SOPHIA’S EDELMOEDIG GEDRAG TEN OPZIGTE HARER TANTE.

Sophia bewaarde het stilzwijgen gedurende de laatstvermelde redevoering

van haar vader, en antwoordde niet anders dan met een zucht; daar hij

echter de taal der oogen volstrekt niet begreep, kon hij zich niet

tevreden stellen zonder eenige andere goedkeuring zijner gevoelens,

welke hij nu van zijne dochter eischte, haar, op zijne gewone wijze,

vertellende, „dat hij wel wachtte dat zij gereed zou zijn partij tegen

hem te kiezen voor iedereen, zoo als zij altijd gedaan had voor die

verwenschte heks, hare moeder.”

Daar Sophia steeds nog bleef zwijgen, riep hij uit:

„Zijt ge sprakeloos? Waarom spreekt ge niet? Was uwe moeder geene

vervloekte feeks? Antwoord daarop! He! Ge begint uw vader misschien ook

te verachten, en keurt hem niet waardig een woord uit jou mond te

vernemen!”

„In ’s Hemels naam, vader,” hernam Sophia, „geef geene zoo onbillijke

uitlegging aan mijn stilzwijgen! Ik zou liever sterven dan me schuldig

maken aan iets dat oneerbiedig was ten uwen opzigte;—maar hoe zou ik

het wagen den mond open te doen, als elk woord dat ik me liet

ontvallen, òf mijn besten vader moet beleedigen, òf mij zelve schuldig

doen worden aan de zwaarste ondankbaarheid jegens de beste der

moeders;—want, dat weet ik, voor mij is mama dat altijd geweest.”

„En jou tante zal ook zeker de beste der zusters zijn!” hernam de

landjonker. „Zult ge zoo goed wezen te bekennen dat die eene feeks is?

Dat mag ik billijk van u vergen, dunkt me!”

„Wezenlijk, vader,” zei Sophia, „ik heb groote verpligtingen aan tante.

Zij is steeds eene tweede moeder voor mij geweest.”

„En een tweede vrouw voor mij ook!” riep Western. „Dus trekt ge ook

partij voor haar? Ge wilt niet bekennen dat zij, voor ’n zuster, zoo

gemeen mogelijk gehandeld heeft?”

„Op mijn woord, vader,” antwoordde Sophia, „ik zou eene zeer

onvergeefelijke onwaarheid zeggen, als ik dat deed. Ik weet dat gij en

tante in uwe denkwijze zeer verschillen, maar ik heb duizendmaal

gehoord, hoe zij de grootste liefde tot u aan den dag legde, en ik ben

overtuigd, dat verre van de slechtste zuster ter wereld te zijn, er

weinigen zijn, die haren broeder opregter lief hebben dan zij.”

„Wat met ronde woorden zeggen wil,” hernam de landjonker, „dat ik

ongelijk heb! O ja—zeker! Zeker! De vrouw heeft altijd gelijk en de man

steeds ongelijk!”

„Met uw verlof, vader,” zei Sophia, „dat beweerde ik volstrekt niet!”

„Hoe! Zegt ge dat niet?” riep haar vader. „Ge hebt de onbeschaamdheid

vol te houden dat zij gelijk heeft, en volgt niet daaruit dat ik

natuurlijk ongelijk heb? Misschien heb ik ook ongelijk gehad dat ik

zulk eene presbyteriaansche, Hannoverschgezinde heks ooit in mijn huis

duldde. Zij is er best toe in staat mij van hoog-verraad aan te klagen

en al mijne bezittingen in handen van het gouvernement te spelen!”

„Ver van u geldelijk te willen benadeelen, vader,” zei Sophia, „ben ik

overtuigd dat als tante gisteren gestorven ware, zij u haar geheel

vermogen nagelaten zou hebben.”

Of Sophia dit met bedoeling zeide of niet, zal ik niet wagen te

beslissen; maar zeker is het dat haar vader getroffen werd door deze

laatste woorden, welke veel meer uitwerkten dan al wat zij te voren

gezegd had. Zij raakten hem inderdaad zoo wat op dezelfde wijze als een

kogel door het hoofd. Hij schrikte, beefde en verbleekte. Hierop zweeg

hij een oogenblik, en hervatte toen aarzelende, als volgt:

„Gisteren? Zij zou me gisteren haar geheel vermogen nagelaten hebben?

Zou zij dat gedaan hebben? Waarom juist gisteren? Denkelijk dan, als

zij morgen sterft, zal zij het aan iemand anders vermaken en zal het

voor de familie verloren gaan!”

„Tante is zeer driftig van aard, vader,” riep Sophia, „en het is

onmogelijk te voorzien wat zij onder den invloed van den toorn zou

kunnen doen.”

„Zoo! Is dat onmogelijk?” hernam haar vader, „En mag ik weten wie

aanleiding gegeven heeft om haar driftig te maken? Neen! Wie heeft haar

eigenlijk driftig gemaakt? Waart gij niet met haar al aan den gang eer

ik in de kamer kwam? Bovendien, was het niet alleen over u dat wij

kibbelden? Al jaren lang heb ik met zuster geen ruzie gehad dan alleen

over u,—en nu wildet gij de geheele schuld op mij werpen, en het mij

wijten als zij er toe komt haar geld aan vreemden te vermaken! Ik had

ook niets beters van jou moeten wachten! Dat is de vergoeding die ge me

schenkt voor al mijne liefde!”

„Ik smeek u dan,” riep Sophia, „op de knieën smeek ik u, als ik de

ongelukkige aanleiding ben geweest tot dezen twist, om te trachten u

met tante te verzoenen, en niet te dulden dat zij in hevigen toorn

ontstoken dit huis verlaat;—zij is toch zeer goedig van aard en slechts

eenige vriendelijke woorden zijn vereischt om haar te verzoenen! Laat

me u smeeken, vader, dat te doen!”

„Zoo! En moet ik nu gaan vergiffenis vragen voor hetgeen gij misdaan

hebt? Zoo!” riep Western. „Gij hebt het haas verloren en ik moet het

weer gaan opsporen! Maar, als ik zeker was,—”

Hier brak hij af en Sophia, die steeds bleef smeeken, haalde hem

eindelijk over, zoodat, na eenige scherpe, satirieke uitdrukkingen

tegen zijne dochter gerigt te hebben, hij zoo snel mogelijk vertrok, om

zijne zuster, als het kon, te verzoenen eer haar rijtuig ingespannen

was.

Sophia keerde nu naar hare treurige kamer terug, waar zij zich overgaf

(men vergeve mij die uitdrukking), aan al de weelde harer liefdepijn.

Zij las en herlas meer dan eens den brief welken zij van Jones

ontvangen had; de mof kwam ook bij deze gelegenheid weer te voorschijn

en beide voorwerpen, even als zij zelve, baadden in tranen.

In dezen toestand gaf zich de welwillende juffer Honour de meeste

moeite om hare bedroefde meesteresse te troosten. Zij somde de namen

van eene menigte jonge heeren op en na hunne gaven en uiterlijk zeer

geroemd te hebben, verzekerde zij Sophia dat zij daaronder kiezen kon.

Dergelijke middelen moeten zeker dikwijls met goed gevolg in

soortgelijke ongevallen gebruikt zijn, of zulk een kundige praktizijn

als juffer Honour zou nooit getracht hebben ze nu toe te passen;—ik heb

zelfs wel eens gehoord, dat de fakulteit der kameniers ze onder de

onfeilbaarste middelen rekent der geheele vrouwen-apotheek; maar,

hetzij dat Sophia’s ziekte inwendig verschilde van die gevallen, welker

uiterlijke kenmerken ze vertoonde, of om eenige andere reden,—maar

werkelijk deed haar de goede kamenier meer kwaad dan goed, en

vertoornde eindelijk hare meesteresse (wat niet gemakkelijk viel), zoo

zeer, dat zij haar op verontwaardigden toon beval de kamer te verlaten.

Tom Jones · 第 117 / 340 题