Jones haastte zich onmiddellijk om Sophia optezoeken, die hij pas van
den grond opgestaan vond, waar haar vader haar verlaten had, met de
tranen vloeijende uit hare oogen en het bloed van hare lippen. Hij
vloog dadelijk naar haar toe en met eene stem, die van angst en
aandoening beefde, riep hij uit: „O mijne Sophia, wat beteekent toch
dit akelig gezigt?”
Zij zag hem een oogenblik teeder aan en antwoordde: „Mijnheer Jones! In
’s hemels naam, hoe komt gij hier? Verlaat mij dadelijk;—ik smeek u
daarom!”
„Leg me zoo’n wreed bevel niet op,” zeide hij; „mijn hart bloedt
sterker nog dan uwe lippen! O Sophia, hoe gaarne zoude ik niet al het
bloed in mijne aderen uitstorten om slechts één druppel van het uwe te
redden!”
„Ik heb u reeds te vele verpligtingen,” hernam zij; „zeker heb ik u al
veel te danken!” Hier keek zij hem een oogenblik heel teeder aan, en
dan riep zij snikkende uit: „O, mijnheer Jones, waarom hebt gij mij het
leven gered? Het zou voor ons beide gelukkiger geweest zijn als ik
gestorven ware!”
„Gelukkiger voor ons beide!” riep hij. „Zouden de wreedste martelingen
mij zoo kunnen pijnigen als de dood van Sophia? Ik kan die vreesselijke
gedachte niet verdragen.—Hoe zou ik zonder u leven?”
Er lag eene onbeschrijfelijke teederheid in zijne stem en zijne blikken
terwijl hij dit zeide, en terzelfder tijd zachtjes hare hand vatte,
welke zij niet terugtrok;—want, waarlijk, zij wist haast niet meer wat
zij deed of toeliet. Eenige oogenblikken van stilzwijgen volgden nu
tusschen de twee minnenden, terwijl hij de oogen op haar gevestigd
hield en zij de haren nedersloeg;—eindelijk vermeesterde zij zich
genoeg om hem nogmaals te verzoeken haar te verlaten; want dat het hun
beider ongeluk zou wezen als men hen zamen vond, en zij voegde er bij:
„O, mijnheer Jones, gij weet nog niet wat er heden middag gebeurd is!”
„Ik weet alles, mijne Sophia,” hernam hij. „Uw wreede vader heeft mij
alles verteld, en hij zelf heeft mij bij u gezonden.”
„Mijn vader heeft u bij mij gezonden!” riep zij. „gij droomt zeker!”
„Gave de hemel dat het slechts een droom ware!” hernam hij. „O Sophia,
uw vader zond mij bij u om te pleiten voor mijn gehaten mededinger; om
u voor hem gunstig te stemmen!—Ik was gereed om elk middel te baat te
nemen om toegang tot u te krijgen.—O spreek tot mij, mijne Sophia! Giet
wat balsem in mijn bloedend hart! Waarlijk, nooit heeft een man bemind,
of aangebeden, zoo als ik dat doe! Onttrek me dan niet wreedaardig deze
lieve, zachte, dierbare hand! Een oogenblik zal me welligt voor eeuwig
van u scheiden. Niets minder dan deze gedachte zou mij, geloof ik, ooit
den eerbied en het ontzag hebben doen vergeten, waarmede gij mij
bezield hebt!”
Zij bleef een oogenblik zwijgen, als verpletterd door hare verwarring,
en de oogen zachtjes tot hem opheffende, riep zij: „O, mijnheer Jones!
Wat moet ik zeggen?”
„Beloof slechts, dat gij nooit aan Blifil uwe hand zult schenken,”
zeide hij.
„Noem dien gehaten naam niet!” antwoordde zij. „Wees overtuigd dat hij
nooit iets van mij verkrijgen zal, dat ik hem weigeren kan.”
„En nu,” smeekte hij, „dat gij mij zooveel troost schenkt,—ga iets
verder, en voeg er bij, dat ik eens hopen mag!”
„Helaas!” hernam zij. „Waartoe wildet gij me brengen, mijnheer Jones?
Welke hoop zou ik u kunnen schenken? Gij kent mijns vaders
bedoelingen.”
„Maar ik weet ook,” antwoordde hij, „dat men u niet dwingen kan daaraan
toe te geven.”
„En welke,” zeide zij, „moeten niet de gevolgen wezen van mijne
verschrikkelijke ongehoorzaamheid? Mijn eigen ongeluk is het minste.
Maar ik kan de gedachte niet verdragen van mijn vader ellendig te
maken.”
„Hij zelf,” riep Jones, „is de oorzaak van zijn eigen ongeluk, door een
gezag over u te eischen, dat de natuur hem niet geschonken heeft. Denk
aan al de ellende, die mij dreigt als ik u verliezen moet, en zie dan
naar welken kant de schaal van uw medelijden moet overhellen!”
„Er aan denken!” riep zij. „Verbeeldt gij u, dat ik de rampen niet
besef, die ik over u zou brengen door in uwe wenschen toe te stemmen?
Het is die gedachte, welke mij den moed geeft om u te smeeken mij voor
altijd te vermijden en dus zelf de ellende te ontvlugten!”
„Ik vrees geene andere ellende,” hernam hij, „dan het verlies mijner
Sophia;—als gij mij van de bitterste smarten bevrijden wilt, herroep
dan uw wreed vonnis,—want waarlijk, waarlijk, ik kan nooit van u
scheiden,—neen, nooit!”
De beide minnaren stonden nu zwijgende te beven, Sophia buiten staat om
Jones hare hand te ontrukken, en hij bijna even zeer buiten staat ze
vast te houden; toen het tooneel, dat welligt voor sommigen mijner
lezers lang genoeg geduurd heeft, afgewisseld werd door een van zoo
verschillenden aard, dat wij de beschrijving er van voor het volgende
hoofdstuk bewaren zullen.