HOOFDSTUK XI.

EEN KORT HOOFDSTUK, DAT ECHTER STOF GENOEG BEVAT OM DEN GOEDAARDIGEN

LEZER TE TREFFEN.

Het was de gewoonte van den heer Allworthy nooit iemand te straffen, of

zelfs om nooit een dienstbode in drift weg te jagen. Hij besloot dus

eerst dien namiddag zijn vonnis over Jones te vellen.

De arme jongen verscheen aan tafel naar gewoonte; maar zijn hart was te

bezwaard om hem eenigen eetlust te laten. Zijn leed werd ook zeer

vermeerderd door de onvriendelijke blikken van den heer Allworthy,

waaruit hij opmaakte dat Western hem alles wat er met Sophia

voorgevallen was, ontdekt had. Wat het verhaal van Blifil betreft,

daaromtrent koesterde hij geen de minste verdenking; want, wat de

hoofdzaak aangaat, daaraan was hij geheel onschuldig, en voor het

overige, daar hij het zelf vergeven en vergeten had, veronderstelde hij

volstrekt niet dat iemand anders er meer aan dacht. Toen het eten

gedaan was en de dienstboden de kamer verlaten hadden, begon de heer

Allworthy zijne aanspraak. In eene lange redevoering, schilderde hij de

vele misdaden waaraan Jones zich schuldig had gemaakt, en vooral die

welke pas aan het licht gekomen waren, en eindigde met hem te zeggen:

„dat, tenzij hij zijne onschuld bewijzen kon, hij besloten had hem voor

altijd uit zijn gezigt te bannen.”

Jones kon zich niet anders dan op de meest onvoordeelige wijze

verdedigen; want, inderdaad, hij begreep de beschuldiging ter naauwer

nood, daar de heer Allworthy, van zijne dronkenschap, enz. sprekende,

terwijl hij zelf ziek te bed lag, uit nederigheid alles verzweeg, wat

juist hem zelven betrof, en wat wezenlijk de hoofdmisdaad uitmaakte,—en

Jones kon dus die beschuldiging niet loochenen. Bovendien, was hem het

hart reeds bijna gebroken en zijn moed begaf hem dermate, dat hij niets

te zijner gunste kon zeggen, maar zich aan alles schuldig bekende en

als een wanhopige misdadiger alleen barmhartigheid inriep, eindigende

met de woorden: „dat hoewel hij bekennen moest zich aan vele dwaasheden

en ligtzinnigheid schuldig te hebben gemaakt, hij toch hoopte niets

misdreven te hebben, dat hem de zwaarste straf die hem treffen kon, had

doen verdienen.”

Allworthy hernam, „dat hij hem reeds te dikwerf vergeven had, uit

medelijden met zijne jeugd, en in de hoop dat hij zich beteren zoude;

dat hij echter nu ondervond dat hij een verstokte zondaar was, en dat

het misdadig zou zijn zoo iemand verder te helpen en aantemoedigen.

Ja,” zei de heer Allworthy, „uwe onbeschaamde poging om de jonge dame

voor u te winnen, eischt, tot mijne eigene regtvaardiging, dat ik u

straf. De menschen, die reeds luide de liefde berispt hebben, welke ik

u betoond heb, zouden met eenigen schijn van regt, zich kunnen

verbeelden, dat ik deel had aan die lage en wreede handeling. Eene

handeling voor welke u mijn afschuw moest bekend zijn, en welke, zoo

gij eenigen prijs steldet op mijne rust en mijn geluk, of op mijne

vriendschap, het u nooit in het hoofd zou zijn gekomen te ondernemen.

Schaam u, jongen! Wezenlijk, ik ken naauwelijks eene straf geëvenredigd

aan uwe misdaden;—en ik kan het ter naauwernood over mij zelven

verkrijgen om u dat te geven, wat ik hier voor u heb. Evenwel, daar ik

u als mijn eigen kind opgevoed heb, wil ik u niet van alles ontbloot de

wereld inzenden. Als gij dit papier opent, zult gij er genoeg in vinden

om u in staat te stellen door werkzaamheid eene eerlijke kostwinning te

vinden; maar als gij het tot een slecht doeleinde gebruikt, zal ik me

niet verpligt achten u van iets meer te voorzien, daar ik besloten heb,

van heden af, om geenerlei reden, iets meer met u te doen te hebben. Ik

kan echter niet nalaten nog hierbij te voegen, dat er in al uwe

handelingen niets is, dat mij meer verstoort dan uw gedrag jegens dezen

braven jongen” (hij bedoelde Blifil), „die zich zoo liefderijk en

eerlijk jegens u gedragen heeft.”

Deze laatste woorden waren zoo bitter, dat ze moeijelijk te verdragen

waren. Jones stortte nu een vloed van tranen, terwijl het vermogen van

te spreken en te handelen hem tegelijk schenen te begeven. Het duurde

dan ook nog een tijdlang eer hij in staat was aan Allworthy’s stellige

bevelen te kunnen gehoorzamen en weg te gaan, wat hij echter eindelijk

deed na hem de hand gekust te hebben met eene hartstogtelijkheid, die

even moeijelijk zou zijn te veinzen als te beschrijven.

De lezer moet zeer zwak zijn als hij,—het daglicht in aanmerking

nemende, waarin Jones zich toen aan den heer Allworthy vertoonde,—het

strenge vonnis afkeurt. En toch veroordeelde de heele buurt, hetzij uit

zwakheid, hetzij om een minder goede reden, deze regtvaardigheid en

strengheid, als in den hoogsten graad wreedaardig. Ja, zelfs de

menschen, die den waardigen man vroeger berispt hadden wegens de

goedheid en liefde door hem aan een bastaard bewezen (die vrij algemeen

voor den zijne doorging), berispten het nu in hem, dat hij zijn kind de

deur uitzette. De vrouwen vooral trokken eenparig partij voor Jones, en

bedachten meer sprookjes bij deze gelegenheid, dan ik hier plaats heb

te vermelden.

Eén ding echter moet ik niet vergeten; namelijk, dat te midden harer

verontwaardiging, geene harer ooit de som vermeldde, welke bevat was in

het papier dat Allworthy aan Jones overhandigde, en die niet minder dan

vijfhonderd pond bedroeg:—maar allen waren het eens, dat hij zonder een

duit op zak,—en sommigen voegden er zelfs bij, zonder een hemd aan het

lijf, door zijn onmenschelijken vader de deur uitgezet was.

Tom Jones · 第 100 / 340 题