Men moet dan weten, dat de twee geleerden, die nu op het tooneel dezer
geschiedenis zoo veel plaats beslaan, sedert hunne eerste opname onder
het dak van den heer Allworthy zoo veel liefde opgevat hadden, de ééne
voor zijne deugd, de andere voor zijne godsdienst, dat zij beiden
verlangden zich zoo naauw mogelijk met hem te verbinden.
Tot dit einde vestigden zij hunne blikken op die schoone weduwe, welke,
ofschoon wij haar in den laatsten tijd niet vermeld hebben, naar wij
hopen, nog niet vergeten is door den lezer. Mevrouw Blifil dan was
inderdaad het voorwerp waarop beide hunne hoop vestigden.
Het zal welligt opmerkelijk schijnen, dat van vier personen, die wij in
het huis van den heer Allworthy vermeld hebben, er drie hunne liefde
vestigden op eene dame, die nooit zeer beroemd was om hare schoonheid,
en die nu, bovendien, zekeren leeftijd bereikt had; maar het is
ontegenzeggelijk, dat boezemvrienden en intieme kennissen gemeenlijk
eene zekere aangeborene neiging hebben voor sommige vrouwen in het huis
van hunne vrienden, bijvoorbeeld voor hunne grootmoeder, moeder,
zuster, dochter, tante, of nicht, als deze rijk is, en voor hunne
vrouw, zuster, dochter, nicht, beminde, of dienstmeid, als die schoon
zijn.
Wij wenschten echter niet, dat de lezer zich verbeelde, dat menschen
van het karakter van Thwackum en Square, iets van dien aard zouden
ondernemen, dat sommige strenge zedepredikers afgekeurd hebben, eer zij
het naauwkeurig onderzocht en uitgemaakt hadden, of het eene
gewetenszaak was of niet. Thwackum werd tot de onderneming aangespoord
door zich te herinneren, dat het nergens verboden is, zijns naasten
zuster te begeeren, en hij wist dat het een regel was in de uitlegging
van alle wetten, dat „expressum facit cessare tacitum.” Hetgeen
beteekent, dat, als een wetgever duidelijk zijne geheele bedoeling
ontwikkelt, het ons niet vrij staat hem te laten zeggen wat ons goed
dunkt. Daar dus sommige vrouwen vermeld worden in de goddelijke wet,
die ons verbiedt datgene te begeeren wat onzen naaste toebehoort, en er
niet van eene zuster gesproken wordt, beschouwde hij dat als voor hem
voldoende. En wat Square betreft, die uiterlijk, wat men noemt een
fiksche kerel was, hij bragt weldra zijne wenschen in overeenstemming
met de eeuwige orde der dingen.
Daar nu beide heeren ijverig elke gelegenheid waarnamen om zich bij de
weduwe aan te bevelen, begrepen zij dat het één onfeilbaar middel zou
zijn om hare gunst te verwerven, wanneer zij haren zoon aanhoudend de
voorkeur schonken boven den anderen jongen, en daar zij inzagen, dat de
goedheid en de liefde, welke de heer Allworthy dezen laatsten bewees
haar hoogst onaangenaam moest wezen, twijfelden zij niet dat zij haar
zeer behagen zouden door elke gelegenheid te haat te nemen om hem te
vernederen en te verlagen,—omdat, daar zij den jongen haatte, zij
natuurlijk al diegenen moest beminnen, die hem kwaad deden.
Op dit punt was het voordeel aan Thwackum’s zijde; want terwijl Square
slechts den goeden naam van den armen jongen schenden kon, had de
andere het in zijne magt hem bijna levend te villen, en inderdaad, hij
beschouwde elken slag, dien hij hem gaf als een compliment aan zijne
beminde: zoodat hij, met het meeste regt, den ouden regel, „castigo te
non quod odium habeam, sed quod AMEM,” op zich zelven toepassen
kon:—Dat is, „ik straf u niet uit haat, maar uit liefde.” En deze
woorden had hij ook werkelijk telkens in den mond.
Het was dan voornamelijk om deze reden dat de beide heeren, zooals wij
gezien hebben, overeenstemden in hunne meening omtrent de twee
jongens;—en dit was, wezenlijk, bijna het eenige punt waaromtrent zij
het ooit eens waren; want behalve het verschil van grondbeginselen,
waren zij beide reeds lang geleden begonnen elkanders voornemen te
peilen, en haatten zij elkaar met niet weinig verbittering.
Deze onderlinge vete werd niet weinig vermeerderd door de voordeelen
beurtelings door beide behaald; want mevrouw Blifil begreep waar zij
heen wilden lang eer zij zich dat verbeeldden, of het zelfs wenschten;
want zij handelden met de meeste omzigtigheid, ten einde haar niet te
beleedigen, waarna zij zeker den heer Allworthy de oogen daaromtrent
zou kunnen openen. Maar zij hadden dit niet behoeven te vreezen; want
eene liefde, waarvan zij zich vast voornam dat niemand dan zij zelve
eenige vruchten zou plukken, mishaagde haar volstrekt niet. En de
eenige vruchten, welke zij zich voorstelde, bestonden in vleijerij en
vrijaadje; om welke reden zij beiden beurtelings streelde en een
tijdlang in gelijke mate. Zij was inderdaad meer geneigd om de
grondbeginselen van den geestelijke te begunstigen; maar Square’s
uiterlijk beviel haar beter, want hij was een knap man,—terwijl de
onderwijzer, wat zijne gelaatstrekken betreft, veel geleek op dien heer
die, in Hogarth’s „leven van een ligtekooi,” de dames in de gevangenis
de les leest.
Hetzij mevrouw Blifil walgde van de zoete huwelijksvreugden, of
afgeschrikt werd door het bittere daarvan, of om eenige andere
oorzaak,—dat weet ik niet, maar zij kon er niet toe komen van eenig
nieuw aanzoek te hooren. Evenwel, begon zij eindelijk op zulk een
gemeenzamen voet met Square omtegaan, dat eerbiedwaardige menschen
dingen van haar begonnen te fluisteren, waaraan wij, uit eerbied voor
de dame (en omdat zij geheel en al in strijd waren met de wetten van
het regt en de orde der dingen), geen geloof hechten en waarmede wij
dus ons papier niet bezoedelen zullen. Zeker is het echter, dat de
meester aan het ranselen bleef, zonder één stap vooruit te komen.
Inderdaad, hij had eene groote dwaling begaan, welke Square veel eerder
ontdekte dan hij. Mevrouw Blifil (zoo als de lezer welligt geraden zal
hebben), was niet zeer ingenomen geweest met haar man,—ja, om eerlijk
te zijn,—zij had hem bepaaldelijk gehaat, tot de dood haar eindelijk
eenigzins met hem, in de herinnering, verzoende. Het zal dus niet veel
verwondering baren, dat zij geene zeer hevige liefde koesterde tot zijn
kroost. En, inderdaad, zij gaf zoo weinig om haar zoon, dat zij hem in
zijne kindschheid slechts zelden zag, of eenige notitie van hem nam; en
om die reden, na eenig tegenstribbelen, stemde zij stilzwijgend in de
gunsten toe, waarmede de heer Allworthy den vondeling overlaadde, dien
de goede man zijn eigen zoon noemde en in alle opzigten op gelijken
voet stelde met den jongen heer Blifil. Deze toegefelijkheid van den
kant van mevrouw Blifil werd door de buren en de familie beschouwd als
een blijk harer inschikkelijkheid jegens haren broeder; en alle
menschen geloofden, even als Thwackum en Square, dat zij den vondeling
haatte; ja zelfs, hoe meer beleefdheid zij hem bewees, hoe meer zij
zich verbeeldden dat zij hem haatte, en hoe langer zoo gevaarlijker
plannen smeedde om hem te grond te rigten: want, daar zij begrepen dat
het in haar belang was hem te haten, viel het haar zeer zwaar te
bewijzen dat zij dat niet deed.
Thwackum werd te meer in dit gevoelen bevestigd, omdat zij hem meer dan
eens Tom Jones had doen afrossen als de heer Allworthy, die een vijand
van die ligchaamsoefening was, niet te huis was, zonder dat zij ooit
eenig bevel van dien aard gegeven had ten opzigte van den jongen heer
Blifil. En dit had Square ook gefopt.
En geen wonder, want hoewel zij zeker haar eigen zoon haatte,—iets
waarvan, hoe afschuwelijk dit ook zij, zij niet het eenige voorbeeld
is,—scheen zij toch, in weerwil van allen uiterlijken schijn, in haar
hart zeer ontevreden met de gunst door den heer Allworthy aan den
vondeling bewezen. Hierover klaagde zij dikwerf achter den rug van haar
broeder, tegen Thwackum en Square, ja, verweet het wel eens Allworthy
zelven, als er soms een kleine twist, of woordenwisseling tusschen hen
ontstond.
Naarmate echter Tom opgroeide en blijken gaf van dien hoffelijken aard,
welke de mannen zoo zeer bij de vrouwen aanbeveelt, verminderde
langzamerhand de afkeer, welken zij voor hem als kind gekoesterd had,
en zij toonde eindelijk zoo duidelijk dat hare liefde tot hem verre
die, welke zij haar eigen zoon toedroeg, overtrof, dat het onmogelijk
was zich verder daaromtrent te vergissen. Zij verlangde zoo dikwijls om
hem te zien, en toonde zoo veel genoegen en voldoening in zijn omgang,
dat eer hij achttien jaren oud was hij een mededinger werd van Square
en Thwackum, en wat nog erger is, alle buren even luide begonnen te
spreken over hare neiging tot Tom als vroeger over die welke zij jegens
Square aan den dag had gelegd, om welke reden deze den
onverzoenlijksten haat koesterde voor onzen armen held.