EEN KORT HOOFDSTUK, DAT ECHTER STOF GENOEG BEVAT OM DEN GOEDAARDIGEN
LEZER TE TREFFEN.
Het was de gewoonte van den heer Allworthy nooit iemand te straffen, of
zelfs om nooit een dienstbode in drift weg te jagen. Hij besloot dus
eerst dien namiddag zijn vonnis over Jones te vellen.
De arme jongen verscheen aan tafel naar gewoonte; maar zijn hart was te
bezwaard om hem eenigen eetlust te laten. Zijn leed werd ook zeer
vermeerderd door de onvriendelijke blikken van den heer Allworthy,
waaruit hij opmaakte dat Western hem alles wat er met Sophia
voorgevallen was, ontdekt had. Wat het verhaal van Blifil betreft,
daaromtrent koesterde hij geen de minste verdenking; want, wat de
hoofdzaak aangaat, daaraan was hij geheel onschuldig, en voor het
overige, daar hij het zelf vergeven en vergeten had, veronderstelde hij
volstrekt niet dat iemand anders er meer aan dacht. Toen het eten
gedaan was en de dienstboden de kamer verlaten hadden, begon de heer
Allworthy zijne aanspraak. In eene lange redevoering, schilderde hij de
vele misdaden waaraan Jones zich schuldig had gemaakt, en vooral die
welke pas aan het licht gekomen waren, en eindigde met hem te zeggen:
„dat, tenzij hij zijne onschuld bewijzen kon, hij besloten had hem voor
altijd uit zijn gezigt te bannen.”
Jones kon zich niet anders dan op de meest onvoordeelige wijze
verdedigen; want, inderdaad, hij begreep de beschuldiging ter naauwer
nood, daar de heer Allworthy, van zijne dronkenschap, enz. sprekende,
terwijl hij zelf ziek te bed lag, uit nederigheid alles verzweeg, wat
juist hem zelven betrof, en wat wezenlijk de hoofdmisdaad uitmaakte,—en
Jones kon dus die beschuldiging niet loochenen. Bovendien, was hem het
hart reeds bijna gebroken en zijn moed begaf hem dermate, dat hij niets
te zijner gunste kon zeggen, maar zich aan alles schuldig bekende en
als een wanhopige misdadiger alleen barmhartigheid inriep, eindigende
met de woorden: „dat hoewel hij bekennen moest zich aan vele dwaasheden
en ligtzinnigheid schuldig te hebben gemaakt, hij toch hoopte niets
misdreven te hebben, dat hem de zwaarste straf die hem treffen kon, had
doen verdienen.”
Allworthy hernam, „dat hij hem reeds te dikwerf vergeven had, uit
medelijden met zijne jeugd, en in de hoop dat hij zich beteren zoude;
dat hij echter nu ondervond dat hij een verstokte zondaar was, en dat
het misdadig zou zijn zoo iemand verder te helpen en aantemoedigen.
Ja,” zei de heer Allworthy, „uwe onbeschaamde poging om de jonge dame
voor u te winnen, eischt, tot mijne eigene regtvaardiging, dat ik u
straf. De menschen, die reeds luide de liefde berispt hebben, welke ik
u betoond heb, zouden met eenigen schijn van regt, zich kunnen
verbeelden, dat ik deel had aan die lage en wreede handeling. Eene
handeling voor welke u mijn afschuw moest bekend zijn, en welke, zoo
gij eenigen prijs steldet op mijne rust en mijn geluk, of op mijne
vriendschap, het u nooit in het hoofd zou zijn gekomen te ondernemen.
Schaam u, jongen! Wezenlijk, ik ken naauwelijks eene straf geëvenredigd
aan uwe misdaden;—en ik kan het ter naauwernood over mij zelven
verkrijgen om u dat te geven, wat ik hier voor u heb. Evenwel, daar ik
u als mijn eigen kind opgevoed heb, wil ik u niet van alles ontbloot de
wereld inzenden. Als gij dit papier opent, zult gij er genoeg in vinden
om u in staat te stellen door werkzaamheid eene eerlijke kostwinning te
vinden; maar als gij het tot een slecht doeleinde gebruikt, zal ik me
niet verpligt achten u van iets meer te voorzien, daar ik besloten heb,
van heden af, om geenerlei reden, iets meer met u te doen te hebben. Ik
kan echter niet nalaten nog hierbij te voegen, dat er in al uwe
handelingen niets is, dat mij meer verstoort dan uw gedrag jegens dezen
braven jongen” (hij bedoelde Blifil), „die zich zoo liefderijk en
eerlijk jegens u gedragen heeft.”
Deze laatste woorden waren zoo bitter, dat ze moeijelijk te verdragen
waren. Jones stortte nu een vloed van tranen, terwijl het vermogen van
te spreken en te handelen hem tegelijk schenen te begeven. Het duurde
dan ook nog een tijdlang eer hij in staat was aan Allworthy’s stellige
bevelen te kunnen gehoorzamen en weg te gaan, wat hij echter eindelijk
deed na hem de hand gekust te hebben met eene hartstogtelijkheid, die
even moeijelijk zou zijn te veinzen als te beschrijven.
De lezer moet zeer zwak zijn als hij,—het daglicht in aanmerking
nemende, waarin Jones zich toen aan den heer Allworthy vertoonde,—het
strenge vonnis afkeurt. En toch veroordeelde de heele buurt, hetzij uit
zwakheid, hetzij om een minder goede reden, deze regtvaardigheid en
strengheid, als in den hoogsten graad wreedaardig. Ja, zelfs de
menschen, die den waardigen man vroeger berispt hadden wegens de
goedheid en liefde door hem aan een bastaard bewezen (die vrij algemeen
voor den zijne doorging), berispten het nu in hem, dat hij zijn kind de
deur uitzette. De vrouwen vooral trokken eenparig partij voor Jones, en
bedachten meer sprookjes bij deze gelegenheid, dan ik hier plaats heb
te vermelden.
Eén ding echter moet ik niet vergeten; namelijk, dat te midden harer
verontwaardiging, geene harer ooit de som vermeldde, welke bevat was in
het papier dat Allworthy aan Jones overhandigde, en die niet minder dan
vijfhonderd pond bedroeg:—maar allen waren het eens, dat hij zonder een
duit op zak,—en sommigen voegden er zelfs bij, zonder een hemd aan het
lijf, door zijn onmenschelijken vader de deur uitgezet was.