BEVATTENDE VERSCHILLENDE WONDERLIJKE ZAKEN.

Zoodra de heer Allworthy te huis kwam, riep hij den heer Blifil tot

zich en, na eenige inleiding, deelde hij hem het voorstel van den heer

Western mede, en vertelde hem tevens hoe gewenscht hem zelven het

huwelijk voorkwam.

Sophia’s bekoorlijkheden hadden hoegenaamd geen indruk op Blifil

gemaakt;—niet dat zijn hart al door eene andere in beslag genomen was,

of dat hij geheel ongevoelig was voor de schoonheid, of eenigen afkeer

van de vrouwen had; maar zijne driften waren van nature zoo matig, dat

hij in staat was gesteld door de wijsbegeerte, of door de studie, of

door iets anders, om ze gansch meester te blijven, en wat dien

hartstogt aangaat, waarvan wij gesproken hebben in het eerste hoofdstuk

van dit boek, hij had er geen greintje van in zijn gestel.

Maar hoewel hij zoo vrij was van dien gemengden hartstogt, door ons

daar behandeld, en waarvoor de schoonheid en de deugden van Sophia zulk

een bekoorlijk onderwerp opleverden, was hij toch rijk begaafd met

eenige andere driften, die zich groote voldoening verschaffen konden

door het genot van het fortuin der jonge dame. Zoodanige hartstogten

waren geldzucht en eerzucht, die zamen de heerschappij voerden in zijn

gemoed. Hij had al meer dan eens het bezit van dit vermogen als iets

zeer gewenscht beschouwd, en eenige onbestemde plannen dienaangaande

gekoesterd; maar zijne eigene jeugd en die der jonge dame, en vooral de

bedenking, dat de heer Western welligt weder trouwen zoude en kinderen

krijgen, had hem van eenigen onvoorzigtigen en overhaasten stap

teruggehouden.

Dit laatste en grootste bezwaar was nu, grootendeels, opgeheven, daar

het voorstel van den heer Western zelven kwam. Dus, na zich zeer kort

bedacht te hebben, gaf Blifil aan den heer Allworthy tot antwoord, dat

het huwelijk eene zaak was, waaraan hij nog niet gedacht had, dat hij

echter zoo dankbaar was voor al zijne liefderijke en ouderlijke zorg,

dat hij zich in alles naar zijne wenschen zou voegen.

Allworthy was levendig van aard, en zijn ernst ontstond uit echte

wijsheid en niet uit eenige aangeborene ongevoeligheid. Want hij was

zeer vurig geweest in zijne jeugd en had eene schoone vrouw alleen uit

liefde getrouwd. Hij was dus niet zeer tevreden met het koele antwoord

van zijn neef, en kon niet nalaten luide Sophia te roemen en zich te

verwonderen, dat het hart van een jong mensch wederstand kon bieden aan

dergelijke bekoorlijkheden, als het niet reeds met eene vroegere liefde

vervuld was.

Blifil verzekerde hem, dat er niets van dien aard bij hem bestond, en

ging toen voort zoo uitvoerig en godsdienstig over de liefde en het

huwelijk te spreken, dat hij een man, die veel minder vroom was dan

zijn oom, tot stilzwijgen zou gebragt hebben. Eindelijk werd de goede

man overtuigd, dat hij, wel verre van iets tegen Sophia te hebben,

integendeel die achting voor haar koesterde, welke in een rein en

deugdzaam hart de zekere grondslag der liefde is. Daar hij nu er niet

aan twijfelde dat de minnaar binnen kort zich aangenaam zou weten te

maken bij de uitverkorene, voorzag hij het meeste geluk voor alle

partijen, als zulk een geschikt en gewenscht huwelijk eenmaal gesloten

was.

Met toestemming van den heer Blifil dus, schreef hij den volgenden

morgen aan den heer Western, en meldde hem dat zijn neef blijmoedig en

met de meeste dankbaarheid het voorstel aangenomen had, en gaarne zijne

opwachting bij de jonge dame zou maken, zoodra het haar behaagde hem te

ontvangen.

Western was zeer ingenomen met dezen brief, en zond er onmiddellijk

antwoord op, waarbij hij, zonder een enkel woord aan zijne dochter

gezegd te hebben, dien zelfden namiddag voor het eerste tooneel der

vrijaadje bestemde.

Zoodra hij den bode daarmede verzonden had, ging hij zijne zuster

zoeken, die hij druk bezig vond met de courant te lezen en het nieuws

aan dominé Supple uit te leggen. Hij moest bijna een kwartier luisteren

naar deze verklaring, hoewel het den van natuur zoo driftigen man zeer

zwaar viel zoo lang te wachten eer hij den mond open mogt doen.

Eindelijk echter kreeg hij de gelegenheid om der dame te zeggen, dat

hij haar iets van groot belang moest mededeelen, waarop zij hernam:

„Broeder, ik sta geheel tot uwe dienst. Alles in het noorden van Europa

ziet er zoo goed uit, dat ik buitengewoon in mijn schik ben.”

De predikant verwijderde zich nu en Western maakte haar bekend met

hetgeen er gebeurd was, haar verzoekende de zaak aan Sophia uit te

leggen, wat zij gaarne, zonder eenig bezwaar, op zich nam;—hoewel haar

broeder welligt iets te danken had aan den gunstigen toestand van het

noorden van Europa, waardoor zij zoo verrukt was, dat zij geene

aanmerkingen maakte op zijne handelwijze, die zeker eenigzins al te

overhaast en driftig was geweest.

Tom Jones · 第 89 / 340 题