De kapitein van politie Baxter had het privé-kantoor der firma Apsley &
Co., na de inbraak door Lord Lister, alias Mr. Shaw, verlaten, ten
einde een razzia te houden in de Zuidoostelijke stadsgedeelten van
Londen.
Hij had niet de zuivere, ten minste niet de geheele waarheid gesproken.
Zulk een razzia toch was reeds van de zijde van andere detectives van
Scotland Yard in vollen gang. Hij zelf echter, met zijn speciale
ondergeschikten Tyler en Marholm, was van plan, de aanwijzingen van den
jongen Apsley te volgen en den vervalscher der bankbiljetten, den
schilder Mr. Gower, te overvallen, mee te nemen en in hechtenis te
brengen.
Mr. Gower liep in zijn atelier, met grootendeels onomlijste
schilderijen en kopergravures versierd, onrustig op en neer en rookte
een sigaret. Op een teekentafel lagen de voor het kopergraveeren
benoodigde werktuigen, graveerstift, schaaf en polijststaal, benevens
een begonnen plaat. Op een piedestal op den achtergrond schitterde de
half-voltooide karakterkop van een apostel.
De kunstenaar echter, die slechts zelden bij electrisch licht werkte,
had er dezen avond niet den minsten lust toe.
Steeds weer moest hij er aan terugdenken, dat hij door nood gedrongen,
op een zwak oogenblik, aan zijn clubgenoot James Apsley een valsch
bankbiljet te wisselen had gegeven, dat nog in diens handen was en dat
deze de teruggave geweigerd had, ofschoon de kunstenaar hem het volle
bedrag en zelfs meer had geboden.
De kunstenaar had een zijde van de bankbiljetten eenigen tijd geleden
klaar gemaakt voor een Londensche firma, die de keerzijde wenschte te
gebruiken om haar fabrikaten op humoristische wijze aan te prijzen.
De biljetten waren echter zoo volkomen gelijkend uitgevallen, dat de
firma vreesde daardoor in conflict met de wet te komen en per slot van
rekening haar geheele plan opgaf.
De schilder had nu de reeds gemaakte afdrukken voor zich liggen. Meer
gedreven door nieuwsgierigheid dan door hebzucht of met het doel om te
vervalschen, had hij de rugzijde ook nagestoken en achter op de gereed
zijnde biljetten afgedrukt.
Hij was zelf verbaasd over de gelijkenis met de echte bankbiljetten,
had echter de pakjes weggesloten en bijna vergeten, totdat een
plotselinge geldnood hem eraan herinnerde.
James Apsley had hem in zijn atelier opgezocht, om een historisch
schilderij van den kunstenaar te bezichtigen, voordat dit naar de
............expositie ging, waar het als „Messalina’s dood” veel van
zich deed spreken.
Het was bij deze gelegenheid, dat Gower noodgedwongen het biljet van
vijftig pond uit een ouden stoel bij het atelierraam op den achtergrond
te voorschijn had gehaald en Mr. Apsley verzocht de banknoot voor hem
te wisselen.
Hij had weliswaar gevreesd, dat de met alle geldsoorten goed bekende
zoon van den reeder dadelijk de vervalsching zou bemerken, in welk
geval hij hem zou vertellen, hoe hij tot dezen arbeid was gekomen en
hoe hij erover dacht, kortom, dat hij zich slechts een grap had
veroorloofd.
Toen evenwel Apsley, die de vervalsching dadelijk had ontdekt, zich
niet in dien geest uitliet, doch zonder bedenking de banknoot wisselde,
had hij in zijn benarde positie de zwakheid om te zwijgen en de som,
hoewel zijn geweten hem erg knaagde, aan te nemen.
Reeds een paar dagen later was hij in het bezit van een beduidende som
gelds, daar zijn schilderij „Messalina’s dood”, nauwelijks
tentoongesteld, een kooper had gevonden.
Zijn eerste gang was naar Apsley geweest.
Daar hij hem niet thuis trof, had hij hem in de Heerenclub opgezocht,
alwaar de bespreking had plaats gehad, die Lord Lister had
afgeluisterd.
Door de onthulling van het ware karakter van Apsley en het in hem
opgewekte medegevoel voor den kunstenaar nam Lister het besluit
tusschenbeide te komen.
Onrustig liep Mr. Gower zijn atelier op en neer. De weigering van James
Apsley om hem het biljet terug te geven en de daaruit blijkende
vijandelijke gezindheid en slechte bedoeling maakten hem zeer bezorgd.
Hij was beslist van plan om in de eerstvolgende dagen alle nagemaakte
bankbiljetten aan het vuur prijs te geven.
Steeds weer stelde het hem eenigszins gerust, dat zelfs in het ergste
geval wel niemand op de gedachte zou komen, dat zij in den ouden,
uitgesneden stoel waren verborgen, die bovendien nog alleen door een
moeilijk te vinden veer was open te krijgen.
Op dit oogenblik werd er geklopt en nadat de schilder „binnen!” had
geroepen, trad eerst de kapitein van politie Baxter en achter hem de
detectives Tyler en de „Vloo” binnen.
De kunstenaar verbleekte bij het zien van de hem bekende beambten van
Scotland Yard.
„Wat verschaft mij de eer, meneer de kapitein van politie?” vroeg hij
met voorgewende kalmte.
„Nu, Mr. Gower, wanneer ge dat nog niet weet, zult gij het spoedig
hooren. Wij komen om uwe schilderijen te bekijken. Het is alleen nog
maar de vraag, welke!”
De hoop, dat de detectives de schuilplaats niet zouden vinden, gaf den
schilder kracht.
„Ik heb mij niets te verwijten! Hier moet een vergissing in het spel
zijn, meneer de kapitein van politie”.
Baxter haalde de schouders op.
„Dat zegt iedereen natuurlijk. Maar de zeer juiste aanwijzingen, die ik
heb, laten geen twijfel over.
„Ik moet u verzoeken geen pogingen te doen om te ontvluchten, zoolang
ons onderzoek nog niet is afgeloopen!
„Het resultaat zal beslissend zijn!
„Neemt u hier plaats en verroer u niet.
„Tyler, gij blijft borg voor Mr. Gower!”
Als een gebroken man zonk de kunstenaar op den stoel neer voor zijn
koperplaat en steunde zijn hoofd in zijn rechterhand.
Diep ongelukkig mompelde hij:
„O, wat een schande! O, wat een schande!”
Nog grooter werd zijn schrik, toen hij zag, dat de kapitein van politie
en de vloo, zonder zich met eenig nader onderzoek bezig te houden, het
piedestal met het apostel-beeld voorbij gingen en regelrecht op den
stoel bij het achterste atelier-raam toe liepen.
„Dat daar is een gesneden stoel, kapitein!” zei de vloo. „Die zal het
zijn! Nu zullen we eens zien, of we de veer kunnen vinden.
„Het zou jammer zijn van het kostbare stuk, wanneer wij het moesten
openbreken!”
„Kostbaar? Bah, dan heb ik wel eens wat kostbaarders gezien!”
„Waarom niet? Het is toch een echt antiek stuk, misschien wel zes- of
zeven honderd jaar oud.”
„Och praat toch niet. In dien tijd kende men toch zeker nog geen
geheime bergplaatsen!”
„Dat is nog de vraag”, gaf de vloo ten antwoord.
Dadelijk daarop riep hij triomfanteljk, zoodat het den schilder als een
doodsoordeel in de ooren klonk:
„Ik heb de veer! Kijk, daar is de knop, het is snijwerk!”
Gower zou het liefst door den grond zijn gezonken van schaamte en
ellende.
Door den druk van Marholm was de stoel opengesprongen en de beide
detectives keken elkaar zeer verbaasd aan.
„Wel verduiveld, wat is dat nu? De stoel is immers leeg? Wat beteekent
dat?” ging de kapitein van politie te keer.
De schilder dacht te hebben misverstaan. Een gevoel van geluk kwam in
eens over hem.
„Hier, kapitein, heb ik een zwaar couvert aan het adres van Mr. Gower.
Er schijnt geld in te zijn. Misschien geeft dat opheldering.”
„Neen, dat klopt al niet! Volgens de ons verstrekte gegevens moest de
stoel bijna geheel met valsche bankbiljetten gevuld zijn.
„Wat kan zich nu in dat couvert bevinden? Het schijnt mij bovendien toe
metaalgeld te zijn!”
Nadat de beide detectives den stoel nog zoo nauwkeurig mogelijk hadden
onderzocht en zich hadden overtuigd, dat er behalve het couvert niets
in was en in kon zijn, lieten ze hem weer dicht vallen en kwamen met
den briefomslag naar Mr. Gower toe.
„Ik vraag u excuus, Mr. Gower. De ons gedane aanwijzingen zijn onjuist
gebleken.
„Het was echter onze plicht een onderzoek in te stellen. Hier is echter
nog een aan u geadresseerd, gesloten couvert. Gij weet natuurlijk wat
er in is?”
„Geen flauw vermoeden”, antwoordde de kunstenaar overeenkomstig de
waarheid.
„Dat is toch zonderling! Er is hard geld in”, sprak Baxter.
„Dan moet ik u toch verzoeken, het couvert in ons bijzijn open te
maken”.
Mr. Gower werd opnieuw opgewonden. Hij dacht aan dat eene, door hem
uitgegeven bankbiljet.
Toen hij echter het couvert had opengesneden, rolden er 25 goudstukken
uit, terwijl hij een schrijven openvouwde, dat hij met blijde verbazing
las.
Het luidde:
„Geachte Meester!
Vergeefs hier op u wachtend met het doel u een portretschildering
op te dragen, ontdekte ik het geheim van den stoel en veroorloofde
mij, hieraan bijgaand voorschot op het aanstaand meesterwerk van uw
penseel toe te vertrouwen, zeer benieuwd, of en zoo ja, op welke
wijze gij dezen brief, ontdekken zult.
Met verzoek de grap goed op te nemen,
Iemand, dien gij spoedig zult leeren kennen.”
Gower liet het couvert zien. Verder bevatte het niets.
De drie detectives stonden sprakeloos.
„Dat is heel aardig”, zei kapitein Baxter erg bedaard. „Ik wou, dat ik
ook zulke onbekende vrienden had!”
„Nu en of”, ging de vloo verder, „vijf-en-twintig sovereigns is geen
kinderspel, en dat heet nog maar een voorschot. Gij moet wel reusachtig
veel verdienen!
„Ik zou wel eens willen weten, hoe lang dat daar al in ligt”.
Mr. Gower haalde de schouders op.
„Een datum is in het beleefde briefje niet aangegeven. Dat kan er wel
al lang in liggen”.
„Welnu, meneer Gower, neem ons niet kwalijk. Dergelijke onaangename
plichten brengt ons beroep nu eenmaal mee.
„In elk geval zijt gij volkomen in ’t gelijk gesteld. Met den aangever
hebben we nog een appeltje te schillen.
„Wil ons dus verontschuldigen en vaarwel.”
„Adieu, heeren!”
De drie detectives van Scotland Yard hadden geen gelukkigen dag.
Als drie natte poedels dropen ze af en aanvaardden den terugtocht.
Mr. Gower evenwel sloeg van blijdschap de handen ineen, nu de storm zoo
kalm over zijn hoofd was heengegaan, en dacht ontroerd aan den
onbekenden vriend, aan wien hij zijn redding had te danken.
Toen Lord Lister uit de club op zijn villa terugkwam, vond hij zijn
trouwen Charly, in weerwil van het vergevorderd uur, nog bezig aan zijn
aeronautischen arbeid.
De luchtschip-techniek was Charly’s stokpaardje en ze zou hem nog
dikwijls te pas komen.
„Arme kerel”, sprak Lister vol medelijden, „hij heeft zijn hoofd niet
durven neerleggen uit zorg voor onze schatten!
„Dat is de vloek van het goud, Charly!
„Men kan het draaien zooals men wil, het hebben of niet hebben baart
den mensch veel zorgen!
„Doch genoeg over levenswijsheid!
„Wij kunnen helaas nog niet naar bed gaan, want je moet nog eenmaal op
onderzoek uit!”
„Ik ben bereid, Edward.”
„Ik stel er namelijk veel belang in om te weten, of de verwisseling der
bankbiljetten in de ......street al ontdekt is!”
„In welke gedaante?”
„Als Mr. Shaw! Bedenk wel, dat de fameuze kapitein van politie een
tamelijk scherp oog heeft; nog daargelaten de in dit opzicht zeer
begaafde vloo.
„Laat je nachtauto tegenover het garçonlogis van Apsley wachten, blijf
erin, totdat Scotland Yard wegtrekt, of totdat er leven komt in het
huis, en vraag naar het voorgevallene alsof je juist voorbij kwaamt!”
„Goed”, antwoordde Charly, die reeds voor den spiegel stond om zich een
echt Amerikaansch aanzien te geven.
In korten tijd was hij weer de elegante, jonge Mr. Robert Benting-Shaw
uit Chicago.
Hij drukte Lord Lister de hand en ging haastig weg.
Lister stak een sigaret op en liep peinzend heen en weer.
Daarop nam hij een deel van Shakespeare’s meesterwerken van de plank en
verdiepte zich in zijn prachtige comedie „Cymbeline”.
Eindelijk kwam Charly opgewonden en ontdaan terug en deelde mede, dat
zooeven, opgebeld door de bewoners van het huis, Scotland Yard was
aangekomen en de lijken der beide heeren Apsley in de
vrijgezellenwoning van den vader had gevonden.
„Blijf hier, Charly, en zorg voor koffie. Het is bijna morgen. Ik ga
erheen en wil zelf hooren en zien, wat er gebeurd is. Ik zal niet lang
wegblijven!”
De dikke Amerikaan werd op de plaats van het ongeval door de beambten
van Scotland Yard als een oude kennis met vreugde begroet. Vooral
Baxter was niet weinig gevleid, dat de wereldberoemde milliardair zoo
druk met hem omging.
De beide lijken lagen nog, zooals men ze had gevonden, vader en zoon
over elkaar uitgestrekt.
Terwijl de beambten de slaapkamer doorzochten en bij de ontdekking van
de kast in den muur luide uitroepen van verbazing en verontwaardiging
slaakten, stond Lord Lister met over elkaar geslagen armen in de
huiskamer en keek met ernstig gelaat naar het tweetal, dat zichzelf had
gestraft.
Al waren het ook schurken en al hadden zij ook een moord op hun geweten
genomen, om geen getuige tegen zich te hebben, hun dood had hij toch
niet gewenscht.
Daar trad, blijkbaar zeer opgewonden, kapitein Baxter de kamer binnen.
„Wat is er, Mr. Baxter? Wat maakt u zoo nerveus? Hoe verklaart gij deze
aangelegenheid, die mij zoo onbegrijpelijk mogelijk is? Wat een
vreeselijk geval!”
„De verklaring is heel eenvoudig”, antwoordde Baxter met
zelfvoldoening.
„Ik wil geheel in het midden laten, of hier een moord of een dubbele
zelfmoord is gepleegd, daar de schoten uit dezelfde revolver kwamen.
„Ik denk aan dubbelen zelfmoord.
„De beide heeren Apsley zijn ontmaskerd als de uitgevers van de in
omloop zijnde valsche bankbiljetten. Daar binnen, in de slaapkamer,
bevindt zich een geheime muurkast, die geheel gevuld is met valsche
biljetten van vijf, tien en vijftig pond. Tyler en Marholm zijn juist
bezig het bedrag te tellen.”
„De beide heeren Apsley vervalschers van bankpapier? Maar waarom hebben
zij elkaar dan om het leven gebracht?” vroeg Lord Lister.
„Valsch papiergeld tot zulk een hoog bedrag”, antwoordde Baxter met een
gewichtig gelaat, „kan alleen bij hooge bedragen met echt papier mee
gesmokkeld worden. En daar de heeren Apsley door de inbraak in hun
kantoor hun geheele vermogen hebben verloren, zagen zij geen kans, het
valsche papier ooit te kunnen uitgeven. Daar zij door den diefstal van
Raffles alles kwijt waren, zochten zij te zamen den dood. Wat zegt gij
van deze verklaring?”
„Die is zeer aannemelijk, kapitein. Wel, wel, wat hebt gij een gave om
te combineeren! Bewonderenswaardig!”
„O, Mr. Shaw, gij maakt mij verlegen”, antwoordde Baxter gevleid. „Wat
mij het meest ergert is, dat deze jonge schurk hier op den grond—die
zichzelf nu heeft gestraft—den moed had om Scotland Yard leugenachtige
mededeelingen te doen omtrent een eerlijk man, terwijl hij zelf de
vervalscher was.”
Lister gaf hem gelijk, hoewel het hem moeite kostte niet te
schaterlachen.— — —
Toen Lord Lister in de villa terugkeerde, had Charly intusschen
heerlijke koffie gezet en de versche broodjes aangenomen van den
bakkersjongen.
„Nu, mijn beste jongen”, sprak Lord Lister, een fijne sigaret
aanstekend, „laat ons nu allereerst eens zorgen voor het geluk van een
jong paar.
„Neem het geniale plan van den ingenieur Burton en bezorg het, vermomd
als boodschapsjongen, met een begeleidend briefje van mij aan Miss
Betty Robertson, de bruid van den ingenieur.
„Zij heeft nog tijd genoeg om het ontwerp aan haar verloofde ter hand
te stellen, opdat hij aan den wedstrijd kan deelnemen.”— — —
Reeds vroeg in den morgen had ingenieur Burton zich naar het
Admiraliteitsgebouw begeven, waar in twee zalen de wedstrijd om tien
uur zou worden geopend.
Hij was in zijn verdriet eigenlijk alleen gegaan om te zien of zijn
ontwerp niet door een ongerechtigde werd ingeleverd.
Maar hij had alle hoop reeds opgegeven.
Daar verschenen, bijna op het laatste oogenblik, twee dames in de
deuropening en hij hoorde door een bekende stem zijn naam roepen.
Toen hij omkeek, zag hij naast een kennis zijn bruid staan, die een
blauw papier in de hoogte hield.
Burton uitte een jubelkreet en vloog haar tegemoet. Het ontwerp was
terug en hij kon het nog tijdig inleveren.
Daar er weinig ontwerpen ingekomen waren over dit zoo uiterst moeilijke
onderwerp, werd reeds na anderhalf uur door de jury beslist, dat
Burton’s plan als verreweg het beste met den prijs was bekroond en ter
uitvoering was aangenomen, welke hem eveneens was opgedragen.
Toen de uitspraak bekend werd kwamen juist Lister en Charly nader om
naar den stand der zaken te informeeren. De groote onbekende kocht, in
zijn rol van den milliardair Shaw de nu stilstaande werken der firma
Apsley en stelde deze ter beschikking van den jongen ingenieur.
Hierop reed het gezelschap per auto naar den schilder Gower om
verschillende bestellingen voor portretten te doen.
Mr. Gower drukte Lord Lister onophoudelijk vol dankbaarheid de handen,
en toen het gezelschap zich in het atelier had verspreid, riep Lister
den kunstenaar apart en toonde hem een biljet van vijftig pond, dat
deze maar al te goed herkende.
Lister streek een lucifer aan en verbrandde het voor zijn oogen.
Mr. Gower kon van ontroering niet spreken, want eerst nu was hij weer
gerust.
Het is waarschijnlijk, dat het door „Mr. Shaw” bestelde portret een
meesterstuk zal worden, evenals het model voor een Engelsche
onderzeesche boot van Mr. Burton.