SLOT VAN HET VORIGE AVONTUUR.

Behalve dat de luitenant den armen schildwacht verdacht van geslapen te

hebben, koesterde hij nog een ergere verdenking tegen hem, namelijk,

dat hij zich aan ontrouw schuldig gemaakt had; want terwijl hij geen

woord geloofde van het verhaal omtrent de verschijning, verbeeldde hij

zich dat het alles bedacht was ten einde hem te bedriegen, en dat de

soldaat wezenlijk door Northerton omgekocht was, om hem te laten

ontsnappen. Dit scheen te waarschijnlijker, daar de angst hem zeer

onnatuurlijk voorkwam bij iemand, die den naam had van een der

dapperste mannen van het geheele regiment te zijn, die meermalen in het

vuur was geweest, verscheidene wonden ontvangen had, en in één woord,

zich steeds met de meeste dapperheid gekweten had.

Ten einde den lezer te beletten een verkeerd denkbeeld op te vatten

omtrent zoo iemand, zullen wij er dadelijk toe overgaan, om hem van

allen blaam te zuiveren.

Wij hebben reeds gezegd dat de heer Northerton ruimschoots voldaan was

met den roem welken hij in deze zaak behaald had. Hij had ook welligt

ondervonden, of gehoord, of gegist, dat de nijd den roem steeds

vergezelt. Niet dat ik hier te kennen geven wilde, dat hij als een

echte Heiden geneigd was aan de Godin Nemesis te gelooven, of haar te

aanbidden;—want, ik ben wezenlijk overtuigd, dat hij haar nooit had

hooren noemen. Maar hij was zeer levendig van aard, en gevoelde een

sterken tegenzin in de geslotene winterkwartieren op het kasteel te

Gloucester, waar de regter hem welligt opsluiten zou. Hij was ook niet

geheel vrij van sommige pijnlijke overdenkingen, betreffende zeker

houten stellaadje, dat ik niet noemen wil, uit achting voor de

menschen, die, naar ik me verbeeld, die uitvinding eerder prijzen dan

zich daarover schamen moesten, daar ze van meer nut is, of van meer nut

kon zijn voor de maatschappij, dan bijna elke andere openbare

instelling. Met één woord, om geene verdere redenen voor zijn gedrag op

te sporen, de heer Northerton verlangde reeds dien avond te vertrekken,

en niets bleef hem over dan de wijze te beramen hoe dat gedaan te

krijgen, wat wel eenigzins moeijelijk scheen.

Nu was deze jonge heer, hoewel eenigzins scheef van karakter, volmaakt

regt van gestalte, en daarbij sterk en welgevormd. Zijn gelaat werd ook

door de meeste vrouwen schoon gevonden, want het was gevuld en blozend,

met redelijk schoone tanden. Zulke bekoorlijkheden moesten wel indruk

maken op de waardin, die veel ophad met deze soort van schoonheid. Zij

gevoelde ook opregt medelijden met den jongeling, en toen zij van den

heelmeester vernam dat het slecht stond met den vrijwilliger, begon zij

te vermoeden dat het niet best zou afloopen voor den vaandrig. Zij

kreeg dus verlof om bij hem te gaan, en vond hem in eene zeer droevige

stemming, die zij niet weinig verergerde door hem te vertellen, dat er

weinig hoop bestond om den vrijwilliger het leven te redden, waarop zij

hem eenige wenken gaf, welke de andere dadelijk en gaarne begreep, zoo

dat zij elkaar spoedig verstonden, en men eindelijk overeen kwam dat de

vaandrig op zeker teeken wachten zou om in den schoorsteen te klimmen,

die met dien van de keuken ineen liep, waar hij naar beneden kon dalen,

terwijl zij hem de gelegenheid daartoe zou geven, door daar ruim baan

voor hem te houden.

Opdat onze lezers echter, die in karakter van haar verschillen, niet

deze gelegenheid onbedachtzaam te baat nemen om alle medelijden als

dwaasheid te veroordeelen, wijl het der menschelijke zamenleving zeer

nadeelig kan zijn, moeten wij nog eene andere bijzonderheid vermelden,

welke, mogelijk, ook iets tot deze zaak bijdroeg. De vaandrig bezat

toevallig op dit oogenblik de som van vijftig pond sterling, welke

echter aan de kompagnie toebehoorde; want de kapitein, die twist had

met den luitenant, had de betaling van de kompagnie aan den vaandrig

opgedragen. Hij vond evenwel goed dit geld in handen der waardin te

stellen, welligt bij wijze van borgstelling dat hij later terug komen

zou, om op alle beschuldigingen tegen hem ingebragt, te antwoorden;

maar, onder welke voorwaarde ook, zeker is het, dat zij het geld en dat

de vaandrig zijne vrijheid kreeg.

De lezer zal welligt verwachten, uit den medelijdenden aard van deze

goede vrouw, dat, toen zij zag hoe de arme schildwacht in arrest gezet

werd voor een feit, waaraan zij wel wist dat hij onschuldig was, zij

ook dadelijk voor hem in de bres sprong; maar, of zij reeds al haar

medelijden uitgeput had, of dat de gelaatstrekken van den soldaat, die

zeer veel verschilden van die van den vaandrig, haar medelijden niet

opwekken konden, wil ik niet beslissen; maar ver van tusschenbeide te

komen, ten behoeve van dezen gevangene, drong zij op zijne

schuldigverklaring aan bij den officier, met opgehevene blikken en

handen betuigende, dat zij, om alles ter wereld, niets zou willen

bijdragen om een moordenaar te helpen ontvlugten.

De rust was nu eindelijk hersteld en de meeste menschen keerden naar

hun bed terug; maar de waardin, die, hetzij uit aangeborene

levendigheid van aard, of uit vrees voor haar tafelzilver, zich niet

geneigd voelde om te slapen, haalde de officieren over, daar zij binnen

een uur op marsch moesten gaan, om dien tijd bij haar te slijten, onder

een glas punch.

Jones was inmiddels wakker gebleven, en had veel van de drukte en het

rumoer in huis gehoord, en was nu nieuwsgierig eenige bijzonderheden

dienaangaande te vernemen. Hij greep dus naar het schellekoord, waaraan

hij minstens twintigmaal vruchteloos trok, want de waardin had het zoo

druk met haar vrolijk gezelschap, dat geen geklep dan het hare hoorbaar

was, en de knecht en de werkmeid, die zamen zaten in de keuken,—want

hij durfde niet alleen opblijven en zij niet alleen naar bed

gaan,—werden hoe langer hoe angstiger naarmate de bel harder luidde, en

bleven, als het ware, op hunne plaatsen vast gespijkerd.

Eindelijk, bij eene gelukkige pauze in het gesprek, bereikte het geluid

der schel de ooren der goede waardin, die dadelijk de stem verhief,

waarop hare beide dienstboden zamen verschenen.

„Jozef,” zei de vrouw, „hoort ge niet dat mijnheer schelt? Waarom gaat

ge niet naar boven?”

„’t Is mijn werk niet,” hernam de knecht, „om op de slaapkamers te

bedienen. Dat is de dienst van Bet!”

„Wat dat betreft,” hernam de meid; „’t is mijne dienst niet bij de

heeren op de slaapkamer te komen. Ik heb het wel eens gedaan, dat is

waar;—maar ik bedank er verder voor om dat ooit weder te doen, nu dat

door Jozef van me gevergd wordt!”

Daar de schel steeds nog luide klonk, geraakte de huisvrouw in blakende

drift, en zwoer dat als de knecht niet dadelijk naarboven ging, zij hem

op staanden voet wegjagen zou.

„Als ge dat wilt doen, jufvrouw,” zeide hij, „kan ik het niet beletten.

Maar ik wil het werk der andere dienstboden niet doen.”

Daarop wendde zich de waardin tot de meid en trachtte haar door

zachtheid over te halen; maar te vergeefs. Bet bleef even

onverbiddelijk als Jozef. Beiden bleven volhouden dat het hun werk niet

was en dat zij het niet wilden doen.

De luitenant begon hier te lagchen en zeide: „Kom, ik zal maar een

einde aan dezen twist maken!” en zich daarop tot de dienstboden

wendende, roemde hij hunne standvastigheid, dat zij bij hun gevoelen

bleven; maar voegde er bij, dat hij overtuigd was, dat als de eene

ging, de andere hem vergezellen zou. Dit voorstel werd dadelijk

aangenomen; zij gingen dus zeer vriendschappelijk en digt naast elkaar

naar boven. Zoodra zij weg waren, bragt de luitenant den toorn der

waardin tot bedaren, door haar uit te leggen om welke reden zij

ongeneigd waren alleen te gaan.

Zij keerden spoedig terug en meldden aan hunne meesteresse dat de zieke

mijnheer, verre van dood te zijn, even krachtig scheen als een gezond

mensch en de complimenten zond aan den luitenant, met beleefd verzoek

dat hij hem bezoeken wilde voor zijn vertrek.

De goede luitenant voldeed dadelijk aan dezen wensch en plaats nemende

naast zijn bed, beschreef hij hem het tooneel dat beneden in huis

voorgevallen was, eindigende met zijn vast besluit te kennen te geven,

om de schildwacht zeer streng te straffen.

Hierop maakte hem Jones met de geheele waarheid bekend, en smeekte hem

ernstig den armen soldaat niet te straffen, „die,” zeide hij, „daarvan

ben ik overtuigd, even onschuldig is aan de ontvlugting van den

vaandrig als aan eenige onwaarheid of poging ten deze om u te

bedriegen.”

De luitenant aarzelde een oogenblik en hernam daarop:

„Nu dat gij hem van een gedeelte der beschuldiging vrij gepleit hebt,

zal het onmogelijk wezen hem van het overige te overtuigen, daar hij de

eenige schildwacht heden avond niet geweest is. Maar ik heb grooten

lust den schelm voor zijne lafhartigheid te straffen. Evenwel, wie kan

de uitwerking van de vrees op zulk een verstand als het zijne, nagaan?

En werkelijk, vóór den vijand, heeft hij zich steeds goed gehouden. Kom

aan! Het is goed als men eenig blijk van godsdienstigheid bij deze

soort van menschen ziet;—dus beloof ik u dat hij in vrijheid gesteld

zal worden zoodra wij van hier afmarscheren. Maar, luister! Daar slaat

het appel! Laat me u nog eenmaal omhelzen, waarde jongen! Ge moet u

niet opwinden of ongerust worden; maar de christelijke deugd van geduld

beoefenen, en ik sta u borg, dat ge spoedig in staat zult wezen om u

regt te verschaffen en u op eene eervolle wijze te wreken op den kerel

die u beleedigd heeft.”

De luitenant vertrok met deze woorden en Jones trachtte wat rust te

nemen.

Tom Jones · 第 132 / 340 题