De heer Western zijn hoera uitgebulderd hebbende, begon, na adem
gehaald te hebben, zeer aandoenlijk te klagen over den toestand van
mannen, die altijd, volgens hem, gegeesseld worden door de nukken van
de eene of andere verwenschte heks.
„Ik meende,” zeide hij, „dat uwe moeder mij, armen drommel, hard genoeg
viel, maar nu ik haar kwijt ben, komt er nog zoo’n feeks om mij het
leven te verbitteren; maar de drommel zal me halen, als ik me door
welke vrouw ook zóó laat kwellen!”
Sophia had vóór deze ongelukkige zaak met Blifil, nooit eenigen twist
met haar vader gehad, om welke reden ook, behalve tot verdediging harer
moeder, die zij zeer teeder beminde, hoewel zij haar, toen zij pas elf
jaren oud was, verloren had.
De landjonker, voor wien de arme vrouw haar leven lang eene soort van
getrouwe opperste dienstbode was geweest, had haar dat vergolden door
te zijn, wat men in de wereld noemt, een goede echtgenoot. Hij vloekte
zelden tegen haar; hij gaf haar geene reden hoegenaamd tot ijverzucht,
en liet haar vrij over al haren tijd beschikken; want zij werd nooit
gestoord door haar man, die den heelen morgen met zijne landelijke
vermaken bezig was, en den geheelen avond met zijne vrienden bij de
flesch zat. Zij zag hem, inderdaad, zelden anders dan aan tafel, waar
zij het genoegen had die geregten voor te dienen, voor welker
toebereiding zij eerst gezorgd had. Van deze maaltijden verwijderde zij
zich vijf minuten na de overige dienstboden, daar zij alleen bleef
zitten tot men op „den koning, aan genen kant van het Kanaal” [4]
gedronken had. Naar het schijnt, geschiedde dit op bevel van den heer
Western; want het was een stelregel bij hem, dat de vrouwen met den
eersten toast weer heengaan moeten. De gehoorzaamheid aan deze bevelen
viel welligt niet zwaar; want het gesprek aan tafel, (als het dien naam
verdient), was zelden van dien aard, dat eene dame er eenig genoegen
bij smaken kon. Het bestond voornamelijk uit gebrul, gezang,
jagtverhalen, gemeene taal en schelden op de vrouwen en het
gouvernement.
Het was echter alleen bij deze gelegenheden dat de heer Western zijne
vrouw zag; want als hij naar bed ging, was hij gewoonlijk zoo dronken,
dat hij haar niet zien kon, en in het jagtsaizoen stond hij altijd voor
het aanbreken van den dag op.
Zij kon dus vrij over haren tijd beschikken, en had bovendien
gewoonlijk eene koets met vier paarden tot hare orders, ofschoon de
slechte toestand der wegen en der buurt dit laatste voorregt ongelukkig
van zijne meeste waarde beroofde; want niemand, die geen lust had den
nek te breken, zou langs die wegen hebben willen rijden, en niemand,
die eenigen prijs stelde op zijn tijd, had hem in die buurt aan
bezoeken willen verspillen. Om nu den lezer de ronde waarheid te
zeggen, was zij niet zoo dankbaar voor al deze goedheid als men wel had
mogen verwachten;—want zij was, tegen haar zin, door een dwazen vader
uitgehuwd, omdat de verbindtenis, wat haar betrof, eenigzins voordeelig
was, daar Western meer dan twee duizend pond sterling ’s jaars te
verteren had, terwijl haar kapitaal niet meer dan acht duizend pond
bedroeg.
Vandaar was zij eenigzins somber van aard geworden; want zij was eerder
eene uitmuntende dienstbode dan eene goede echtgenoote, en niet
dankbaar genoeg, om zelfs met een vriendelijken glimlach de brullende
vreugde te beantwoorden, waarmede zij door haar man soms ontvangen
werd. Bovendien bemoeide zij zich wel eens met dingen, die haar niet
aangingen,—zooals het drinken van haar man, wat zij, bij sommige der
weinige gelegenheden, die zij daartoe vond, hem op de meest
zachtaardige wijze verweet. Eens in haar leven ook, had zij hem ernstig
gesmeekt haar een paar maanden in Londen te laten doorbrengen, wat hij
kort af weigerde; ja, hij verweet zijne vrouw dat verzoek steeds; daar
hij de innige overtuiging had dat alle mannen in Londen door hunne
vrouwen bedrogen worden.
Om deze laatste en vele andere dergelijke redenen, eindigde Western er
mede zijne vrouw van ganscher harte te haten, en daar hij dezen haat
vóór haar dood nooit verborg, vergat hij hem ook nooit later; maar als
iets hem uit zijn humeur bragt, zoo als een slechte dag op de jagt, de
ziekte zijner honden, of eenige ramp van dien aard, gaf hij zich altijd
lucht door de overledene uit te schelden, er bij voegende: „Als mijne
vrouw nog leefde, zou haar dat pleizier doen!”
Hij was er bijzonder op uit deze smaadredenen in Sophia’s bijzijn te
uiten; want daar hij haar wezenlijk meer dan alles ter wereld lief had
was hij ook werkelijk ijverzuchtig en vreesde hij dat zij meer van hare
moeder dan van hem gehouden had. En Sophia bleef bij zulke gelegenheden
zelden in gebreke om zijne ijverzucht te verhoogen; want hij was niet
tevreden met hare ooren te kwetsen met de scheldnamen waarmede hij hare
moeder overlaadde; maar hij trachtte haar eene stilzwijgende
goedkeuring daarvan af te persen,—een wensch echter, welker vervulling
hij noch door beloften, noch door bedreigingen van haar verkrijgen kon.
Sommige mijner lezers zullen zich nu verwonderen, welligt, dat Western
Sophia niet evenzeer haatte als hare moeder; maar ik moet in bedenking
geven, dat de haat geen gevolg der liefde is,—zelfs waar er ook
ijverzucht bestaat. Het is, inderdaad, zeer mogelijk dat een
ijverzuchtig mensch het voorwerp zijner ijverzucht zou dooden;—maar
niet daarom haten. Daar dit gevoelen nu een tamelijk zware brok is, en
eenigzins paradox luidt, zullen wij het den lezer aan het einde van dit
hoofdstuk overlaten, om er rijpelijk over na te denken.