DE AVONTUREN VAN EEN TROEP SOLDATEN.

De waard plaats genomen hebbende vlak tegenover de deur van de kamer,

besloot om er den geheelen nacht op de wacht te blijven. De gids en een

ander mensch deelden de dienst met hem een heelen tijd, zonder echter

zijne verdenkingen te kennen, of er zelve eenige te koesteren. Hunne

wacht eindigde echter door dezelfde oorzaak, waardoor ze begonnen was,

namelijk door de sterkte en goede kwaliteit van het bier, waarvan zij

eene groote hoeveelheid dronken, die hen eerst luidruchtig en druk

maakte, en hen later in slaap wiegde.

Maar geen drank was bij magte om den angst van Robert te verdrijven.

Hij bleef dus steeds wakker op zijn stoel, met de oogen onwrikbaar

gevestigd op de deur, leidende naar de kamer van den heer Jones, tot

een hevig geklop op de huisdeur hem van zijne zitplaats deed opstaan,

en hem noodzaakte om open te doen,—wat pas geschied was, toen de keuken

opgevuld werd met heeren in roode rokken, die even onstuimig op hem

aandrongen, als of zij voornemens waren zijne kleine veste te

bestormen.

De waard moest nu zijn post verlaten, ten einde zijne talrijke gasten

van bier te voorzien, dat zij met veel ongeduld eischten, en toen hij

ten tweeden of derden male uit den kelder terug keerde, zag hij den

heer Jones voor het vuur staan te midden der soldaten; want men zal wel

willen gelooven, dat de aankomst van zoo veel goed gezelschap een einde

moest maken aan elken slaap, behalve dien, waaruit de laatste bazuin

ons opwekken zal.

Het gezelschap nu zoo wat genoeg gedronken hebbende, bleef er niets

over dan de rekening te betalen, eene zaak, welke dikwerf veel

ontevredenheid en last veroorzaakt onder menschen van den minderen

stand, die er veelal groot bezwaar in vinden om de juiste som voor

iedereen te bepalen, op de meest billijke wijze,—die eischt dat

iedereen naar verhouding van zijne vertering betalen zal. Dit bezwaar

deed zich bij deze gelegenheid ook voor, en was des te grooter omdat

sommige heeren in de groote haast, na den eersten dronk vertrokken

waren, en geheel vergeten hadden iets bij te dragen tot betaling der

rekening.

Er ontstond nu een hevige twist, waarin men zeggen kan, dat elk woord

sterk bekrachtigd werd, daar het getal vloeken ten minste gelijk stond

met het aantal andere woorden die uitgebraakt werden. Bij dezen twist

spraken alle menschen door elkaar en iedereen scheen er op gesteld te

zijn de som te verminderen welke hij betalen moest, zoodat het

waarschijnlijkste einde dat te voorzien was, bleek te zijn, dat een

groot gedeelte van de rekening ter betaling van den waard zou

overblijven, of (wat op het zelfde nederkwam) niet betaald zou worden.

Inmiddels was de heer Jones in een gesprek gewikkeld met den sergeant;

want deze heer bleef geheel buiten den twist, en volgens de gewoonte

sedert onheugelijke tijden, vrij van alle betaling.

De twist werd nu zoo hevig, dat die op het punt scheen van door de

wapenen te zullen worden beslist, toen Jones voor trad en dadelijk het

rumoer deed bedaren door te verklaren dat hij zelf de geheele rekening

zou betalen, die inderdaad niet meer dan drie shillings en eenige

stuivers bedroeg.

Deze verklaring verschafte Jones de dankbetuigingen en lofspraken van

het geheele gezelschap. Hij heette: „Een edele, grootmoedige, echte

gentleman,” en zelfs de waard begon een gunstiger denkbeeld omtrent hem

te koesteren en bijna te twijfelen aan hetgeen de gids van hem verteld

had.

De sergeant had den heer Jones verteld dat zij op marsch waren tegen de

rebellen, en dat zij waarschijnlijk aangevoerd zouden worden door den

beroemden hertog van Cumberland. Hieruit zal de lezer zien (wat wij

vroeger verzuimden mede te deelen), dat dit alles voorviel ten tijde

toen de opstand ten gunste der Stuarts op zijn gevaarlijkst was, en

inderdaad, de rooverbenden drongen nu uit Schotland in Engeland door,

naar men meende, met het voornemen om ’s konings leger aan te vallen en

tot de hoofdstad door te trekken.

Jones had iets krijgshaftigs in zijn karakter en was een hartelijke

voorstander van de roemrijke zaak der vrijheid en der protestantsche

leer. Geen wonder dus, dat in omstandigheden, welke een veel

romantischer en dolzinniger onderneming gewettigd zouden hebben, de

gedachte bij hem opkwam om als vrijwilliger aan dezen togt deel te

nemen.

De bevelvoerende onderofficier had alles gezegd wat hij bedenken kon om

deze loffelijke neiging aan te moedigen, zoodra hij zich verzekerd had

dat ze bestond. Thans maakte hij het edele besluit van Jones luide

bekend, dat ook met groot genoegen door het geheele gezelschap gehoord

werd, terwijl allen riepen: „Leve de koning! Leve mijnheer!” en met

vele vloeken er bij voegden: „Wij zullen u tot in den dood volgen!”

Een andere mijnheer die den heelen avond in de herberg had zitten

drinken, werd door den korporaal overgehaald om het handgeld aan te

nemen en om den togt mede te maken, en nu werd het reisvaliesje van den

heer Jones op den bagagewagen geworpen en de troepen wilden zich juist

in beweging stellen, toen de gids, Jones naderende, zeide:

„Mijnheer, ik hoop dat ge niet vergeten zult dat de paarden den heelen

nacht uitgebleven zijn, en dat wij een grooten omweg hebben moeten

maken!”

Jones stond verstomd over dezen onbeschaamden eisch, en legde de zaak

aan de soldaten uit, die zich eenparig tegen den gids verklaarden, die

het waagde een fatsoenlijk man te willen opligten. Sommigen zeiden dat

hij verdiende krom gesloten te worden; anderen wilden hem door de

spitsroeden doen loopen: en de sergeant zwaaide zijn stok tegen hem en

wenschte dat hij hem maar onder zijne orders had, met een krachtigen

vloek verklarende, dat hij hem tot een voorbeeld zou stellen.

Jones vergenoegde zich echter met eene negatieve bestraffing, en trok

op met zijne nieuwe kameraden, aan den gids de armzalige wraak latende,

om hem te verwenschen en uit te schelden,—aan welk laatste de waard ook

deel nam, zeggende:

„Ja, ja! ’t Is me er een! Daar sta ik borg voor! Een lieve jongen, dat

is waar, om soldaat te worden! Ja, ja, hij moet maar een mooijen rok

dragen! ’t Is een oud woord en een waar woord, „dat het niet alles goud

is, wat er blinkt!” Ik ben blijde dat ik hem hier uit het huis kwijt

ben!”

Dien geheelen dag marscheerden de sergeant en de nieuwe soldaat zamen;

en de eerste, die een slimme guit was, vertelde hem vele vermakelijke

avonturen uit zijne veldtogten, hoewel hij er eigenlijk geene beleefd

had; want hij was slechts onlangs in dienst getreden, en had zich, door

zijne behendigheid, zoodanig in de gunst zijner officieren aanbevolen,

dat hij sergeant was geworden, voornamelijk wegens zijne verdiensten in

het rekruteren, waarin hij ook wezenlijk uiterst bedreven was.

Op marsch waren de soldaten buitengewoon vrolijk en opgeruimd; zij

herdachten de vele avonturen in hunne laatste kwartieren, en iedereen

bespotte, met de meeste vrijmoedigheid, zijne officieren, met grappen

die niet fijn van aard waren en niet veel van lastertaal verschilden.

Dit herinnerde onzen held aan de gewoonte van welke hij gelezen had

onder de Grieken en Romeinen, die, bij zekere feestelijke en plegtige

gelegenheden den slaven de vrijheid vergunden om op de meest

ongedwongene wijze tot hunne meesters te spreken.

Het kleine leger, uit twee kompagniën infanterie bestaande, bereikte

eindelijk de plaats waar men overnachten zou en de sergeant meldde nu

aan den luitenant, die het bevel voerde, dat zij den vorigen dag op

marsch nog twee kerels opgeloopen hadden, één van welke (bedoelende den

dronkaard) een der knapste menschen was die hij ooit gezien had, want

hij was bijna zes voet lang, welgemaakt en krachtig, terwijl de andere

(Jones bedoelende) heel goed was voor het tweede gelid.

De rekruten werden nu aan den officier voorgesteld, die den zesvoeter

bekeken hebbende, welke hem eerst gebragt werd, zich daarna tot Jones

wendde; op het eerste gezigt van dezen kon de luitenant echter niet

nalaten eenige verwondering te laten blijken; want behalve dat hij zeer

goed gekleed was en eene natuurlijke fatsoenlijkheid over zich had, was

er iets bijzonder waardigs in zijne houding, wat men zelden vindt onder

het gemeene volk, maar wat inderdaad ook niet onafscheidelijk is van

den rang hunner meerderen.

„Mijnheer,” zei de luitenant, „mijn sergeant vertelt me, dat gij

verlangt dienst te nemen bij de kompagnie, welke ik op het oogenblik

onder mijne bevelen heb;—als dat nu waar is, zullen wij zeer blijde

zijn een heer daarin op te nemen, die de kompagnie eer zal aandoen door

zich bij haar in te laten lijven.”

Jones hernam, „dat hij er volstrekt niet aan gedacht had dienst te

nemen; dat hij echter vurig gehecht was aan de goede zaak voor welke

zij gingen strijden, en dat het zijn wensch was als vrijwilliger mede

te gaan.” Hij eindigde met eenige beleefde woorden aan den luitenant,

waarbij hij zijn genoegen te kennen gaf om onder hem te mogen dienen.

De luitenant beantwoordde zijne beleefdheid op dezelfde wijze, roemde

zijn besluit, gaf hem de hand en noodigde hem uit om met hem en de

overige officieren te eten.

Tom Jones · 第 126 / 340 题