BEVATTENDE VERSCHEIDENE GESPREKKEN.

Den morgen van het vertrek van den heer Jones, riep mejufvrouw Western

Sophia op hare kamer, en na haar eerst gemeld te hebben, dat zij haar

vader overgehaald had haar weder in vrijheid te stellen, begon zij met

haar eene lange les te lezen over het huwelijk, hetwelk zij volstrekt

niet beschouwde als eene romantische liefde-zaak, gelijk de dichters

het beschrijven; zij sprak ook niet van eenige van die doeleinden van

het huwelijk, volgens welke de godgeleerden het ons leeren aanzien als

eene goddelijke instelling; maar zij behandelde het veeleer als eene

geldbelegging, waarin voorzigtige vrouwen haar vermogen met het meeste

voordeel uitzetten, om zoodoende grootere renten te trekken dan anders

het geval zou wezen.

Zoodra jufvrouw Western gedaan had, hernam Sophia, „dat zij buiten

staat was te redeneren tegen eene dame die zoo veel kennis en

ondervinding bezat als hare tante, vooral over een onderwerp als het

huwelijk, waarover zij zoo weinig nagedacht had.”

„Tegen mij redeneren, kind!” hernam de andere; „neen, dat had ik niet

verwacht! Ik zou waarlijk weinig nut van mijne wereldkennis hebben, als

ik niet tegen iemand van uw leeftijd bestand was. Ik heb me al die

moeite gegeven, alleen om u te believen. De oude wijsgeeren, zoo als

Socrates, Alcibiades en anderen, plagten niet met hunne leerlingen te

redeneren. Gij moet mij beschouwen, kind, als een Socrates, die niet

naar uw gevoelen vraagt, maar u alleen het mijne mededeelt.”

Uit welke woorden de lezer welligt opmaken zal, dat de dame niet meer

van de wijsbegeerte van Socrates dan van Alcibiades wist,—en inderdaad,

wij kunnen hem op dit punt moeijelijk tegenspreken.

„Tante,” riep Sophia, „ik heb nooit gewaagd uw gevoelen tegen te

spreken, en over dit onderwerp, gelijk ik straks zeide, heb ik nooit

nagedacht, en zal dit welligt ook nooit doen.”

„Wezenlijk, Sophia,” hernam hare tante, „het is zeer dwaas aldus

tegenover mij te veinzen. De Franschen zullen me even gemakkelijk

overtuigen, dat zij er op uit zijn in den vreemde steden te veroveren,

alleen uit zelfverdediging, als gij me kunt wijs maken, dat gij nooit

ernstig over het huwelijk nagedacht hebt. Hoe kunt gij, kind, volhouden

met te loochenen dat gij ooit aan eene dergelijke verbindtenis gedacht

hebt, terwijl ge zeer goed weet, dat mij de persoon best bekend is, met

wien ge u hebt willen vereenigen? Dat zou echter eene verbindtenis

zijn, die even onnatuurlijk en in strijd met uwe belangen ware, als een

afzonderlijk verbond van de Hollanders met de Franschen in hun nadeel

zou wezen! Als gij echter nog niet rijpelijk over deze zaak nagedacht

hebt, dan zeg ik u, dat het hoog tijd wordt dat gij dat doet; want mijn

broeder heeft vast besloten de zaak met den heer Blifil zijn beslag te

geven,—en ik zelve heb me eenigzins verantwoordelijk gesteld en uwe

toestemming beloofd.”

„Wezenlijk, tante,” riep Sophia, „dit is het eenige geval waarin ik u

en mijn vader niet gehoorzamen kan. Want het eischt slechts weinig

overleg van mijn kant om dit huwelijk af te slaan.”

„Als ik niet even wijsgeerig was als Socrates zelf,” hernam hare tante,

„zoudt ge mijn geduld uitputten. Wat ter wereld, kunt gij tegen den

heer Blifil inbrengen?”

„Naar mijn gevoelen, een zeer degelijk iets,” antwoordde Sophia,—„ik

haat hem!”

„Zult ge nooit leeren eene gepaste keuze van woorden te doen?” riep

hare tante. „Wezenlijk, kind, ge moet Bailey’s woordenboek gebruiken.

Het is onmogelijk dat ge iemand haten zoudt, die u nooit iets kwaads

gedaan heeft. Met „haat” bedoelt ge dus niets dan afkeer, wat

hoegenaamd geen bezwaar oplevert om te trouwen. Ik heb menig paar

menschen gekend, die een grooten afkeer van elkaar hadden, en die toch

een zeer gemakkelijk, fatsoenlijk leven leidden. Geloof me, kind, die

dingen ken ik beter dan gij. Ge zult toch, denk ik, wel willen

bekennen, dat ik de wereld van nabij gezien heb, en ik heb er geen eene

kennis, die niet liever had, dat men dacht dat zij een afkeer van haar

echtgenoot had dan andersom. Het tegendeel van dit is zulk

ouderwetsche, romantische onzin, dat het akelig is zelfs er aan te

denken.”

„Maar wezenlijk, tante,” hernam Sophia, „ik zal nooit een man huwen,

voor wien ik afkeer gevoel. Als ik mijn vader beloof nooit zonder zijne

toestemming een huwelijk aan te gaan, dan, dunkt me, dat ik het regt

heb te hopen dat hij mij ook nooit dwingen zal tegen mijn zin te

huwen.”

„Tegen uw zin!” riep de tante met eenige drift. „Tegen uw zin! Uwe

onbeschaamdheid verbaast mij! Een jong meisje van uw leeftijd en

ongehuwd, praat er van om „tegen haar zin” te huwen! Maar wat ook uw

zin zij, mijn broeder heeft zijn besluit genomen, en daar gij van „uw

zin” praat, zal ik hem raden de zaak hoe eerder hoe liever ten einde te

brengen! Uw zin, waarlijk!”

Sophia wierp zich nu op de knieën en de tranen begonnen rijkelijk uit

hare schitterende oogen te vloeijen. Zij smeekte hare tante barmhartig

te wezen en haar niet zoo wreed te straffen, alleen omdat zij onwillig

scheen zich ongelukkig te maken, dikwijls er op aandringende dat de

zaak haar zelve alleen betrof, en dat alleen haar geluk op het spel

stond.

Even als een deurwaarder, die zijn bevel tot arrestatie in handen

heeft, en eenmaal den een of anderen ongelukkigen schuldenaar bemagtigd

hebbende, diens tranen zonder aandoening ziet, terwijl de ellendige

gevangene te vergeefs zijn medelijden tracht op te wekken, en de

teedere echtgenoote, van haar man beroofd, het babbelende jongentje, of

het verschrikte dochtertje aanvoert, om zijn verzet te wettigen,—even

als in weerwil daarvan, de deurwaarder doof en blind voor alle rampen,

zich ver verheft boven alle menschelijkheid en besluit zijn prooi aan

den gevangenbewaarder over te leveren;—zoo ook, even blind en doof voor

Sophia’s smeekingen, had de wijze tante vast besloten het sidderende

meisje in de armen van den stokbewaarder Blifil te voeren. Zij hernam

dus met veel drift:

„’t Is verre van daar, mejufvrouw, dat alleen uwe belangen gemoeid

zijn,—uwe belangen zijn van geen de minste beteekenis in deze zaak. Het

is de eer uwer familie die in deze zaak gemoeid is; gij zijt alleen het

werktuig! Verbeeldt ge u, mejufvrouw, dat bij een staatkundig huwelijk

tusschen twee vorstelijke persoonaadjes; bij voorbeeld, als eene

dochter van Frankrijk in Spanje uitgehuwd wordt, verbeeldt gij u dan

dat de prinses zelve alleen in aanmerking komt? Neen, het is eerder een

huwelijk tusschen twee rijken dan tusschen twee personen. Hetzelfde is

ook het geval in zulke groote familiën als de onze. De verbindtenis

tusschen de twee huizen is de hoofdzaak. Ge moet meer zien op de eer

van uwe familie dan op uwe eigene persoon, en als het voorbeeld eener

vorstin u niet met deze verhevene gevoelens bezielen kan, dan moest ge

u ten minste niet beklagen als men u niet slechter behandelt dan eene

prinses.”

„Naar ik hoop, tante,” zei Sophia met eenige verheffing, „zal ik nooit

iets doen om mijne familie te onteeren; maar wat den heer Blifil

aangaat, wat ook de gevolgen zijn mogen, ik heb besloten niet met hem

te trouwen en geen magt ter wereld zal mij dwingen ten zijnen gunste te

veranderen.”

Western, die het grootste gedeelte van dit gesprek uit de verte gehoord

had, geraakte nu buiten zich zelven van drift; hij stoof de kamer in,

met de meeste woede en riep:

„Wel verd—! Ge zult hem hebben! Verdraaid! Ge zult hem hebben! Ge zult

hem hebben! Ik zeg niets! Verdraaid! Ge zult hem hebben!”

Mejufvrouw Westerns toorn, die door hare nicht opgewekt was, ontlastte

zich nu op den landjonker.

„’t Is toch verwonderlijk, broeder,” riep zij, „dat gij u nu mengen

wilt in eene zaak, die ge aan mijne leiding hadt overgelaten. Achting

voor mijne familie heeft me er toe overgehaald als bemiddelaarster op

te treden, ten einde de gevolgen van die verkeerde opvoeding tegen te

gaan, welke gij aan uwe dochter gegeven hebt. Want, broeder, gij zijt

het,—het is uw bespottelijk gedrag, dat al de goede zaden uitgeroeid

heeft, die ik vroeger in haar kinderlijk hart gestrooid had—”

„Wat drommel!” riep de landjonker, letterlijk schuimbekkende, „gij

zoudt het geduld van den Satan zelven uitputten! Heb ik niet mijne

dochter geleerd gehoorzaam te zijn?—Daar staat zij—spreek maar eerlijk

op, meisje, heb ik jou ooit geleerd ongehoorzaam te zijn tegen mij? Heb

ik niet alles gedaan om u uw zin te geven en om u genoegen te doen, en

om u gehoorzaam te maken? En zij was ook altijd zeer gehoorzaam zoo

lang zij een klein kind was,—eer gij haar onder handen naamt en haar

bedierft door haar het hoofd op hol te brengen met allerlei malle,

hoofsche begrippen! Wel—hm!—ja,—hoorde ik niet zoo op het oogenblik hoe

gij haar zeidet, dat zij zich als eene prinses moest houden? Gij hebt

een Whig van het meisje gemaakt, en hoe zou nu haar vader, of iemand

anders, gehoorzaamheid van haar kunnen verwachten?”

„Broeder,” hernam mejufvrouw Western, met de meeste minachting, „ik kan

u niet zeggen hoe zeer ik al uwe staatkunde, van welken aard ook,

veracht! maar ik zal me ook beroepen op de jonge dame zelve, en haar

vragen of ik haar ooit iets dat op ongehoorzaamheid geleek, geleerd

heb? Integendeel! Heb ik niet getracht, nicht, u een juist denkbeeld te

geven van de verschillende betrekkingen waarin de mensch tot de

zamenleving staat? Heb ik me niet oneindig veel moeite gegeven om u aan

te toonen, dat de wet der natuur het den kinderen tot pligt maakt om

hunne ouders te gehoorzamen? Heb ik u niet verteld wat Plato over dat

onderwerp zegt?—Een onderwerp waaromtrent gij zoo schreeuwend onwetend

waart, toen gij eerst onder mijne hoede kwaamt, dat ik waarlijk geloof,

dat ge niet eens wist welke betrekking er bestond tusschen een vader en

zijne dochter!”

„Dat is gelogen!” brulde Western. „Het meisje is zoo dom niet, dat zij

op den leeftijd van elf jaren niet eens geweten zou hebben, dat zij

eene bloedverwant van haar vader was!”

„O meer dan Gothische onwetendheid!” hernam de dame.—„En wat uwe

manieren aangaat, broeder, moet ik u zeggen, dat men die met een stok

verbeteren moest!”

„Nu, geef mij maar een pak slagen, als ge u daartoe in staat gevoelt!”

riep de landjonker, „en het zou me niet verwonderen, als uwe nicht u

gaarne daarbij helpen zou!”

„Broeder,” hernam mejufvrouw Western, „hoewel ik u onbeschrijfelijk

veracht, verkies ik uwe onbeschoftheid niet langer te verdragen; ik

verzoek dus mijne koets dadelijk te laten inspannen, daar ik me vast

voorgenomen heb heden nog uw huis te verlaten.”

„’t Zal eene gelukkige verlossing wezen!” antwoordde hij. „Als ge

daarmede aankomt, moet ik u zeggen, dat ik ook niet langer uwe

onbeschoftheid kan verdragen! Wat drommel! ’t Is al haast genoeg om

mijne dochter aan mijn gezond verstand te doen twijfelen, als zij ieder

oogenblik hoort hoe gij zegt dat ge me veracht!”

„Twijfelen?” riep de tante;—„het is onmogelijk te twijfelen aan het

verstand van zoo’n boer—”

„Boer!” gilde de landjonker; „ik ben geen boer en geen ezel en ook geen

Hannoversche rot, mejufvrouw! Vergeet dat niet! Ik ben geen rot! Ik ben

een echt Engelschman en geen van dat Hannoversch ongedierte, dat het

volk opvreet!”

„Gij zijt een van die wijze mannen,” riep zij, „wier waanzinnige

begrippen het volk te grond gerigt hebben, door de banden van ons

inwendig bestuur te verzwakken, door onze vrienden te ontmoedigen en

onze vijanden in het buitenland aan te moedigen.”

„O, ge komt weer op uwe politiek terug!” riep de landjonker; „wat die

betreft, ik veracht ze;—ik geef er geen —— om!” En dit laatste woord

liet hij met een gebaar vergezeld gaan, dat best daarbij voegde. Of het

nu dit woord was, of de minachting, welke hij voor haar politiek

uitdrukte, die mejufvrouw Western het meest trof, wil ik niet

beslissen; maar ook zij geraakte in hevige drift, braakte woorden uit,

die niet geschikt zijn om hier herhaald te worden, en stoof dadelijk

het huis uit. Noch haar broeder, noch hare nicht vonden goed haar tegen

te houden, of haar na te loopen; de laatste was te zeer door leed ter

neder geslagen; de eerste zoodanig door toorn overweldigd, dat beiden

zich niet verroeren konden.

Western zond echter zijne zuster hetzelfde geroep achterna, dat de

jager doet hooren als een haas pas door de honden opgejaagd is. Hij

was, inderdaad, zeer bedreven in al deze geluiden en had een

eigenaardige kreet voor bijna elke gebeurtenis van het menschelijk

leven.

Vrouwen, die zooals jufvrouw Western de wereld kennen, en die zich op

de wijsbegeerte en de politiek toegelegd hebben, zouden gebruik gemaakt

hebben van de stemming, waarin de landjonker nu verkeerde, om zijn

verstand op eene listige wijze te roemen, ten koste van zijn afwezigen

tegenstander. Maar hiertoe was Sophia te eenvoudig. Door dit woord

willen wij den lezer volstrekt niet doen gelooven dat zij dom was, wat

gewoonlijk als gelijkluidend met eenvoudig beschouwd wordt;—want zij

was werkelijk een zeer verstandig meisje, met heerlijke geestvermogens,

maar het ontbrak haar aan die nuttige listen, welke de vrouwen tot zoo

vele goede doeleinden in dit leven bezigen, en die daar ze veeleer uit

het hart dan uit het hoofd voortkomen, dikwijls de domste vrouwen eigen

zijn.

Tom Jones · 第 113 / 340 题