BEVAT TWEE UITDAGINGEN DER RECENSENTEN.

Zoodra de landjonker alles met zijne zuster geschikt had, zoo als wij

in het laatste hoofdstuk gezien hebben, werd hij zoo ongeduldig om de

zaak aan den heer Allworthy mede te deelen, dat het zijner zuster de

meeste moeite kostte om hem te beletten dien heer gedurende zijne

ziekte op te zoeken.

De heer Allworthy had zijn woord al gegeven om bij den heer Western te

komen dineren, ten tijde dat hij door zijne ziekte overvallen werd. Hij

was dus naauwelijks bevrijd van de bewaking des geneesheers, toen hij

er om dacht (wat altijd het geval bij hem was, zoowel met de geringste

als met de gewigtigste zaken) om woord te houden.

In de tijdruimte tusschen het gesprek in het laatste hoofdstuk vermeld

en dezen feestdag, was Sophia begonnen te vreezen, uit zekere wenken,

welke hare tante zich liet ontvallen, dat deze scherpzinnige dame hare

liefde tot Jones ontdekt had. Zij besloot dus nu, deze gelegenheid waar

te nemen, om al dergelijke vermoedens ten eenenmale te smoren, en tot

dat einde zoo streng mogelijk zich zelve te bewaken en te beheerschen.

Ten eerste, trachtte zij een droevig kloppend hart te verbergen onder

de meest mogelijke opgeruimdheid op haar gelaat, en de meeste

vrolijkheid in hare houding. Ten tweede, rigtte zij hare woorden steeds

tot den heer Blifil en vereerde den heelen dag den armen Jones niet met

hare aandacht.

De landjonker was zoo verrukt over dit gedrag zijner dochter, dat bij

ter naauwernood iets eten kon, en bijna den heelen tijd aan tafel

doorbragt met de gelegenheden waar te nemen, om zijne tevredenheid door

blikken en knipoogjes aan zijne zuster kenbaar te maken, die in het

begin niet zoo zeer ingenomen was met hetgeen zij zag, als haar broeder

dat was.

In één woord, Sophia overdreef hare rol zoodanig, dat hare tante eerst

verlegen raakte en eenige gemaaktheid van den kant harer nicht

veronderstelde; daar zij echter zelve eene zeer listige vrouw was,

eindigde zij met dit ook aan list van den kant van Sophia toe te

schrijven. Zij herinnerde zich de vele wenken, welke zij hare nicht

over de verliefdheid had gegeven, en verbeeldde zich dat de jonge dame

dezen weg ingeslagen had, om hare raadgevingen belagchelijk te maken

door overdrevene beleefdheid;—een denkbeeld, waarin zij zeer versterkt

werd door Sophia’s buitengewone opgewektheid. Wij kunnen hier niet

nalaten op te merken, dat deze gissing waarschijnlijker zou zijn

geweest, als Sophia een tiental jaren in de hoflucht doorgebragt had,

waar de jonge dames wonderbaarlijk bedreven worden in het spelen en

spotten met een hartstogt, die een zeer ernstig iets kan worden in

bosschen en dalen op eenigen afstand van Londen.

Om de waarheid te zeggen, in het nagaan van de listen van anderen,

scheelt het veel, of hunne onopregtheid,—als ik die uitdrukking bezigen

mag,—opgewonden wordt met denzelfden sleutel als de onze, of niet; want

zeer knappe menschen slaan den bal soms mis, door zich te verbeelden

dat anderen wijzer, of met andere woorden, grooter schelmen zijn, dan

wezenlijk het geval is. Daar deze opmerking tamelijk diepzinnig is, zal

ik ze ophelderen door het volgende korte verhaal.

Drie boeren vervolgden een dief, uit Wiltshire, door de stad Brentford.

Toen de eenvoudigste van hen eene herberg ontdekte, met het

uithangbord: „In het Graafschap Wiltshire,” ried hij zijne vrienden aan

daar binnen te gaan, want dat zij waarschijnlijk hun landsman daar

zouden vinden. De tweede, die wijzer was, lachte om deze eenvoudigheid;

maar de derde, die nog wijzer was, hernam: „Laat ons maar binnengaan;

want hij zal zich welligt verbeeld hebben, dat wij niet vermoeden

zullen, dat hij juist onder zijne landslieden schuilt.” Zij traden dus

binnen, onderzochten het huis, en op die wijze kregen zij den dief

niet, die op dien tijd hun slechts een klein eindje vooruit was, en

die, zooals zij alle drie wisten, maar ook alle drie vergeten hadden,

niet eens lezen kon!

De lezer zal me eene uitweiding ten goede houden, waarin zulk een

onschatbaar geheim medegedeeld wordt,—daar iedere speler toestemmen

zal, dat het hoogst noodzakelijk is het spel van zijne tegenpartij te

kennen, als men hem behoorlijk tegenwerken zal. Het zal hem, bovendien,

doen inzien, waarom (wat zoo vaak het geval is), de wijze zoo dikwerf

door den dwaas gefopt wordt, en waarom vele eenvoudige en onschuldige

menschen zoo menigmaal verkeerd begrepen en verkeerd voorgesteld

worden;—maar hetgeen van het meeste belang is, het zal hem de wijze

verklaren waarop Sophia hare zoo diplomatieke tante fopte.

Zoodra het eten afgeloopen was, nam de heer Western, die nu volkomen

overtuigd was van de juistheid van hetgeen zijne zuster hem medegedeeld

had, den heer Allworthy ter zijde, en stelde hem kortaf een huwelijk

voor tusschen Sophia en den jongen Blifil.

De heer Allworthy was volstrekt niet de man om zich te laten opwinden

door eenig onverwacht vooruitzigt op een of ander wereldsch voordeel.

Zijn geest was inderdaad beheerscht door die wijsbegeerte welke den

mensch en den christen betaamt. Hij veinsde volstrekt niet geheel

verheven te zijn boven alle geluk en verdriet; maar liet zich evenmin

door elken toevalligen rukwind medesleepen,—noch door een glimlach,

noch door een somberen blik van het noodlot. Hij hoorde dus het

voorstel van den heer Western aan zonder eenige zigtbare aandoening, of

blijk van ontroering op zijne gelaatstrekken. Hij zeide, dat hij opregt

naar die verbindtenis verlangde, en uitte daarop eenige zeer billijke

lofspraken op de verdiensten van de jonge dame; bekende dat het

voorstel, uit een wereldsch oogpunt, zeer voordeelig was, en na den

heer Western bedankt te hebben voor de gunstige gevoelens welke hij

omtrent zijn neef koesterde, besloot hij met te zeggen, dat als de

jonge lieden van elkaar hielden, hij niets liever verlangde dan de zaak

tot een gunstigen uitslag te brengen.

Western gevoelde zich eenigzins teleurgesteld door dit antwoord van den

heer Allworthy, dat veel koeler luidde dan hij verwacht had. Hij

behandelde de vraag of de jongelieden van elkaar hielden met de meeste

minachting, en zeide:

„Dat ouders eigenlijk het best wisten welke huwelijken het meest voor

hunne kinderen pasten; dat, wat hem zelven betrof, hij de meest

onbeperkte gehoorzaamheid van zijne dochter eischte, en dat als er een

jong mensch ter wereld bestond, die het hart had zulk een slaapkameraad

te weigeren, hij zijn onderdanige dienaar was,—en dat het daarmede uit

was!”

Allworthy trachtte zijne ontevredenheid tot bedaren te brengen door

Sophia hoog te roemen, en verklaarde dat hij er niet aan twijfelde dat

de heer Blifil zich zeer gestreeld zou voelen door het vooruitzigt dat

hem geopend werd; maar dit bleef alles te vergeefs; hij kon geen ander

antwoord van Western verkrijgen, dan: „Nou! Ik zeg geen woord meer;—ik

hoop maar dat ik niets verkeerds gezegd heb,—en daarmede uit!” En deze

woorden herhaalde hij ten minste honderdmaal dien avond eer zij

scheidden.

Allworthy kende zijn buurman te goed om zich beleedigd te gevoelen door

diens gedrag, en hoewel hij zoo afkeerig was van de strengheid, welke

sommige ouders jegens hunne kinderen in acht nemen ten opzigte van een

huwelijk, dat hij besloten had nooit de keuze van zijn neef te dwingen,

was hij desniettemin zeer ingenomen met het vooruitzigt op deze

vereeniging; want de heele landstreek weergalmde van Sophia’s lof, en

hij zelf bewonderde evenzeer hare uiterlijke en innerlijke gaven. Ik

geloof ook hierbij te mogen voegen, dat hoewel hij te verstandig was om

te dweepen met haar groot vermogen, hij te redelijk was om het te

minachten.

En hier, in weerwil van alle keffende recensenten ter wereld, moet en

wil ik eene afwijking maken, aangaande de ware wijsheid, waarvan de

heer Western wezenlijk een even volmaakt voorbeeld opleverde als van

goedheid.

De ware wijsheid dan, niettegenstaande al hetgeen de arme dichter van

Hogarth tegen de rijkdommen geschreven moge hebben, en in weerwil van

al wat rijke, weldoorvoede theologanten gepreekt hebben tegen het

genot, bestaat niet in de verachting van een van beide. Een man, in het

bezit van een ruim vermogen, kan even wijs zijn als eenige bedelaar ter

wereld, of hij kan zich verheugen in het bezit eener schoone vrouw, of

van een hartelijken vriend, en toch niet minder wijs zijn dan eenige

norsche roomsche kluizenaar, die al zijne maatschappelijke vermogens

begraaft en zijn buik uithongert terwijl hij zich den rug geesselt.

Om de waarheid te zeggen: de wijsste man heeft de beste kans om alle

wereldsche zegeningen in hooge mate te genieten; want, even als die

matigheid, welke door de wijsheid voorgeschreven wordt, de zekerste

gids is tot nuttigen rijkdom, zoo kan ook die wijsheid alleen ons in

staat stellen om vele genoegens te smaken.

De wijze voldoet aan alle lusten en hartstogten, terwijl de dwaas alles

opoffert om er in te zwelgen tot verzadiging toe.

Men zal welligt hiertegen aanvoeren, dat somtijds zeer wijze mannen

zeer gierig zijn geweest. Ik antwoord, dat zij niet wijs waren in dit

opzigt. Men zal ook welligt zeggen, dat de wijsste menschen in hunne

jeugd onmatig zijn geweest in het najagen van genoegens. Ik antwoord,

dat zij toen niet wijs waren.

De wijsheid, in één woord, wier lessen voorgesteld worden als zoo

moeijelijk voor diegenen welke nooit hare school bezocht hebben, leert

ons slechts een eenvoudigen regel,—die algemeen bekend en beoefend

wordt in het dagelijksche leven,—wat uit te breiden, en die luidt, om

voor niets meer te geven dan het waard is.

Wie nu dezen regel in het oog houdt op de groote markt van de wereld en

dien steeds toepast op eerbewijzen, rijkdommen en genoegens, en op alle

waren welke die markt oplevert, is, dat durf ik te beweren, een wijs

man, en moet als zoodanig beschouwd worden in de wereldsche beteekenis

van het woord; want hij sluit er de voordeeligste koopjes, daar hij in

wezenlijkheid alles verkrijgt tegen eenige weinige moeite en al de

goede dingen door mij vermeld, naar huis brengt, terwijl hij zijne

gezondheid, onschuld, en goeden naam, de gewone prijs dien anderen

betalen, ongeschonden voor zich bewaart.

Door deze matigheid leert hij ook twee andere lessen, welke zijn

karakter volmaken. Ten eerste om nooit bedwelmd te zijn als hij een

uitmuntend koopje gedaan heeft, ten anderen om nooit neerslagtig te

zijn als er niets te koop is, of als de marktprijzen te duur zijn voor

zijn doen.

Maar ik moet het onderwerp van mijn geschrijf niet vergeten, noch het

geduld van den goedaardigen recensent al te zeer op de proef stellen.

Ik maak dus hier een einde aan dit hoofdstuk.

Tom Jones · 第 87 / 340 题