Toen de reeder zijn kamer met zijn gezellin was binnengegaan, draaide
hij twee lichten der electrische kroon aan en sprak lachend:
„Nu, maak het je gemakkelijk, kleintje. Hoe heet je eigenlijk?”
„Ik ben je Claire, oudje! Maar drommels, hier is het piekfijn! Wat moet
je rijk zijn! Ik mag je hier wel dikwijls bezoeken, nietwaar?”
Mr. Apsley lachte hartelijk.
„Een flinke vrouw ben je! Je neemt als een handig handelsreiziger elke
gelegenheid te baat om vaste klanten te krijgen!”
Claire lachte mee en ontdeed zich om te beginnen van haar reusachtigen,
modernen hoed, die van buiten grijs en van binnen rood was. Daarop trok
zij ongegeneerd haar grijze blouse uit en ging met bloote armen in een
hoek van de sofa zitten.
Ook de reeder maakte het zich gemakkelijk. Hij trok overjas, gekleede
jas en gesteven vest uit en legde zijn gouden horloge met zwaren
ketting op zijn schrijftafel.
Toen bracht hij zijn kleeren naar de slaapkamer en kwam eenige
oogenblikken later in een gemakkelijk fluweelen huisjasje weer te
voorschijn.
Ook de nette laarzen trok hij uit en deed fijne viltpantoffels aan.
„Zoo, mijn lief, blond poesje, nu is het veel behaaglijker!”
„Maar je hebt mij beloofd, mij wat te eten te zullen geven, oudje; ik
heb zoo’n ontzettenden honger!”
„Zeer juist opgemerkt”, antwoordde de reeder. „Overal gaat de honger
voor de liefde. Dat is een natuurwet, zoolang de wereld bestaat! Nu,
wij zullen eens zien, wat er is!”
Apsley senior ging naar het buffet en opende de bovenste kast ervan.
„Wacht, daar is nog zalm!” sprak hij.
„Ach ja, zalm, heerlijk! heerlijk!” riep het meisje verrukt uit.
De reeder zette een nog vrij groot stuk zalm, boter, wittebrood en
gebak op tafel en nam uit een ander kastje van het buffet een pas
aangebroken flesch sherry en twee glazen.
„Nu, eet en drink zooveel je lust, hongerig schepseltje! Zoo, wensch je
ook een mes en vork?”
Hij opende een lade en gaf Claire het benoodigde. Daarop schonk hij de
glazen vol en stiet met haar aan. Zij dronk gretig.
„Hè! Zoo iets lekkers heb ik in langen tijd niet gedronken!”
Daarop wijdde zij zich met alle aandacht aan de zalm en het brood en
gaf tot groot vermaak van den reeder uiting aan haar aangename
gewaarwordingen door onverstaanbare geluiden.
De oude Apsley, die waarschijnlijk ergens anders had gesoupeerd, stond
haar gewillig het geheele stuk zalm af. Hij dronk zijn sherry en nam er
een stuk taart bij.
Nadat de zalm en verschillende boterhammen waren verorberd, begon het
jonge meisje met grooten ijver van het gebak te eten, dat als sneeuw
voor de zon verdween.
Eindelijk scheen de honger gestild te zijn. Met een zucht van
voldoening leunde zij in den stoel achterover.
„Ach, dat heeft goed gesmaakt! Zooiets goeds krijgt iemand van ons slag
niet elken dag. O, ik zal altijd graag bij je komen! Ik zal je mijn
adres geven en zoodra je mij schrijft, kom ik!”
„Dat kunnen wij doen!” vond de reeder met een vroolijk glimlachje.
„Meisje, jij bevalt mij! Kom, geef mij een kus!”
„Voor zulk heerlijk eten en twee sovereigns zooveel als je wilt!”
Zij vlijde zich tegen den reeder aan, die intusschen naast haar op de
sofa had plaats genomen en kuste hem vol vuur.
„Zoo, mijn beste! O, ik heb je zoo lief en je zult tevreden over mij
zijn! Maar geef mij nu eerst de twee sovereigns, die je mij hebt
beloofd. Daaraan wil ik zien, oudje, of je evenveel van mij houdt als
ik van jou!”
Mr. Apsley lachte.
„Drommels! In jouw aderen vloeit het echte Engelsche handelsbloed.
Jammer, dat je geen man bent! Met jouw handelsgeest zou het je als
koopman goed zijn gegaan!
„Zelfs in het vuur van de heetste liefde denk je aan geld! Dat is
bewonderenswaardig!
„Maar, stel je gerust, je hebt het dezen keer gelukkig getroffen! Ik
ben in zulk een tevreden stemming, dat ik eens nobel wil zijn. Ik zal
je, als je heel lief wilt zijn, een biljet van vijf pond geven.”
„Hoeveel?” vroeg het meisje aangenaam verrast. „Dat geloof ik niet,
oudje! Zoo zullen de biljetten van vijf pond je wel niet op den rug
groeien! Kom, geef dan hier, dan zal je mij morgen zelf moeten
bekennen, dat je je nog nooit zoo goed geamuseerd hebt als met mij!”
„Mooi!” antwoordde Mr. Apsley en deed, alsof hij iets uit den zak van
zijn fluweelen jasje wilde halen. Dit onnoozele meisje behoefde niet te
weten, dat hij het biljet uit de muurkast ging halen.
„Ach ja”, sprak hij daarop, „het is waar, ik heb mijn kleeren in de
kast gehangen! Wacht even.”
De reeder ging naar zijn slaapkamer, tastte in het donker naar het
afsluitblad, haalde zijn sleutelbos te voorschijn uit den broekzak en
opende de kast. Hij greep in het vak, waarin de banknoten van vijf pond
lagen en nam daar een uit. Daarop sloot hij de kast weer en kwam in de
woonkamer terug.
„Hier, ongeloovige Thomas, daar heb je het bankbiljet!”
Hij wierp een vluchtigen blik op het biljet en gaf het aan het meisje.
„Ben je nu tevreden, kind?”
Hij nam weer naast haar plaats en legde zijn arm om haar middel, in het
bewustzijn, daar nu het volste recht op te hebben.
Maar zoo hij het meisje eenige oogenblikken wegens haar handelsgeest
had bespot, hij zou nu gewaar worden, dat zij werkelijk een koopvrouw
was.
Waarschijnlijk had zij in haar leven reeds minder aangename ervaringen
opgedaan met valsch geld, in elk geval, zij stak het bankbiljet niet,
zooals misschien zooveel vrouwen van haar soort gedaan zouden hebben,
onmiddellijk in haar zak, maar zij onderzocht het biljet van vijf pond
lang en nauwkeurig.
Apsley keek met een spotlachje naar haar.
„Alsof zij er verstand van had!” dacht hij.
Na eenige minuten echter gaf zij hem het biljet terug en sprak vol
minachting:
„Nee, oudje, daar vlieg ik niet in. Voor zoo dom moet je mij niet
aanzien! Dit biljet is valsch!”
De reeder lachte luidkeels.
„Waaraan zie je dat?”
Maar onwillekeurig bekeek ook hij het biljet met aandacht.
„Het is in elk geval fonkelnieuw en......... Mijn hemel! Maar het is
werkelijk valsch! Het is het goede papier niet! Het watermerk
ontbreekt!”
Het gelaat van Mr. Apsley werd donkerrood, hij snelde letterlijk naar
de slaapkamer, woedend, dat men hem een valsch bankbiljet in de handen
had gestopt.
Snel draaide hij het electrische licht op en opende zijn geheime kast,
want hij was bang, dat zich onder zijn geld nog meer onechte biljetten
konden bevinden.
Hij keek in de kast en zijn knieën knikten.
Wat hem in donker zooeven niet was opgevallen, zag hij nu op den
eersten blik.
De zakken en rollen met de goudstukken ontbraken. Hoe hij ook zocht en
de pakketten papiergeld optilde en opzij zette, hij vond ze niet terug,
zij waren verdwenen.
Nu maakte een onuitsprekelijke angst zich van hem meester en eerst nu
kwam de gedachte in hem op, dat ook de andere biljetten weleens valsch
konden zijn.
Hij moest zich aan de waschtafel en aan de deur van de kast vasthouden
om niet neer te vallen.
Met sidderende hand onderzocht hij het eene biljet na het andere en
wierp ze woedend in de vakjes, waaruit de goudstukken waren verdwenen.
Eindelijk bekeek hij de biljetten ter waarde van vijftig pond.
„Alles valsch! Alles valsch!” kermde hij. Zijn krachten begaven hem,
zijn knieën knikten en machteloos zonk de reeder, die zooeven nog zoo
levenslustig was geweest, op den grond neer.
Hij kon niet meer denken en drukte beide handen tegen zijn gloeiend
voorhoofd.
Het meisje, dat op de sofa in de zitkamer nog steeds zat te wachten,
begon eindelijk ongeduldig te worden.
„Kom je, oude heer?” riep zij op luiden toon. „Kom, wees lief en breng
een echt bankbiljet voor mij mee, of een handvol sovereigns, die heb ik
nog liever!”
Maar de reeder had allen lust voor liefdesavonturen verloren.
„Loop naar den duivel, deerne!” riep hij woedend uit. „Wil je mij nog
bespotten ook? O, ik ben op een vreeselijke manier bedrogen.”
En als een bliksemstraal schoot het plotseling door zijn hoofd:
„Raffles—Raffles—dit is de wraak van Raffles!”
Hij verloor het bewustzijn en zakte ineen.
Het meisje wachtte nog een tijd lang. Toen echter alles stil bleef na
het geluid van den val, stond zij op en sloop onhoorbaar naar de
openstaande deur der slaapkamer.
Hier zag zij Apsley roerloos op den grond liggen.
„Misschien heeft hij een beroerte gehad!” fluisterde zij. „Dat komt wel
eens meer voor bij oude heeren.
„Jammer voor hem, maar mij laat het koud! Wat kan mij zoo’n oude kerel
schelen, als hij geen geld heeft!”
Maar ook in dit vreeselijke oogenblik liet haar koopmansgeest haar niet
in den steek. Zij keek met onderzoekende blikken om zich heen,
eigenlijk in hoofdzaak, om den huissleutel te zoeken.
Zij ontdekte dezen ook op den schrijftafel van den reeder en nam hem
op. Toevallig echter lagen Apsley’s zwaar gouden horloge en de ketting
er naast en misschien was het alleen uit behoefte aan orde en netheid,
dat zij ook deze beide voorwerpen opnam en in haar zak stak.
In een ommezien had zij zich gekleed en haar rooden reuzenhoed opgezet.
Nogmaals luisterde zij, of de oude heer rustig was. Toen zij geen
geluid vernam, ontsloot zij zacht de kamerdeur, sloop naar buiten, deed
de deur achter zich dicht en weldra was Miss Claire met de waardevolle
eigendommen van Mr. Apsley in den donkeren nacht verdwenen.
Den huissleutel alleen nam zij niet mee, maar liet hem in het slot
steken.