ONVERWACHTE GEBEURTENISSEN IN DE HEERENCLUB.

Toen Lord Lister in de vermomming van den welgedanen Amerikaan het

marmeren salon van de Heerenclub was binnengegaan, waar achter gesloten

deuren allerlei hazardspelen werden gehouden, keek hij overal rond.

Het beruchte hazardspel wordt, zooals bekend is, door een bankhouder

gespeeld tegen een aantal pointeurs. Van een spel van 52 kaarten krijgt

ieder er 13 stuks, van het aas tot de 2, waarvan hij een of meer kan

bezitten.

De jonge Apsley hield de bank en hem zocht Lord Lister.

Hoewel natuurlijk, zooals bij de meeste hazardspelen, de bankier het

voordeeligst af is, scheen Mr. James Apsley hedenavond nog niet veel

geluk te hebben gehad.

Hij had slechts een matige winst gehad en wat hij moest uitbetalen, had

de winst verre overtroffen.

Mr. James was nog bleeker dan gewoonlijk en het zweet stond op zijn

voorhoofd.

Om zijn zenuwen te sterken, goot hij twee glazen cognac naar binnen,

voordat hij zijn champagne, die de kellner juist voor hem had

binnengebracht, begon te drinken.

Hierop wijdde hij weer alle aandacht aan het spel.

Zijn oogen openden zich wijd van verbazing, toen hij ook den dikken

Amerikaan met onverschillig uiterlijk aan de speeltafel zag staan en

deze zich door den kellner 13 kaarten liet geven.

Een lichte blos van verlegenheid kleurde het gelaat van den jongen

Apsley, omdat de Amerikaan hem hier aan de speeltafel zag, onmiddellijk

nadat deze heer van zijn vader had gehoord, dat bij de inbraak hun

geheele vermogen verloren was gegaan.

Hij voelde zich gedrongen om den Amerikaan te groeten, wat deze

doodbedaard met een beleefde buiging van het hoofd beantwoordde.

Lister had vijf kaarten bezet, ieder met 5 pond, zoodat de inzet dus 25

pond bedroeg.

Mr. James Apsley wierp nog een glas champagne naar binnen.

Daarop schudde hij zorgvuldig de kaarten, nam de twee bovenste er af,

nadat hij de onderste kaart had laten zien, die geen winst geeft, doch

den bankhouder ten goede komt.

Nadat de eerste keer was getrokken, had de Amerikaan het dubbele bedrag

op zijn kaarten staan, namelijk 600 gulden, terwijl de heer Apsley

Junior minstens evenveel had verloren, daar hij ook aan de andere

spelers had moeten uitbetalen.

Zijn vingers trilden zichtbaar, toen hij opnieuw de kaarten schudde en

door Mr. Shaw liet trekken.

„Va tout!” (het gaat om den geheelen inzet) riep Lord Lister op kalmen

toon.

„Drommels, wat is dat, Mr. Shaw?” vroeg hem een zijner kennissen, die

ook meespeelde, „gij geeft den bankhouder immers alle voordeelen! Het

zou al heel toevallig zijn, als gij dezelfde kaarten weer kreegt.”

„Nu, dat wil ik toch eens zien!” antwoordde de vermeende Yankee met

onverstoorbare, echt Amerikaansche kalmte, „ik heb een voorgevoel,

alsof Mr. Apsley, onze voortreffelijke bankhouder, vandaag niet erg

gevaarlijk is. Het is voor de Apsleys een ongeluksdag!”

Mr. Apsley’s gelaat werd donkerrood.

„Wat wilt gij daarmee zeggen, Mr. Shaw? Mag ik u om opheldering van uw

woorden verzoeken?”

„Als ik mijn inzet liet staan op dezen voor u zoo ongelukkigen dag,

waarop uw firma door inbraak voor 50,000 pond is bestolen, dan deed ik

dat, omdat ik u de kans wilde geven, voor u zelf of uw schuldeischers

dit verlies ten minste voor een klein gedeelte te boven te komen!”

Mr. Apsley werd donkerrood.

„Ik bedank beleefd voor uw ongewenschte grootmoedigheid.

„In de eerste plaats heb ik nog geld genoeg en in de tweede plaats zal

ik met behulp van mijn vrienden in staat zijn elk verlies te dekken!”

„Daaraan twijfel ik evenzeer, Mr. Apsley, als uw vader. Gij herinnert u

zeker wel, dat ik erbij stond, toen hij handenwringend verklaarde, dat

de firma Apsley bankroet was.

„Ik weet niet, of op zulk een dag de speelzaal van de heerenclub wel de

rechte plaats is om die verliezen terug te krijgen! Gij kent toch zeker

wel de bijbelspreuk, die van zooveel diepe wijsheid getuigt:

„„Wie iets heeft, aan hem wordt gegeven en wie niets heeft, van hem

wordt ook nog genomen, dat wat hij heeft!””

„Zijt gij misschien speciaal hier gekomen met het doel om uw goedkoope

methodistenwijsheid aan den man te brengen?” schreeuwde Mr. Apsley, die

reeds half dronken was.

Maar eenige leden der Club en goede kennissen kalmeerden hem.

In de zaal hadden zich groepjes gevormd, die de woorden van Mr. Shaw

bespraken. Verscheiden heeren konden de waarheid der mededeelingen

bevestigen en een van hen toonde zelfs het extra avondblad van de

Times, waarin de inbraak—volgens opgaven van den reeder natuurlijk!—in

alle bijzonderheden werd beschreven.

Ook de bestuursleden der Club stonden in een afzonderlijke groep bij

elkaar in een der kleine zijzalen, waar aan marmeren tafeltjes

gelegenheid tot soupeeren was.

Zij zetten bedenkelijke gezichten en schudden de hoofden.

Zij gaven Mr. Shaw volkomen gelijk en besloten, nauwkeurig te letten op

het spel van James Apsley en hem niet meer toe te staan, speelschulden

te maken, om hun andere leden voor verliezen te bewaren, als werkelijk

de firma insolvent zou worden verklaard.

Intusschen had Mr. James nog een paar glazen cognac naar binnen

gespoeld. Hij was echter zoo kort aangebonden en onvriendelijk tegen

zijn vrienden, dat deze zich beleedigd terugtrokken.

„Nu, hoe is het? Wij wachten hier nog steeds! Ik wil, ondanks al uw

onbeleefdheden, u deze kans nog geven. Va tout!”

„Voor mijn part dan!” riep Apsley, bij voorbaat reeds genietend in het

vooruitzicht van zijn overwinning. Maar de kaarten, die hem in vroegere

dagen zoo dikwijls hadden gelokt, totdat hij reddeloos aan den

speelduivel was vervallen, zij lieten hem op dit oogenblik in den

steek.

Onophoudelijk won Lister en toen het spel uit was, had de Amerikaan

honderd pond sterling op zijn kaarten staan.

Mr. James veegde zich het zweet van het voorhoofd. Hij had nu op dezen

avond reeds de helft verspeeld van de 500 pond, die zijn vader hem had

gegeven, toen de 50,000 pond waren overgebracht naar de geheime kast

van de vrijgezellenkamers.

Maar hij dacht er niet aan om op te houden, want hij wist immers, dat

in de kast van zijn vader zich een zeer groot bedrag bevond en dat hij

dus dit verlies gemakkelijk zou kunnen betalen.

Ook twijfelde hij er niet aan, of zijn vader zou hem, al was het ook na

eenige verwijten te hebben geuit, het verloren bedrag wel teruggeven.

Maar het hinderde hem, dat juist die Amerikaan alles had gewonnen en

hij zwoer zichzelf, hem zijn winst weer afhandig te maken.

Hij keek echter verbaasd op, toen de Amerikaan zonder een spier van

zijn gelaat te vertrekken, kalm sprak:

„Wilt gij uw geheele verlies met een enkelen slag terugwinnen? Hoeveel

staat er in de bank?”

Apsley schrok, maar hij wilde dit niet laten merken. Een verraderlijke

uitdrukking kwam in zijn oogen.

Zeker wilde deze dwaze Yankee nogmaals op dezelfde kaarten zetten! Dat

beteekende voor den bankhouder een bijna zekere winst. Deze gelegenheid

moest hij aangrijpen!

„Hier liggen 150 pond”, sprak hij na vlug geteld te hebben en hij

haalde zijn laatste 100 pond uit den zak, welke hij erbij zette.

„Nu staan er 250 pond op de bank”, vervolgde hij.

„Apsley, zijt gij door den duivel bezeten?” riepen verscheiden stemmen.

„Hij heeft de beste kansen!” riepen anderen. „Gij verliest, Mr. Shaw,

dat is zoo zeker als twee maal twee vier is.”

„Va banque!” riep onder ademlooze stilte der aanwezigen, die zich nu om

de speeltafel verdrongen, Lord Lister.

James trilde van opgewondenheid.

Hij nam een glas cognac en dronk dat in een enkelen teug leeg.

„Om ’s Hemels wil, Apsley!” vermaande hem een der bestuursleden, „drink

toch niet meer! Gij maakt u steeds meer opgewonden!”

Maar de jonge man veegde zich het zweet van het voorhoofd.

„Waarom ben ik zoo zenuwachtig?” vroeg hij zichzelf af, „ik heb toch de

meeste kans.” Wat hinderde hem in het ergste geval zulk een onbeduidend

verlies?

Al meende de wereld ook, dat hun vermogen weg was, hij wist immers

beter! Zijn vader moest toch voor hem betalen. Wat had hij dus te

vreezen?

„Ik geef u nogmaals kans om te winnen!” sprak de Amerikaan op ijskouden

toon. „Ik laat ook nu mijn inzet op dezelfde kaarten staan.”

Van alle kanten hoorde men uitroepen van verbazing, en werden zelfs

weddenschappen aangegaan.

Niemand geloofde aan het geluk van den Amerikaan.

„Zooals gij wilt”, antwoordde Mr. James schouderophalend.

Alle aanwezigen hadden opgehouden mee te spelen en keken vol spanning

naar den, zooals zij meenden, ongelijken strijd.

Opnieuw schudde de bankhouder de kaarten en trok.

Maar zijn aanvankelijke kalmte maakte plaats voor steeds grooter

opgewondenheid. De eene kaart na de andere viel bij het trekken weer

aan den kant van Lord Lister.

De handen van James Apsley beefden toen hij Mr. Shaw de gewonnen 250

pond toeschoof.

Hij zocht gejaagd in den borstzak van zijn deftige, gekleede jas. Hij

haalde zijn portefeuille te voorschijn en opende die.

Maar het gaf niets. Zij was leeg. Hij zocht ook in den anderen zak en

haalde er een groote enveloppe uit. Ook hierin bevond zich geen enkel

bankbiljet.

Hij had alles verspeeld, de 500 pond waren naar den duivel.

Opgewonden en bevend stak hij het couvert, waarin zich alleen een

manuscript op blauw papier bevond, weer bij zich.

„Mr. Darley”, sprak hij tot een zijner vrienden, met wien hij zeer

intiem was, „ik zou nog een poging willen wagen, leen mij—!”

„Ga naar huis, Apsley! Dat zal het beste voor u zijn! Ik heb weinig bij

mij!”

„Mr. North, zoudt gij misschien zoo goed willen zijn—”

„Het doet mij leed, Apsley, maar ik vind, dat gij heden, bij de

geruchten, welke in omloop zijn, beter hadt gedaan, niet te spelen. Wat

moeten uw schuldeischers daarvan denken!”

Overal weigeringen! Hij gaf het op, en toch, welk een voldoening om

dezen Amerikaan toch nog weer te kunnen overwinnen!

Haastig dronk hij nog een glas cognac en riep:

„Mijn heeren, ik geef de bank over! Laat een ander zich in mijn plaats

met Mr. Shaw meten!”

Lord Lister glimlachte.

„Zoudt gij nog tegen mij willen spelen, Mr. Apsley? Nu, ik bega

misschien een domheid, maar ik wil u iets leenen. Misschien wint gij

juist daarmee, zooals meermalen gebeurt.

„Maar na hetgeen mijnheer uw vader heden vertelde, zult gij begrijpen,

dat ik voor mijn geld eenig onderpand vraag”.

„Hel en duivel, Sir. Twijfelt gij misschien aan mijn eerewoord?”

„Dat niet, maar gij zoudt er morgen wel eens anders over kunnen denken

dan heden”, antwoordde Lister met nadruk.

„Ja, ik zou alles weer van u willen terugwinnen, dat is mijn vurigste

wensch!”

„Dat geloof ik! Mooi! Welk pand geeft gij?”

„Wat wenscht gij? Horloge en ketting? Mijn ringen?”

„Wat doe ik met dien rommel, als gij het geld niet teruggeeft? Neen,

het moet iets zijn, dat mij uw komst waarborgt. Hebt gij niets

dergelijks?”

„Jawel, ouwe Yankee, ik heb hier iets! Maar ik moet het morgen kunnen

terughalen.”

„Breng mij morgenochtend het geld en gij krijgt uw onderpand terug. Wat

is het?”

Apsley dronk een glas champagne, zijn oogen waren met bloed beloopen.

„Maar dat zeg ik je, Yankee, als ik je morgenochtend het geld breng en

je weigert mij de teruggave, dan schiet ik je neer als een hond. Bedenk

dat wel!”

De president der Club legde zijn hand op den schouder van James Apsley.

„Mr. Apsley, ik moet u verzoeken, u te matigen in uw uitdrukkingen en

geen bedreigingen te uiten tegen gasten der Club. Uw positie als lid

van deze Club is na alles, wat er is voorgevallen, niet al te zeker!

Gij gedraagt u heden, zooals dat een onzer leden onwaardig is.”

„Als gij alle kletspraatjes gelooft! Ik onderhandel immers met Mr.

Shaw. Wat wilt gij eigenlijk?”

„Hij is stomdronken! Men moet hem daarom iets vergeven bij zijn verlies

van hedenavond”, sprak de president, Lord Readen, tot den kassier van

de Club. „Maar neem de cognac weg, kellner!”

Maar Mr. James verlangde dien sterken drank juist. Hij zag de karaf

wegbrengen en trok ze den kellner uit de hand.

„Wat ga je doen, domkop? De cognac blijft hier! Dat is het beste, wat

er is!”

Hij schonk zich een glaasje vol en dronk het leeg.

Hierop waggelde hij naar den Amerikaan toe, hij trok het manuscript op

blauw papier uit zijn linkerborstzak en wierp het voor Mr. Shaw op de

groene tafel neer.

„Wat is dat?” vroeg Lord Lister op ijskouden toon.

„Dat zal ik u zeggen. Gij zult er wel niets van begrijpen, het is een

door mij gemaakt ontwerp voor het bouwen van een onderzeesche boot, dat

ik morgen op het Admiraliteitsgebouw moet bezorgen.”

De aanwezigen spitsten de ooren. Dat had men niet gedacht van dezen

speler en zwierbol.

Hij was wel scheepvaartkundig ingenieur, maar men had er niet veel

respect voor.

Zou men zich zoo vergist hebben?

Lord Lister glimlachte: het groote moment was gekomen!

„En dit geniale ontwerp, dat van mij is en iets geheel nieuws brengt—

—Wat wilde ik zeggen? O ja! Dat zal ons verlies door dien vervloekten

Raffles spoedig weer vergoeden.

„Wilt gij mij hierop 25 pond leenen?”

Lister sloeg het manuscript open, om zich van den inhoud te overtuigen.

Juist: teekeningen in witte lijnen op blauw papier en de technische

beschrijving.

Hij stak het geniale ontwerp in zijn zak en wierp vijf biljetten van

vijf pond voor James op de groene tafel.

„Morgen, of liever dezen ochtend, kunt gij het ontwerp terugkrijgen,

als gij mij het geld terugbrengt.”

Lord Lister glimlachte.

Intusschen had Mr. James de rest der cognac in een glas geschonken en

dit leeggedronken. Zijn oogen staarden zonder uitdrukking en het eerst

zoo zorgvuldig gepomadeerde haar zat slordig en liet het begin van een

kalen kop doorschemeren.

Dikke zweetdroppelen parelden op zijn voorhoofd en slapen en zijn

trekken waren verwrongen.

„Apsley ziet er afschuwelijk uit”, sprak de voorzitter tot zijn

vrienden, Mr. Darley en North. „Men moest hem beletten, door te

spelen!”

„Dat ben ik volkomen met u eens, president!” sprak Darley ernstig. „Ik

zal— —”

Maar reeds had Apsley de kaarten weer opgenomen en riep:

„Ik houd de bank nogmaals! Wie zet?”

Op een wenk van den president trokken zich de leden en geïntroduceerden

terug. Alleen Lord Lister sprak met onverstoorbare kalmte:

„Als gij het inderdaad wenscht, Mr. Apsley, ben ik bereid, u revanche

te geven!”

„Dat hoop ik, Mr. Shaw! Maar ik zie, dat gij nog maar alleen zijt.

Waarom dan al die drukte? Zwart voor u, rood voor mij! Wat het eerst

valt, wint!”

„Zooals gij wilt, Mr. Apsley! Voor mijn part verliest gij de 25 pond

ook nog!”

De geheele Club drong zich om de groene tafel, om dit roekelooze spel

gade te slaan.

Apsley schudde, liet Mr. Shaw afnemen en wierp de eerste kaart neer:

Hartenvrouw!

Apsley had gewonnen!

Onverschillig gaf Lister hem 5 biljetten en de belangstelling der

toeschouwers werd steeds grooter.

„Datzelfde nogmaals!” riep de Amerikaan.

„Va tout!”

Bij die woorden legde hij tien biljetten van vijf pond voor zich neer.

Toen Apsley weer de eerste kaart trok, was het klaveraas. Apsley had

alles verloren. Hij keek een oogenblik met zijn bloedbeloopen oogen

naar de vierkante gestalte van den Amerikaan, die de hem toegeschoven

biljetten kalm bij de zijne legde, als wilde hij zich op den Yankee

werpen.

Zijn borst ging hijgend op en neer en hij moest zich aan de tafel

vasthouden. Zijn gedachten waren verward.

„Hij mag niet zegevieren! Ik wil mij wreken! Ik wil hem geld en ontwerp

weer af winnen! De kaarten kunnen toch niet betooverd zijn! De

aanhouder wint!”

„Mr. Shaw!” riep hij op luiden toon.

Lister vroeg zich af, of hij nu niet heen zou gaan. Hij had het ontwerp

in zijn bezit. Hij was er zeker van, dat dit het rechtmatige eigendom

was van den ontwerper, Mr. Burton en dat Apsley het morgen niet zou

kunnen inwisselen.

Mocht Apsley toch met het geld komen, dan kon hij altijd nog Scotland

Yard waarschuwen.

„Mr. Shaw!” herhaalde de zoon van den reeder ongeduldig.

„Wat wenscht gij nog? Ik zou denken, dat het tijd voor u was om naar

huis te gaan”, merkte Lister op.

„Ik heb er nog zin in”, antwoordde de beschonkene. „Ik wil nog spelen!

Ik wil u uw geld weer afnemen en het manuscript ook!”

„Dat wil ik wel gelooven! Maar daar is geld voor noodig” antwoordde de

Amerikaan koel.

„Dat zult gij mij geven! Kellner, whisky!”

„Ik zal mij wel in acht nemen, Mr. Apsley. Ik hoorde de verklaring van

uw vader omtrent de insolventie met mijn eigen ooren”, luidde Listers

antwoord.

De kellner had de whiskyflesch op een tafeltje gezet en een glas

ingeschonken. Apsley nam het met sidderende hand op en dronk het leeg.

„En gij zult mij toch geld geven, Mr. Shaw. Ik heb u mijn ontwerp voor

een onderzeesche boot verpand! Maar dat heeft voor mij niets te

beteekenen. Ik kan als uitvinder van dit plan elk oogenblik een geheel

ander, nog meer volkomen in elkaar zetten!” sprak Mr. Apsley bluffend,

terwijl hij, om op de been te blijven, nu eens voor- dan achteruit

liep.

Hij verbeeldde zich misschien in zijn steeds duidelijker wordende

dronkenschap, de rechtmatige eigenaar van het ontwerp te zijn.

„Wat geeft gij mij, als ik u het ontwerp verkoop?”

Dit was den meesten aanwezigen toch te sterk. Zelfs zij, die zich eerst

hadden teruggetrokken om zijn lompe houding, kregen nu medelijden met

den beschonkene.

„Apsley, zijt gij gek?” riep Mr. North.

„Gij moet het ontwerp morgen immers hebben, wees toch verstandig!” riep

de voorzitter der Club.

„Morgenmiddag is de inzending gesloten!” sprak Mr. Darley bezorgd.

„Latere inzending is onmogelijk.”

Al deze heeren hadden natuurlijk niet het minste vermoeden, dat het

ontwerp van Mr. Burton was gestolen.

Maar Apsley wees de welmeenende vrienden met een energische

handbeweging terug, hij hield zich aan de groene tafel vast en vroeg

met zware tong:

„Wa—wat geeft gij mij voor het ontwerp, Mr. Shaw?”

„Neemt hem rechts en links onder den arm!” beval de president. „Wij

mogen een dergelijke handelwijze niet dulden in onze Club.”

Maar de beschonkene riep stotterend:

„Dat is mijn zaak! Ik wil spelen! Ik wil toch eens zien— —”

„Des menschen wil, des menschen leven!” citeerde Lord Lister

koelbloedig. „Daar is niets aan te doen, heeren. Laat hem zijn zin

volgen.”

Hij haalde zijn portefeuille te voorschijn en nam er 1000 pond aan

bankpapier uit.

„Hier zijn 1000 pond, Mr. Apsley”, riep hij den beschonkene toe.

Hierop sprak Lister tot de leden der Club:

„Heeren, overtuigt er u van, dat het bedrag juist is! Bij den toestand,

waarin zich mijn medespeler bevindt, is dat noodig!”

„Dus gij neemt de 1000 pond en daarvoor is het ontwerp mijn eigendom!”

riep Lord Lister.

„Top!” schreeuwde Apsley, die de banknoten met onvaste hand voor zich

neerlegde.

„Hoe zullen wij spelen?” vroeg hij op heeschen toon. „Ik wil u het

ontwerp weer afwinnen en mijn geld erbij!”

„Dat gaat nooit goed. Hij verliest dit geld ook nog. Mr. Shaw, neem gij

tenminste de bank. Hij kan de kaarten niet meer vasthouden.”

Zoo spraken de toeschouwers door elkaar.

„Als gij het wenscht, zal ik de bank nemen, Mr. Apsley. Het valt u

moeilijk om te schudden, dat zie ik wel.

„Ik doe u het voorstel, in vijf keer, telkens voor tweehonderd pond,

het spel uit te maken. Ik heb er genoeg van, voortdurend met u alleen

te spelen.”

„Dat vind ik goed. Dus gij neemt de bank.”

Apsley kwam waggelend van achter de groene tafel naar voren. Maar hij

vergat niet, nog een glas whisky te nemen. De zoon van den reeder

geloofde met het idee fixe van dronken menschen, dat het geluk hem toch

nog toe zou lachen en dat het hem zou gelukken, alles terug te winnen.

De beide eerste keeren won hij. Trots eischte hij nu ook verdere

revanche.

Na het eind van de zevende taille echter waren de 1000 pond weer in het

bezit van Lord Lister, wien het blinde geluk den geheelen avond getrouw

bleef.

Apsley staarde somber naar het bankpapier, dat Lord Lister met

stoïcijnsche kalmte weer in zijn portefeuille borg.

Daarop haalde hij diep adem en mompelde, als versuft:

„Alles weg, alles verloren!”

Plotseling echter, bij het zien van de onverstoorbare kalmte van zijn

tegenstander, werd hij woedend.

„Dat is niet eerlijk toegegaan! Er is hier een samenzwering tegen mij!

Vervloekte Amerikaan, je hebt mij bestolen, uitgeplunderd tot op het

hemd! Maar, schurk, ik zal je eens uit je onbeweeglijke kalmte

opwekken!”

En nog voordat de verbaasde omstanders wisten, wat er gebeurde, had hij

een blinkende revolver uit zijn zak genomen en schoot die op Lord

Lister af.

Deze had echter iets dergelijks verwacht en trad bliksemsnel op zij.

Doelloos kwam de kogel in den muur terecht.

Nu echter verhief zich een ware storm van verontwaardiging onder de

leden en gasten der Club, die getuigen waren van dit tooneel. Niemand

van hen had echter zin om den woesteling beet te pakken.

„Grijpt hem! Houdt hem vast!” riep de president.

„Hij is totaal beschonken”, zuchtte Mr. North.

„Dat zoo iets in onze Heerenclub kan passeeren!” weeklaagde de

voorzitter.

Lister wilde zich op Apsley werpen, maar reeds was deze met dreigend

opgeheven revolver dwars door de zaal naar buiten gesneld.

„Terug, jelui honden, als je leven je lief is!” riep hij, toen Lister

en andere heeren hem wilden volgen.

Nog twee keer knalde een schot, maar omdat hij te dronken was om goed

te kunnen mikken vielen er geen dooden of gewonden in de speelzaal.

„Vervloekte gauwdieven! Schurken! Gij heeren? Wat? Zakkenrollers en

dieven zijt gij!”

Nogmaals schoot hij, zonder iets anders dan een grooten spiegel te

raken, vlak naast den voorzitter. Daarop opende hij de deur naar de

gang en wierp deze met een ruk in het slot.

Een groote verwarring ontstond. Men riep om de politie en om Scotland

Yard.

Slechts met moeite gelukte het Lord Lister, het woord te krijgen.

„Heeren”, sprak hij, „laat den misdadiger aan zijn noodlot over, dat

hem spoedig genoeg zal treffen.

„Gij hebt u heden misschien over mijn optreden en mijzelf verbaasd,

maar ik kwam hier met de bedoeling, het gestolen ontwerp voor een

onderzeesche boot te vinden en dit aan den ongelukkigen eigenaar en

uitvinder terug te kunnen geven.

„Zooals gij hebt gezien, is mij dat gelukt.”

Een algemeen bravo volgde. Allerlei vragen werden gedaan en men

bestormde Mr. Shaw om een nadere verklaring.

„Ik kon al niet begrijpen, hoe dit lichtzinnige sujet een geniaal

ontwerp had uitgevonden,” merkte Mr. Darley op.

Lister noemde den naam van Edward Burton als dien van den ontwerper en

nam, om verdere vragen te ontloopen, op beminnelijke wijze afscheid van

de heeren.

Lord Lister No. 0042: Ongewenschte wraak · 第 17 / 22 题