BEVATTENDE EEN GESCHIL VAN DEN HEER JONES MET ZICH ZELVEN.

Jones ontving bij tijds den volgenden morgen zijne zaken van den heer

Allworthy, met onderstaand antwoord op zijn brief:

„Mijnheer,

Het is op bevel van mijn oom dat ik u moet mededeelen, dat, daar

hij eerst na rijp overleg en na de overtuigendste blijken uwer

onwaardigheid, tot die maatregelen overgegaan is, welke hij ten

uwen opzigte genomen heeft, het steeds buiten uwe magt zal zijn hem

in het minst van zijn besluit af te brengen. Hij drukt de meeste

verbazing uit over uwe vermetelheid, als gij het waagt te zeggen,

dat gij alle aanspraken opgeeft op eene jonge dame, op wie het

onmogelijk is dat gij ooit eenige aanspraak kondt maken, daar zij,

wat geboorte en vermogen betreft, zoo oneindig ver boven u verheven

is.

Eindelijk, beveelt mij mijn oom u te melden, dat het eenige blijk

van uwe gehoorzaamheid aan zijne wenschen, dat hij eischt, is, dat

gij hoe eerder hoe liever deze omstreken verlaat.

Ik kan dezen brief niet sluiten, zonder de Christelijke raadgeving,

dat gij er ernstig op bedacht moogt wezen om uw levenswandel te

verbeteren, en dat de Goddelijke Genade u hierin moge bijstaan, zal

steeds bidden

Uw gehoorzame dienaar,

W. Blifil.”

Vele tegenstrijdige gevoelens werden door dezen brief in het hart van

onzen held opgewekt; maar eindelijk kreeg de teederheid de bovenhand

boven zijne verontwaardiging en toorn, en een stortvloed van tranen

kwam tijdig ter zijner verligting en belette welligt dat zijne rampen

hem tot waanzin bragten, of hem het hart braken.

Hij begon zich echter weldra te schamen over zijne zwakheid, en

opspringende, riep hij uit:

„Goed dan! Ik zal den heer Allworthy het eenige blijk van mijne

gehoorzaamheid geven, dat hij eischt. Ik zal op dit oogenblik

heengaan;—maar waarheen? Dat moge het lot beslissen! Daar er niemand

is, die er om geeft wat er van mijn ellendige persoon wordt, zal ik

zelf even onverschillig zijn. Zou ik alleen iets over hebben voor

iemand, dien niemand anders,——maar, heb ik geene reden te denken dat er

iemand anders is? Iemand, die mij meer waard is dan de geheele wereld!

Ik mag, ik moet gelooven, dat mijne Sophia niet onverschillig is

omtrent mijn lot. Zal ik dan die eenige vriendin verlaten? En zulk eene

vriendin! Moet ik niet bij haar blijven? Maar waar? Hoe kan ik bij haar

blijven? Heb ik eenige hoop om haar ooit weer te zien,—al verlangde zij

dat zelve evenzeer als ik,—zonder haar aan de woede van haren vader

bloot te stellen? En waartoe? Zou ik er aan denken kunnen haar tot haar

eigen ongeluk over te halen? Zou ik tot zulk een prijs aan mijne

hartstogten botvieren? Zal ik als een dief hier rondsluipen, met

dergelijke voornemens bezield? Neen, ik versmaad, ik veracht die

gedachte! Vaarwel, Sophia, vaarwel, gij schoone, gij beminde—”

Hier smoorde de aandoening zijne woorden en gaf zich lucht in tranen.

En thans, na besloten te hebben die streken te verlaten, begon hij te

overleggen waarheen hij zich begeven zoude. „De wereld,” gelijk Milton

zegt, „lag voor hem open,” en Jones, evenmin als Adam, had iemand tot

wien hij zich om raad of ondersteuning kon wenden. Al zijne kennissen

waren vrienden van den heer Allworthy en hij had geene reden om eenige

hulp van hen te verwachten, nu die heer hem van zijne gunst beroofd

had. Mannen van een groot en goed karakter moeten zeer voorzigtig zijn

in het wegjagen hunner afhangelingen;—want het gevolg daarvan is, dat

zij ook door anderen weggejaagd worden.

Het was een tweede punt van overweging, welke levenswijze hij leiden

moest, of op welk beroep hij zich toeleggen zou,—en ten dien opzigte

was het vooruitzigt allertreurigst. Elk beroep en elk handwerk eischt

veel tijd eer men het uitoefenen kan, en wat nog erger is, ook geld;

want de zaken zijn zoo ingerigt, dat het even waar is in de

staathuishoudkunde als in de natuurkunde, dat, „uit niets, niets

komt,”—en iedereen die geheel en al van geld ontbloot is, is ook, om

die reden, geheel uitgesloten van alle middelen om het te verkrijgen.

Eindelijk opende de oneindige zee, die gastvrije vriendin der

ongelukkigen, de ruime armen om hem te ontvangen, en hij verklaarde

zich dadelijk gereed hare uitnoodiging aan te nemen. Zonder

beeldspraak: hij besloot om zeeman te worden.

Naauwelijks, inderdaad, kwam die gedachte bij hem op, of hij omhelsde

ze driftig en spoedig paarden gehuurd hebbende, vertrok hij naar

Bristol, om ze ten uitvoer te brengen.

Eer wij hem echter op dezen togt vergezellen, moeten wij weder het huis

van den heer Western bezoeken, om te zien wat er verder gebeurde met de

bekoorlijke Sophia.

Tom Jones · 第 111 / 340 题