EEN KLEIN HOOFDSTUKJE, VOOR EENE KLEINE GEBEURTENIS.

Onder andere bezoekers, die hunne opwachting maakten bij den jongen

heer gedurende zijne ziekte, bevond zich ook juffer Honour. De lezer

zal zich welligt, als hij zich eenige uitdrukkingen herinnert, die haar

ontvallen waren, verbeelden, dat zij zelve eene bijzondere neiging

koesterde tot den heer Jones;—maar dat was volstrekt niet het geval.

Tom was een knap jong mensch, en voor dat slag van mannen had juffer

Honour eenige achting; maar dit was van zeer algemeenen aard; want

gedwarsboomd zijnde in hare liefde tot den knecht van zekeren edelman,

die haar op eene laaghartige wijze verlaten had, na beloofd te hebben

haar tot zijne vrouw te maken, had zij de verbrijzelde brokken van haar

hart voortaan zoo zorgvuldig bewaard, dat geen stukje er van sedert

dien tijd ooit in het bezit van eenigen man was geweest. Zij beschouwde

alle schoone mannen met die gelijkmatige achting en welwillendheid,

welke een geregelde en deugdzame geest voor al wat goed is,

gevoelt.—Men kon inderdaad van haar zeggen dat zij dezelfde liefde

gevoelde voor de mannen in het algemeen als Socrates voor de

menschheid; den een de voorkeur gevende boven den anderen voor

ligchamelijke, even als hij het deed voor geestelijke hoedanigheden;

maar zonder ooit toe te laten dat deze voorkeur eenige stoornis te weeg

bragt in de wijsgeerige kalmte van haar gemoed.

Den dag nadat de heer Jones tegen zich zelven den strijd gevoerd had,

door ons in het vorige hoofdstuk beschreven, kwam juffer Honour hij hem

in de kamer, en hem alleen vindende, begon zij als volgt:

„Wel, mijnheer! Waar denkt gij dat ik heen ben geweest? Ik wed dat gij

het in geen vijftig maal raden kunt. En al deedt ge het, dat zou toch

niet helpen; want ik mag het u niet zeggen.”

„O, als het iets is, dat ge me niet zeggen moet,” zei Jones, „dan zal

ik juist zoo vrij zijn daarnaar te vragen;—want ik weet dat ge niet

hardvochtig genoeg zijt, om mij te leur te stellen.”

„Ik weet ook eigenlijk niet, waarom ik u teleurstellen zoude,” zeide

zij; „want, wat dat betreft, gij zult er wel niet verder van praten. En

al deedt gij dat, het zou toch niets te zeggen hebben, als gij niet

wist, wat ik daar doen moest. Maar, voor mijn part, weet ik niet waarom

het een geheim zou blijven;—want zooveel is zeker, dat zij het liefste

meisje ter wereld is!”

Hierop begon Jones ernstig te smeeken in het geheim ingewijd te worden,

met de stellige belofte van het niet te verklappen, waarop zij

hervatte:

„Nu, dan moet gij weten, mijnheer, dat mijne jonge dame mij zond om

naar Molly Seagrim te zien, en te vragen of het meisje iets noodig

had;—’t is waar, daar had ik weinig zin in; maar dienstboden moeten

doen wat hun bevolen wordt.—Hoe kondt gij u toch zoo verlagen mijnheer

Jones?—Nu! mijne meesteresse beval me er heen te gaan en haar wat

linnengoed en het een en ander te brengen.—Zij is werkelijk al te goed!

Als men zulke gemeene feeksen naar het verbeterhuis zond, zou dat beter

voor haar zijn!—Ik zei tegen de jufvrouw,—jufvrouw, zei ik, dat is wel

degelijk de luiheid aanmoedigen—”

„Ach! heeft mijne Sophia die goedheid gehad!” riep Jones.

„Mijne Sophia! Heere mijn tijd!” hernam Honour. „En toch, als gij alles

wist,—wezenlijk, als ik mijnheer Jones was, zou ik wat hooger uitzien

dan naar zulke sletten als die Molly Seagrim.”

„Wat beteekent dat: „als ik alles wist?”” vroeg Jones.

„O ik weet wel wat ik zeg,” hernam Honour.—„Herinnert gij u niet eens

de handen gestoken te hebben in de mof van de jufvrouw?—Wezenlijk, ik

zou het haast over het hart kunnen krijgen het u te vertellen, als ik

maar zeker was, dat de jufvrouw er niets van vernemen zou.”

Hierop legde Jones de plegtigste geloften af, en Honour ging voort:

„Nu dan, de jufvrouw had me het mofje gegeven; en later, toen zij

vernam wat gij gedaan hadt,—”

„Dus hebt gij dat over verteld?” viel haar Jones in de rede.

„En als ik dat gedaan heb, mijnheer,” hernam zij, „behoeft gij u niet

kwaad te maken. Menigeen zou zijn leven er voor gegeven hebben, om zoo

iets aan de jufvrouw te doen oververtellen, als zij maar geweten

hadden,—want zeker de eerste edelman van het land zou er trotsch op

kunnen zijn,—maar ik verklaar, dat ik meer dan half lust heb u er niets

van te vertellen.”

Jones begon weder te smeeken en haalde haar weldra over aldus voort te

gaan.

„Ge moet dan weten, mijnheer, dat de jufvrouw me die mof gegeven had;

maar een dag of wat nadat ik haar die geschiedenis verteld had, begint

ze me ontevreden te zijn met hare nieuwe mof,—het mooiste dingetje, dat

ge u wel voorstellen kunt. „Honour,” zei zij tegen me, „deze is eene

afschuwelijke mof; ze is me veel te groot. Ik kan ze niet gebruiken.

Tot ik eene andere krijg, moet ge me de oude maar weer geven, en ge

kunt deze hier in de plaats daarvan krijgen”;—want zij is veel te goed,

dat verzeker ik u, om iets te geven en het dan weer terug te nemen. Dus

ging ik ze maar voor haar halen en ik geloof dat zij ze sedert dien

tijd altijd aan den arm heeft gehad, en ik sta er voor in dat zij ze

menigen kus gegeven heeft als er niemand bij was!”

Hier werd het gesprek afgebroken door den heer Western, die Jones naar

de klavecimbel kwam roepen, waarheen de arme jongen bleek en bevend

ging. Dit merkte Western wel op, maar jufvrouw Honour ziende, schreef

hij het aan eene verkeerde reden toe, en half lagchende, half in ernst,

beval hij hem met een zwaren vloek, om buiten ’s huis jagt te maken, en

niet op zijn gebied te stroopen.

Sophia schitterde dezen avond in al hare schoonheid, en wij kunnen wel

aannemen, dat het hare bekoorlijkheden niet weinig verhoogde in de

oogen van den heer Jones, om nu juist de mof, waarvan sprake geweest

was, op haar regter arm te zien.

Zij speelde juist een van haar vaders lievelingsdeuntjes, terwijl deze

achter op haar stoel leunde, toen de mof over hare vingers zakte en

haar spel stoorde. Dit maakte haar vader zoo driftig, dat hij de mof

opgreep en ze met een vloek op het vuur wierp.

Sophia echter sprong dadelijk op en redde ze met de meeste drift uit de

vlammen.

Hoewel deze gebeurtenis slechts beuzelachtig zal schijnen aan vele

onzer lezers maakte ze evenwel zulk een geweldigen indruk op den armen

Jones, dat wij ons verpligt rekenden ze te vermelden. Inderdaad,

onverstandige schrijvers laten dikwerf maar al te vele kleine

omstandigheden onvermeld, waaruit de meest gewigtige gebeurtenissen

voortgevloeid zijn. In het algemeen toch moet de wereld beschouwd

worden als eene machine, welker groote raderen eerst in beweging gezet

worden door de kleine die bijna onzigtbaar zijn voor alle, behalve voor

de allersterkste oogen.

Dus waren al de bekoorlijkheden van de onvergelijkelijke Sophia, het

schitterende vuur en de kwijnende zachtheid harer oogen, de

welluidendheid harer stem, hare schoonheid, evenmin als hare

geestigheid, goedheid, of beminnelijkheid in staat geweest zoo

bepaaldelijk het hart van den armen Jones te veroveren en in boeijen te

slaan, als deze ééne kleine gebeurtenis met de mof! Dus zingt ook de

dichter zoo bekoorlijk van Troje:

„—Captique dolis lachrymisque coactis

Quos neque Tydides, nec Larissaeus Achilles,

Non anni domuere decem, non mille carinae.”

„—De stad die Diomeed en Thetis’ grooten Zoon,

Een lang beleg van tiental jaren weerstond,

En duizend schepen fier trotseerde, viel

Door vleijend taal en valsche tranen magt.”

Alzoo werd ook de citadel van Jones overrompeld. Al die bezwaren van

eer en voorzigtigheid, welke onze held pas met zooveel krijgsbeleid als

wachters gesteld had voor de toegangen tot zijn hart, verlieten hunne

posten en de liefdegod deed zijn zegevierenden intogt.

Tom Jones · 第 70 / 340 题