De heer Western was zoo verzot geworden op Jones, dat hij ongaarne van
hem scheiden wilde, hoewel zijn arm al lang genezen was, en Jones,
hetzij uit liefde tot de jagt, of om eenige andere reden, liet zich
gemakkelijk overhalen in zijn huis te toeven, wat hij soms deed wel
veertien dagen achtereen, zonder een enkel bezoek bij den heer
Allworthy af te leggen, of iets van hem te hooren.
De heer Allworthy was sedert eenige dagen verkouden geweest, waarbij
een weinig koorts gekomen was. Dit had hij echter verwaarloosd, volgens
zijne gewoonte, bij alle ongesteldheden, welke hem niet in bed hielden,
of hem beletten zijne gewone leefwijze te volgen. En dit is een gedrag,
dat wij volstrekt niet goedkeuren, of ter navolging aanbevelen; want
zeker hebben de heeren Aeskulapen groot gelijk, als zij den raad geven,
dat zoodra eene ziekte de eene deur inkomt, men den geneesheer door de
andere binnenleiden moet. Want wat beteekent anders de oude
spreekwijze: „Veniente occurrite morbo,” dan „Ga eene ziekte in hare
opkomst tegen.”
Op deze wijze ontmoeten elkaar de geneesheer en de ziekte in een
eerlijken, gelijken strijd, terwijl door aan deze laatste te veel tijd
te gunnen, wij haar dikwerf in de gelegenheid stellen, zich als een
Fransch leger te verschansen en te versterken, zoodat de geleerde heer
het zeer moeijelijk en soms onmogelijk vindt, bij den vijand te komen.
Ja, door tijd te winnen, gelijkt soms de ziekte op de Fransche politiek
en koopt de natuur om, die haar dan hulp verleent,—en alle mogelijke
geneesmiddelen baten niet meer. Overeenkomstig deze opmerkingen,
luidde, naar ik me herinner, de klagt van den grooten geneesheer
Misaubin, die zeer aandoenlijk plagt te zuchten wanneer men zoo laat
zijn bijstand inriep: „Waarlijk, ik geloof dat men mij houdt voor een
doodgraver; want de zieken laten me nooit halen tot de dokters hen
gedood hebben.”
Door eene dergelijke verwaarloozing, nam de ziekte van den heer
Allworthy dermate toe, dat toen de hevige koorts hem noopte
geneeskundige hulp in te roepen, de dokter, bij zijn eerste bezoek, het
hoofd schudde, en zeide dat men hem vroeger had moeten laten komen,
tevens te kennen gevende, dat hij den toestand van den zieke voor zeer
gevaarlijk hield. De heer Allworthy, die al zijne wereldsche zaken
geregeld had, en die zoo goed op eene betere wereld voorbereid was als
iemand wezen kan, ontving deze mededeeling met de meeste kalmte en
onverschilligheid. Hij kon, inderdaad, als hij insliep, met Cato in het
treurspel zeggen:
„Geen schuld of vrees kent Cato;
Hem is het eens: te slapen of te sterven!”
Naar waarheid, kon hij dit met tienmaal meer regt zeggen dan Cato, of
eenige andere hoogmoedige sterveling onder de oude of nieuwere helden:
want hij kende niet slechts geene vrees, maar men kon van hem zeggen
dat hij was als de trouwe arbeider, die na afloop van den oogst
opgeroepen wordt om de belooning te ontvangen uit de handen van een
milden meester.
De waardige man gaf dadelijk bevel, dat zijne geheele familie bijeen
geroepen zou worden. Niemand was afwezig dan mevrouw Blifil, die sedert
eenigen tijd in Londen was; en de heer Jones, dien de lezer pas
verlaten heeft bij mijnheer Western en die de boodschap van huis
ontving op het oogenblik dat Sophia hem verliet.
De tijding van het gevaar waarin de heer Allworthy verkeerde (want de
knecht vertelde dat hij stervende was), verdreef alle gedachten aan
liefde uit zijn brein. Hij sprong dadelijk in het rijtuig, dat men voor
hem gezonden had, beval den koetsier zoo hard mogelijk te rijden, en
geen enkele gedachte aan Sophia, naar ik meen, kwam den geheelen weg
over bij hem op.
En nadat de gezamentlijke familie, namelijk de heer Blifil, de heer
Jones, de heer Thwackum, de heer Square en eenige der dienstboden (op
bevel van den heer Allworthy) rondom het ziekbed verzameld was, rigtte
zich de zieke daarin op, en wilde beginnen te spreken, toen Blifil
hardop met snikken uitbarstte, en luide en bittere klagten liet hooren.
Hierop drukte hem de heer Allworthy de hand en zeide:
„Treur maar niet, waarde neef, om eene der meest dagelijksche van alle
menschelijke gebeurtenissen. Als onze vrienden door rampen getroffen
worden, zijn we met regt bedroefd; want deze zijn toevallen, welke men
dikwerf had kunnen voorkomen en die het lot van den eenen mensch
ongelukkiger schijnen te maken dan dat van den andere; maar de dood is
zeker onvermijdelijk—hij is het algemeene lot dat allen gelijkelijk
beschoren is;—en het is ook niet van groot belang op welk tijdstip het
ons treft. Als de wijsste der menschen het leven slechts een span groot
noemde, dan mogen wij het wel als niets meer dan éénen dag beschouwen.
Het is mijn lot geweest tot den avond te leven; maar diegenen, welke
vroeger weggeroepen worden, hebben slechts weinige uren gemist, die op
zijn best iets waard waren, en zeer dikwerf slechts uren zouden geweest
zijn van arbeid en vermoeijenis, van pijn en verdriet. Ik herinner me
dat een der Romeinsche dichters ons sterven vergelijkt bij het opstaan
van een feestdisch. En dit woord is mij dikwerf voor den geest gekomen
als ik de menschen heb zien worstelen om een gastmaal te rekken, ten
einde nog eenige oogenblikken het gezelschap hunner vrienden te
genieten. Helaas! hoe kort toch duurt het langst gerekte feest! Hoe
onbelangrijk is het verschil tusschen hem die het eerst weggaat, en hem
die het langst blijft. Dit is de beste wijze waarop men het leven
beschouwen kan, en deze tegenzin om onze vrienden te verlaten, is nog
de beste reden die wij vinden kunnen voor de vrees van den dood; en
toch is het langste genot van dezen aard dat wij smaken kunnen, van zoo
korten duur, dat het voor den wijze waarlijk niets beteekenend is. Ik
beken, dat weinige menschen dit inzien; want, inderdaad, slechts
weinige menschen denken aan den dood, eer het graf voor hen gaapt. Hoe
reusachtig en verschrikkelijk de dood hun ook toeschijne als die
nadert, zijn zij echter buiten staat hem op eenigen afstand te
zien;—ja, al waren zij welligt beangst en verschrikt als zij zich in
doodsgevaar waanden, naauwelijks waren zij van dien angst bevrijd, of
zelfs de herinnering aan die vrees verdween. Maar, helaas, hij die den
dood tijdelijk ontgaat, loopt daarom nog niet vrij;—hij heeft slechts
uitstel verkregen—en een zeer kort uitstel!
„Treur dus niet meer, kindlief, op dit oogenblik!—Eene gebeurtenis, die
elk uur, die elk element, ja, bijna elk stofdeeltje dat ons omringt,
veroorzaken kan, en die ons onvermijdelijk eens treffen moet, moest ons
niet verrassen of doen klagen.
„Daar de geneesheer (waarvoor ik hem zeer dankbaar ben), mij
aangekondigd heeft dat ik u welligt binnen zeer korten tijd zal moeten
verlaten, heb ik besloten u bij ons scheiden eenige woorden toe te
spreken, eer mijne ziekte, die sterk toeneemt, mij de magt daartoe
beneemt.
„Maar ik moet mijne krachten wat sparen. Ik wilde u spreken over mijn
testament, van hetwelk, ofschoon alles reeds lang geleden bepaald is,
ik het noodig acht u die beschikkingen mede te deelen, welke u
afzonderlijk aangaan,—ten einde den troost te hebben van te weten dat
gij allen tevreden zijt met hetgeen ik voor u gedaan heb.
„Neef Blifil, ik benoem u tot mijn universelen erfgenaam, behalve
vijfhonderd pond sterling ’s jaars, in vruchtgebruik aan uwe moeder,
die na haar dood u weder toevallen, en een landgoed dat ook vijfhonderd
pond ’s jaars oplevert, alsmede een kapitaal van zes duizend pond,
waarover ik op de volgende wijze beschikt heb.
„Het goed dat de vijfhonderd pond ’s jaars opbrengt, heb ik u
geschonken, Jones. En daar ik weet hoe men in verlegenheid kan komen
door gebrek aan wat baar geld, heb ik er duizend pond in klinkende munt
bijgevoegd. Ik weet niet of ik hiermede uwe verwachtingen te boven ben
gegaan, of ze te leur gesteld heb. Welligt zult gij denken, dat ik u te
weinig gegeven heb, en de wereld zal even gereed zijn mij te
veroordeelen omdat ik u te veel heb geschonken; maar ik veracht hare
afkeuring, en wat de uwe betreft,—tenzij gij die algemeene dwaling
koestert, welke ik dikwijls heb hooren aanvoeren ter verontschuldiging
van een volstrekt gemis aan christelijke liefde,—namelijk, dat wij door
mildheid in plaats van op dankbaarheid te mogen rekenen, slechts
aanleiding geven tot overdrevene eischen, die moeijelijk, zoo niet
onmogelijk te voldoen zijn—maar vergeef me dat ik van zoo iets spreek;
bij u vermoed ik niets van dien aard.”
Jones wierp zich aan de voeten van zijn weldoener, en zijne hand
vattende, verzekerde hij hem dat zijne goedheid van nu en vroeger, niet
slechts zoo oneindig zijne verdiensten, maar ook zijne verwachtingen te
boven was gegaan, dat hij geene woorden kon vinden, om zijne
erkentelijkheid daarvoor te uiten.
„Ik betuig u, mijnheer,” voegde hij er bij, „dat uwe tegenwoordige
mildheid mij buiten staat stelt om aan iets anders te denken dan aan de
droevige aanleiding daartoe!—O mijn vriend! Mijn vader!” De woorden
bleven hem in de keel, en hij wendde zich af om zijne tranen te
verbergen.
Allworthy drukte hem thans liefderijk de hand en hervatte:
„Ik ben overtuigd, mijn jongen, dat gij veel goedheid, edelmoedigheid
en eergevoel bezit;—als gij hierbij wat voorzigtigheid voegt en
godsdienstzin, moet gij ook gelukkig worden; want de drie eerste
hoedanigheden, dat is zeker, maken u het geluk wel waardig; maar
slechts door de beide laatsten kunt gij het verkrijgen.
„De som van één duizend pond heb ik u nagelaten, mijnheer Thwackum,—een
bedrag, dat, naar ik overtuigd ben, evenzeer uwe wenschen als uwe
behoeften overtreft. Gij zult het echter wel willen aannemen als een
blijk mijner vriendschap, en als u daardoor het overvloedige toevalt,
zal uwe strenge deugd u leeren, hoe dat anderen mede te deelen.
„Mijnheer Square, ik heb u eene dergelijke som bestemd;—ik hoop dat die
u in staat zal stellen uw beroep met meer voorspoed dan tot dusver te
volgen. Ik heb dikwerf met leedwezen opgemerkt, dat behoeftigheid
eerder verachting dan medelijden doet ontstaan, vooral onder mannen van
zaken, bij wie de armoede aangemerkt wordt als een blijk van
onbekwaamheid. Maar het weinige, dat ik u heb kunnen nalaten, zal u uit
die bezwaren redden, waartegen gij vroeger te worstelen hadt, en dan,
twijfel ik niet, gij zult al den voorspoed vinden, welken iemand van uw
wijsgeerigen aard wenschen kan.
„Ik gevoel echter dat mijne krachten zoodanig afnemen, dat ik u op
mijne laatste wilsbeschikkingen moet wijzen, om inlichtingen te
verkrijgen omtrent al het overige. Mijne dienstboden zullen daaruit
zien, dat ik hen niet vergeten heb, en er zijn nog enkele kleine
liefdegiften, welke mijne executeurs niet vergeten zullen. De Heere
zegene u allen! Ik verlaat u voor korten tijd—”
Hier trad een knecht met grooten haast in de kamer, en zeide dat er een
zaakwaarnemer uit Salisbury was overgekomen, met een boodschap, welke
hij aan den heer Allworthy zelven mededeelen moest; dat hij zeer
gehaast scheen, en verklaarde zooveel te doen te hebben, dat als hij op
vier plaatsen tegelijk kon zijn, hij toch niet klaar zou komen.
„Ga, mijn jongen,” zei Allworthy tot Blifil, „en vraag wat die heer
wil. Ik ben nu niet in staat mij met zaken op te houden, en hij kan ook
niets noodig hebben, waarin gij nu niet meer betrokken zijt dan ik.
Bovendien ik ben nu wezenlijk buiten staat—ik kan niemand ontvangen;—ik
kan mijne gedachten niet meer bijeen houden.”
Hij nam nu weder van hen afscheid en zeide dat hij naar rust verlangde,
daar het praten hem al te zeer uitgeput had.
Eenigen der aanwezenden stortten vele tranen toen zij de kamer
verlieten en zelfs de wijsgeer Square, hoewel niet aandoenlijk van
aard, veegde zich de oogen af. Wat jufvrouw Wilkins betreft, de parelen
ontvielen hare oogen even snel als de kostbare gomdroppels den
arabischen boom; want dit was eene ceremonie, welke de goede vrouw bij
geene gelegenheid ooit verzuimde.
Hierop legde de heer Allworthy het hoofd neder en trachtte eenige rust
te nemen.