EENE VERGELIJKING TUSSCHEN DE WERELD EN EEN SCHOUWTOONEEL.

Men heeft dikwerf deze wereld bij een schouwtooneel vergeleken, en vele

ernstige schrijvers, zoowel als vele dichters, hebben het menschelijke

leven als een groot drama beschouwd, bijna in alle bijzonderheden

gelijkende op die tooneelvoorstellingen welke, naar men zegt, Thespis

het eerst uitvond, en die sedert zoo veel goedkeuring en toejuiching

verworven hebben in alle beschaafde landen.

Dit denkbeeld wordt zoo ver gedreven en is zoo algemeen geworden, dat

eenige uitdrukkingen aan het tooneel eigen, en die eerst slechts in

beeldspraak op de wereld toegepast werden, uit gewoonte, zonder

onderscheid van beide gebezigd worden;—dus wordt, bij voorbeeld, „het

tooneel” evenveel gebruikt van het leven in het algemeen, als van

dramatische voorstellingen in het bijzonder, en als men van „achter de

schermen” spreekt, denkt men eerder aan het ministerie, dan aan den

schouwburg.

Het moge gemakkelijk genoeg schijnen om dit alles te verklaren door de

beschouwing dat het drama niets anders is dan eene voorstelling, of

gelijk Aristoteles het noemt, eene navolging van hetgeen werkelijk

bestaat, en daarom moesten wij welligt een welverdiend compliment maken

aan diegenen, die door hunne geschriften of handelingen het leven zoo

hebben weten na te doen, dat hunne schilderijen, als het ware, met de

oorspronkelijken daarvan verward,—of zelfs daarvoor gehouden worden.

Maar, om de waarheid te zeggen, houden wij er niet van om die

menschen,—die wij dikwijls behandelen als de kinderen hun

speelgoed,—complimenten te maken; en scheppen er veel meer behagen in

om hen uit te fluiten en voor de borst te stooten, dan om hunne

talenten te bewonderen. Er zijn vele andere redenen, die ons er toe

gebragt hebben om deze overeenkomst in te zien tusschen de wereld en

het tooneel.

Sommigen hebben het grootste gedeelte der menschheid beschouwd als

tooneelspelers, die rollen spelen, welke hun evenmin wezenlijk

toekomen, als den acteur, die er niet ernstig om denkt door te gaan

voor den Koning of den Keizer, dien hij voorstelt. Zoo kan men zeggen

dat de huichelaar een acteur is,—en inderdaad, de Grieken gaven beiden

dezelfde benaming.

De kortheid van dit leven heeft ook tot deze vergelijking aanleiding

gegeven. De onsterfelijke Shakespeare zegt:

„Het leven is een arm acteur—niets meer!

Hij treedt met trotschheid op, hij stampvoet, raast en brult,

En is zijn rol, ’t zij goed of slecht, vervuld,

Dan treedt hij af en keert niet weer.”

Welke overbekende aanhaling ik den lezer vergoeden zal door eene zeer

schoone, welke, naar ik meen, slechts weinigen kennen. Het is uit een

gedicht, de Godheid genoemd, omstreeks negen jaren geleden uitgegeven,

en sedert lang vergeten; wat een bewijs oplevert dat goede boeken,

evenmin als goede menschen, altijd de slechten overleven.

„De bron van ’s menschen daden is bij God,

De bloei der rijken en de val der vorsten.

Sla uwen blik op ’s werelds schouwtooneel

En op de helden, die zich daar bewegen,

En op de groepen, die elkander volgen.

Hier zegepraal, dáár kerker en schavot!

Elk speelt de rol, die Gij, o Heer, hem geeft;

Gij leidt der menschen daden naar Uw doel:

Zij schitteren één oogenblik in ’t licht,

En als gij wenkt, verdwijnen zij als nevels,

En van hun aanzijn blijft geen ander spoor,

Dan één herinnringswoord: „’t Is al voorbij!””

In al deze, en in alle overige vergelijkingen van het leven met het

tooneel, heeft men echter de overeenkomst altijd op het tooneel zelf

gezocht. Niemand, voor zoover ik me herinner, heeft ooit acht geslagen

op de toeschouwers van het groote drama.

Daar echter de natuur dikwerf sommige harer schoonste voorstellingen

aan een heel groot gehoor geeft, zoo laat het gedrag der toeschouwers

bovengemelde vergelijking toe, even goed als dat der tooneelspelers.

In den grooten schouwburg des Tijds zitten de vriend en de recensent;

daar hoort men in de handen klappen en applaudisseren, fluiten en

uitjouwen, in een woord, al wat men ooit in den grooten schouwburg

beleefd heeft.

Laat ons één voorbeeld daarvan nagaan: bij voorbeeld het gedrag der

talrijke toehoorders bij het tooneel, dat de natuur goedvond te

vertoonen in het twaalfde hoofdstuk van het vorige boek, waar zij den

Zwarten George voorstelde, die met de vijfhonderd pond sterling van

zijn vriend en weldoener op den loop ging.

Diegenen, die in de bovenste galerij der wereld zaten, behandelden die

gebeurtenis, daar ben ik van overtuigd, met hunne gewone

luidruchtigheid, en men hoorde stellig bij die gelegenheid allerlei

leelijke scheldwoorden uitbraken. Indien wij nederdaalden tot de

toeschouwers onmiddellijk onder dezen, zouden wij evenveel afschuw

onder hen gevonden hebben, met minder luidruchtigheid en

scheldwoorden:—maar de vrouwen hier zullen den Zwarten George naar den

drommel gewenscht hebben en sommige harer wachtten ieder oogenblik dat

de Satan hem zoude halen.

In het parterre was men, zonder twijfel, als gewoonlijk verdeeld.

Diegenen, die zich verheugen over de heldhaftige deugd en een volmaakt

karakter, waren er tegen, dat men zulke staaltjes van schurkerij zou

geven, zonder ze zeer streng te straffen, tot voorbeeld voor

anderen.—Eenige vrienden van den schrijver riepen uit: „’t Is waar,

mijne heeren, dat die vent een schurk is;—maar desniettemin is hij naar

de natuur geteekend.” En alle jonge recensenten van deze eeuw, de

klerken, leerjongens enz., noemden het gemeen en begonnen te fluiten.

Wat de loges aangaat, die gedroegen zich met de gewone beleefdheid. De

meesten daar letten op iets anders. Eenige weinigen, die naar het

tooneel keken, verklaarden dat de Zwarte George zeker een slecht soort

van mensch was, terwijl anderen weigerden eene meening te uiten, tot

zij die van de meest bevoegde beoordeelaren gehoord hadden.

Wij echter, die achter de schermen komen van dit groote tooneel der

natuur,—en een schrijver die daar niet toegelaten wordt, moest nooit

iets anders dan woordenboeken en leesboekjes schrijven,—kunnen de

handeling berispen, zonder bepaaldelijk den bedrijver te verfoeijen,

dien de natuur welligt niet bestemde om eene slechte rol in al hare

drama’s te spelen; want, in dit geval, lijkt het leven nog meer op het

tooneel, daar men er dikwerf denzelfden persoon de rol van held en van

schelm ziet vervullen, en hij, die heden uwe bewondering opwekt,

welligt morgen het voorwerp wordt uwer minachting. Even als Garrick,

dien ik in het treurspel voor het grootste genie houd dat ooit

geschapen werd, zich soms verwaardigt als nar op te treden,—zoo deden

ook, volgens Horatius, Scipio de Groote, en Laelius de Wijze, vele

eeuwen geleden;—Cicero zegt zelfs, dat zij „oneindig kinderachtig

waren.” ’t Is waar dat dezen voor gek speelden, even als mijn vriend

Garrick, alleen om de aardigheid; maar vele groote mannen hebben in

talrijke gevallen, in goeden ernst zich heel gek aangesteld,—zoodat het

eene twijfelachtige zaak was, of hunne wijsheid of hunne dwaasheid de

overhand had; of dat zij meer regt hadden op de goedkeuring of op de

berisping, op de bewondering of op de verachting, op de liefde of op

den haat der menschheid.

Diegenen inderdaad, die eenigen langen tijd gesleten hebben achter de

schermen van dit groote tooneel, en die goed op de hoogte zijn, niet

slechts van de verschillende vermommingen daar in gebruik, maar ook van

de fantastische en grillige handelingen der hartstogten, die de

regisseurs en directeurs zijn van dit tooneel (want wat de rede

aangaat, de ondernemer, die is, zoo als ieder weet, zeer lui en spant

zich zelden in), zullen zeer waarschijnlijk geleerd hebben het bekende

nil admirari van Horatius te verstaan,—en over niets meer verbaasd

staan.

Eene enkele slechte daad maakt evenmin tot een schurk in dit leven, als

eene enkele slechte rol op het tooneel. De driften, even als de

tooneeldirecteuren, dwingen dikwerf de menschen rollen op zich te

nemen, zonder hun verstand te raadplegen en soms zonder aanzien voor

hunne talenten.

Dus kan de mensch soms, even als de tooneelspeler, de rol afkeuren

waarin hij optreedt;—ja, het is niets ongewoons om de ondeugd sommige

menschen even lastig te zien vallen, als het karakter van Jago een

grappenmaker misstaan zou.

Over het geheel dan is de eerlijke en verstandige man nooit overhaast

in het veroordeelen. Hij kan eene onvolmaaktheid afkeuren, of zelfs

eene ondeugd, zonder woedend te worden op den schuldige. Met één woord,

het zijn dezelfde dwaasheid, dezelfde lompheid, dezelfde

kwaadwilligheid, die al de klagten en onlusten in het leven veroorzaken

als op het tooneel. De slechtste menschen hebben gewoonlijk de woorden

„schelm en schurk” op de lippen en het zijn ook de gemeenste

ellendelingen, die in het parterre over het gemeen uitvaren.

Tom Jones · 第 109 / 340 题