschen eens
de wereld regeerden.
Maar wij, die met bijzondere personen te doen hebben, die in de
donkerste schuilhoeken snuffelen moeten, en voorbeelden van deugd en
ondeugd uit alle hoeken en gaten der wereld te voorschijn moeten halen,
zijn in een veel gevaarlijker toestand. Daar wij geen algemeene
bekendheid, geen met het onze overeenkomend verhaal, geene officiële
stukken hebben, om hetgeen wij geven te staven, betaamt het ons niet
slechts binnen de grenzen der mogelijkheid, maar ook binnen die der
waarschijnlijkheid te blijven, en dit vooral in de schildering van
hetgeen bij uitstek goed en beminnelijk is. Schelmerij en dwaasheid,
hoe buitensporig ook, zullen eerder geloof vinden; want de boosheid van
ons eigen hart versterkt en steunt het geloof ten deze krachtdadig.
Dus zouden wij, welligt, met weinig gevaar, de geschiedenis van Fisher
kunnen verhalen, die, na lang zijn brood verschuldigd te zijn geweest
aan den heer Derby, op zekeren morgen eene ruime gift uit diens handen
ontving, en toen, in de hoop van zich te bemagtigen van al wat nog
overbleef in de geldkist van zijn vriend, zich in een kantoor verborg,
dat door een gang gemeenschap had met het woonhuis van den heer Derby,
in de Tempel. Daar hoorde hij uren achtereen, hoe de heer Derby zich
met eenige vrienden vermaakte op een feestmaal dat hij hun gaf, en
waartoe ook Fisher uitgenoodigd was. Gedurende dezen langen tijd, kwam
geen enkele teedere of dankbare herinnering bij hem op, om hem van zijn
voornemen af te brengen; maar zoodra de arme man zijne vrienden had
zien vertrekken, trad Fisher uit zijn schuilhoek, liep zijn weldoener
zachtjes achterna tot in zijne kamer, en schoot hem door het hoofd. Dit
zal men nog gelooven als de beenderen van Fisher vermolmd zijn even als
zijn hart het was. Ja, men zal welligt zelfs nog willen gelooven dat de
ellendeling een paar dagen later met eenige jonge dames naar den
schouwburg ging, om Hamlet te zien opvoeren, en met een onwrikbaar
gelaat eene der dames hoorde zeggen: (die weinig vermoedde hoe digt zij
bij den persoon was van wien zij sprak) „mijn hemel! als de moordenaar
van den heer Derby nu tegenwoordig ware!” De schurk toonde hij deze
gelegenheid zeker een meer verhard en ongevoelig gemoed dan Nero zelf,
van wien Suetonius zegt dat „de bewustheid zijner schuld hem, dadelijk
na den dood zijner moeder, ondragelijk werd, en dat ook bleef, en de
gelukwenschen der krijgslieden, van den Senaat en van het volk, zijn
gewetensangst niet tot bedaren konden brengen.”
Wanneer ik daarentegen den lezer vertelde, dat ik een man gekend had,
wiens helder verstand hem in staat gesteld had een vermogen te
verwerven op eene wijze, die hij zelf ontdekte, en die in het begin
niets scheen te beloven;—dat hij dit gedaan had zonder eenigen smet op
zijne eerlijkheid, en niet slechts zonder iemand te benadeelen of te
kort te doen, maar tot groot voordeel van den handel en tot verbazende
vermeerdering van ’s lands inkomsten;—dat hij één gedeelte van de
renten van zijn vermogen besteedde aan werken van den zuiversten smaak,
waarin de meeste waardigheid met de reinste eenvoudigheid gepaard ging,
en een ander gedeelte zijner inkomsten door eene bovenmenschelijke
goedheid ten toon te spreiden in weldaden, aan menschen besteed, die
geene andere aanbeveling hadden dan hunne verdiensten of hunne
behoeften;—dat hij ijverig was in het opsporen van verdienstelijke
armen ten einde hen bij te staan, en dan even bezorgd (welligt al te
bezorgd), om hetgeen hij gedaan had geheim te houden;—dat zijn huis,
zijne meubelen, zijne tafel, zijne tuinen, zijne huisselijke
gastvrijheid, en zijne openbare mildheid, allen gekenmerkt waren door
den geest van welken ze een uitvloeisel waren,—dat ze alle innerlijk
rijk en edel waren, zonder valschen opschik, of uiterlijk vertoon; dat
hij elken pligt van het leven met de grootste naauwgezetheid beoefende,
dat hij opregt godsdienstig was jegens zijn Schepper; ijverig en
getrouw voor zijn koning; een teeder echtgenoot, een liefderijke
bloedverwant, een milde beschermer, een vurige en standvastige vriend,
een verstandige en opgeruimde makker, toegevend voor zijne dienstboden,
gastvrij voor zijne buren, en welwillend voor alle menschen. Wanneer ik
waagde bij dit alles te voegen de namen van wijs, dapper, sierlijk, in
één woord, elke goede hoedanigheid, die onze taal weet uit te drukken,
dan zou ik zeker kunnen zeggen:
„—Quis credit? nemo, Hercule! nemo;
Vel duo, vel nemo.”
En toch ken ik iemand, die aan deze beschrijving beantwoordt. Maar één
enkel voorbeeld (en een tweede ken ik niet), is niet genoeg om ons te
regtvaardigen, als wij voor duizenden schrijven, die nooit van dien
persoon gehoord hebben, of van iemand die op hem geleek. Zulke rarae
aves moeten overgelaten worden aan de vervaardigers van grafschriften,
of aan den een of anderen dichter, die zich verwaardigen wil hem in een
paar regels te bezingen, of eventjes, met een schijn van achteloosheid
en als zonder opzet, een rijmpje op hem slaat, zonder den lezer te
ergeren.
Eindelijk, moeten de handelingen altijd zijn niet slechts binnen het
bereik der menschelijke vermogens,—en zoodanige, die de menschelijke
vermogens waarschijnlijk kunnen verrigten, maar ze moeten
waarschijnlijk schijnen in de menschen en karakters die ze uitvoeren.
Want hetgeen slechts verbazend en verwonderlijk is bij den één, kan
onwaarschijnlijk, of zelfs onmogelijk worden bij den andere.
Dit laatste vereischte is hetgeen de dramatische recensenten
„karakterteekening” noemen en vordert buitengewoon veel oordeel en eene
zeer naauwkeurige kennis der menschelijke natuur.
Het wordt zeer te regt opgemerkt door een uitstekenden schrijver, dat
de drift een mensch evenmin brengen kan tot eene daad, die met zich
zelve in strijd is, als een sterke stroom een vaartuig tegen den stroom
kan doen zwemmen. Ik waag het te zeggen, dat een man die handelt in
strijd met de ingevingen zijner natuur, zoo niet het onmogelijke, dan
toch het onwaarschijnlijke en wonderbaarlijke verrigt. Als men de beste
gedeelten van de geschiedenis van Marcus Antoninus aan Nero toeschreef,
of de slechtste dingen die Nero bedreven heeft, aan Antoninus, zou dat
in beide gevallen ongeloofelijk schijnen; terwijl ze, van diegenen van
wie ze werkelijk waar zijn, verhaald, niet meer dan wonderbaarlijk
zijn.
Onze hedendaagsche tooneelschrijvers hebben bijna algemeen de hier
aangewezene dwaling begaan:—hunne helden zijn gewoonlijk bekende
schelmen en hunne heldinnen losbandige sletten gedurende de vier eerste
bedrijven; maar in het vijfde worden zij zeer waardige heeren en de
meest deugdzame en zedige vrouwen; terwijl de schrijver zelden de
goedheid heeft zich de minste moeite te geven om deze monsterachtig
ongerijmde verandering te verklaren. Men kan er ook inderdaad geene
andere reden voor geven, dan—dat het tooneelstuk ten einde loopt; alsof
het niet minder natuurlijk ware voor een schelm om berouw te krijgen in
het laatste bedrijf van een tooneelstuk, dan in het laatste bedrijf van
zijn leven; bij voorbeeld, zoo als wij dikwijls zien onder de galg,
waarmede sommige drama’s zeer welvoegelijk eindigen zouden, daar de
helden er van gewoonlijk uitmunten juist in die gaven, welke de
menschen niet slechts tot de galg brengen, maar hen ook in staat
stellen om daar eene heldhaftige rol te spelen.
Buiten en behalve deze weinige beperkingen dan houd ik het er voor dat
men aan iederen schrijver de vrijheid moest laten om zoo veel hij
verkiest van het wonderbaarlijke gebruik te maken. Ja, als hij zich
maar aan de regelen van het geloofwaardige houdt, hoe meer hij den
lezer verrassen kan, des te meer zal hij zijne aandacht boeijen en
bekoren. Zoo als een groot genie opmerkt: „De groote kunst in alle
poëzy is waarheid met verdichting ineen te smelten, ten einde het
geloofwaardige met het verrassende te vereenigen.”
Want hoewel ieder degelijke schrijver zich binnen de grenzen der
waarschijnlijkheid beperken zal, is het daarom volstrekt niet noodig
dat zijne karakters, of zijne handelingen, vervelend, gemeen, of
overbekend zijn, zoo als men er in elk huis en elke straat ziet, of zoo
als men vindt onder de „Binnenlandsche Berigten” in elke courant.
Men moet hem ook niet verbieden vele personen en zaken te laten zien,
die welligt aan de meerderheid zijner lezers onbekend zijn. Als de
schrijver maar streng de regels opvolgt, die hier boven vermeld zijn,
heeft hij het zijne gedaan, en mag daar eenig geloof van zijn lezer
eischen, die, inderdaad, zich aan kritisch ongeloof schuldig maakt, als
hij hem niet vertrouwt.
Uit gebrek aan geloof van dien aard, herinner ik me dat de rol van eene
jonge dame van hoogen rang op het tooneel afgekeurd werd als
onnatuurlijk, door een talrijk gehoor van klerken en leerjongens,
hoewel ze reeds goedgekeurd was door vele dames van den hoogsten stand,
waarvan eene, die een uitmuntend verstand bezit, mij verklaard had, dat
die rol een portret was van de helft der jonge dames, die zij kende.