„Als nu Dr. Warrens hier was”, sprak Baxter, toen de beide heeren waren
heengegaan, „konden wij aan ons ander werk gaan!”
„Gij hebt zeker nog veel te doen, vannacht?” vroeg Mr. Shaw met goed
gespeelde belangstelling.
„Dat zou ik denken”, antwoordde de kapitein in het bewustzijn van zijn
gewicht. „Eerstens zijn wij van plan een groote opruiming te houden
onder het gepeupel, dat in Eastend weer de overhand krijgt en wij
drieën kunnen daarbij, als hoofdpersonen, niet gemist worden”.
„Zeer begrijpelijk!” sprak Lister.
„Kapitein!” riep Marholm, verheugd naar de deur wijzende, „als men van
den duivel spreekt... Daar komt de dokter juist!”
„Gij komt als geroepen, Dr. Warrens”, begroette Baxter den
binnentredende, „daar achter ligt uw patiënt, die u wel niet veel werk
zal geven. Hij is zoo dood als een pier!”
„Dood? Welk soort van dood?” vroeg de jonge dokter vol belangstelling.
„Mijn beste dokter, het is een prachtig geval, zooals gij dat
waarschijnlijk noemt, al zegt gij het ook niet, van verwurging”.
„Wat? Verwurging? Wat gij zegt! Inderdaad, dat is prachtig! Een geluk,
dat ik al het benoodigde bij mij heb! Waar is hij? Daar achter?”
„Die grappenmaker van een dokter!” riep Baxter vroolijk uit, „net
zooals ik zei! En neem mij nu niet kwalijk! Wij hebben namelijk nog
zeer veel elders te doen. Het is al laat en men zal op ons wachten.
„Dus veel genoegen met uw interessant geval! Maar een ding verzoek ik
u, maak dat gevaarlijke sujet, den meest beruchten inbreker van geheel
Engeland, bijgenaamd „Sloten-Bob”, niet weer levend.
„Dat zou u weleens slecht kunnen bekomen en Scotland Yard is blij van
dien kerel bevrijd te zijn.
„Hier is het protocol. En als gij nog verdere inlichtingen wenscht, dan
is hier—gij blijft immers nog een poosje, Mr. Shaw? Misschien stelt gij
er belang in, de lijkschouwing van Dr. Warrens bij te wonen?—dus Mr.
Shaw, die alles heeft gehoord. Hij zal u zeer zeker eventueele vragen
gaarne beantwoorden!”
„Zeer aangenaam, dokter”, sprak Lord Lister lachend, terwijl hij den
dokter de hand reikte.
„Als gij een assistent noodig hebt, ben ik gaarne tot uw dienst! Gij
weet, dat wij Amerikanen veel practischer zijn dan andere menschen!”
„Nu, Mr. Shaw, ik zou u misschien wel eens aan uw woord kunnen houden”,
antwoordde de jonge dokter.
„Ik wensch niet anders”, antwoordde Raffles vriendelijk.
Reeds wilden de detectives met een groet heengaan, toen bij de deur
luid geschrei werd vernomen.
Marholm snelde vooruit en kwam terug met de mededeeling, dat de vrouw
van „Sloten-Bob” met haar kind bij de deur stond en naar binnen wilde
om haar man te zien. Of de agent haar wilde binnenlaten?
Nog voordat Baxter had kunnen antwoorden, riep de dokter:
„Ja zeker, dat komt prachtig uit. Laat haar maar binnenkomen. Ik wil
namelijk een proef nemen en haar aanwezigheid daarbij is mij misschien
van groot nut!”
„Nu, als u het goed vindt, dokter, mij is het onverschillig. Dus
Marholm, zeg haar, dat zij mag binnenkomen!”
Een verloopen wijf met een uitdrukking van lafhartigheid op het magere,
pokdalige gelaat, waar omheen grijze haarstrengen ongekamd fladderden,
trad, in vuile lompen gehuld, met een ongeveer vijfjarig kind aan de
hand, snikkend en weeklagend nader.
„Daar achter ligt je man, die fijne vechtersbaas, gesnapt bij den
inbraak en bij het leeghalen van de brandkast. Maar wees gedwee, je
hebt te doen, wat mijnheer de dokter je beveelt!
„Dus vaarwel, heeren! en veel succes!”
Met die woorden verlieten de drie detectives de kantoorlokalen der
firma Apsley en Co., waar een zoo geheimzinnige misdaad was gepleegd.
Intusschen was dokter Warrens met zijn koffer nader gekomen en Lord
Lister was hem in gespannen verwachting gevolgd naar den doode.
Wat wilde de dokter nu doen?
Toen de vrouw, die hen schuw was nageslopen, haar man daar zoo stijf en
onbeweeglijk zag liggen, begon zij te snikken en te weeklagen en ook
het kind begon hartverscheurend te huilen.
„Goede vrouw”, zei de dokter, „ik begrijp uw verdriet en waardeer dat.
Het strekt u tot eer en zelfs den doode daar! Maar ik kan mij nu niet
laten storen, ik heb te werken! Maak u liever nuttig en kleed uw man
uit.”
De vrouw begon dit met trillende vingers te doen.
De dokter ontdeed zich van zijn overjas en opende zijn koffer.
„Ieder oogenblik is kostbaar! Een dergelijk gelukje heb ik nog niet
gehad. Bij lijken met schotwonden is niets uit te richten! Door de
kogels worden verschillende deelen gekwetst, die niet weer te
herstellen zijn.
„Bij natuurlijke sterfgevallen of bij verwurging zijn nog alle organen,
in den regel ten minste, onaangeroerd, zoodat de proef, die ik wensch
te nemen, belooft te zullen slagen of in elk geval mogelijk is!”
De doode was nu met behulp van Lister en van den dokter door de vrouw
ontkleed en de arts onderzocht de lichaamswarmte.
„Dat treft bijzonder”, mompelde hij, zelf ontdaan. „De warmte is nog
zeer aanmerkelijk!”
Bij die woorden wierp hij een van de groote venstergordijnen over hem
heen. Hij masseerde hem een weinig aan den hals en bracht daarna, nadat
hij den mond had geopend, de door de verwurging naar voren gedrukte
tong van den doode weder met groote handigheid op haar plaats.
Hierdoor was het uiterlijk van den doode minder griezelig geworden.
Nadat eenige gedeelten van den hals nogmaals gemasseerd waren, hadden
de trekken de natuurlijke uitdrukking teruggekregen.
„Welke proef hebt gij op het oog, dokter? Zeg het mij! Ik zal u
krachtdadig helpen!”
„Ziet gij, waarde heer Shaw. Mijn collega’s lachen erom en toch heb ik
iets dergelijks al eenmaal bereikt.
„Het is een feit, dat ik, al was het ook maar voor een paar seconden,
iemand, die een paar uur geleden aan een ziekte was overleden, in het
leven heb teruggeroepen. Ik verzamel hiervoor materiaal. Iemand, die
gewurgd was, heb ik nog nooit machtig kunnen worden; van een dergelijk
geval is nog meer succes te verwachten, omdat alle organen nog kort van
te voren normaal waren.
„Ik zal een schedelboring uitvoeren, aan de achterste oppervlakte van
de bulbus, alsof ik een abces zou moeten verwijderen. Wij zullen hem
sterk masseeren en verwarmen, ik giet hem deze druppels in, welke ik
voor dit doel heb geprepareerd en ik voorspel u, dat hij bij drukking
op den levensknoop der hersenen, al is het ook maar voor korten tijd,
zal ontwaken!”
„Dat zou verbazend zijn!” riep Lister uit. „Maar denkt gij, dat hij zou
kunnen spreken, als hij tot bewustzijn komt?”
„De mogelijkheid is niet uitgesloten, wanneer de indrukken, die op dit
oogenblik op hem inwerken, sterk genoeg zijn om zich in hem vast te
zetten en reactie op te wekken, d. w. z. een in zekeren zin
onwillekeurige uitwerking te weeg brengen.”
Lister dacht een oogenblik na.
Daarop legde hij zijn hand op den arm van den dokter.
„Mag ik een opmerking maken? Het zou van het grootste gewicht zijn voor
de opheldering van deze geheimzinnige misdaad, als de doode kon
spreken! Het komt mij voor, alsof alles in deze zaak niet geheel in den
haak is!
„Hoe zoudt gij het vinden, als wij den doode eerst terugbrachten in het
privé kantoor van Mr. Apsley en hem zoo neerlegden, dat hij het
allereerst de ledige brandkast ziet?”
„Ik maak u mijn compliment, Mr. Shaw. Gij hebt groot gelijk! Ik heb de
wetenschappelijke quaestie nog niet beschouwd in verband met de
rechtszaak, dit moet ik tot mijn schande bekennen. Maar natuurlijk,
alleen het zien van de plek der misdaad zal hem tot spreken kunnen
brengen.”
Zij begaven zich naar het vertrek, waar de brandkast stond, zetten daar
eenige stoelen zoo neer, dat Sloten-Bob, als hij ontwaakte, de geopende
brandkast vlak voor zich had.
Daarop legden zij het lijk in de gewenschte houding.
Mr. Shaw, of liever Lord Lister, ontstak een electrische gloeilamp, die
zich dicht bij de brandkast bevond en doofde alle anderen uit. Hierna
beval hij de arme vrouw om naast de brandkast te gaan staan en gaf haar
een handvol goudstukken, waarnaar zij met begeerige blikken keek.
„Kijk nu niet naar het geld, vrouw, maar let op!” sprak Lord Lister op
dringenden toon. „Lukt het ons, je man in het leven terug te roepen en
aan het spreken te krijgen, dan zijn de goudstukken voor jou!
„Let je echter niet op en verhinder je onze poging door je
onachtzaamheid, dan krijg je geen cent!”
„O, ik zweer het u, Sir! Zeg mij maar, wat ik moet doen en wanneer ik
moet beginnen.”
„Wat je te doen hebt, is niet moeilijk! Je moet hem alleen maar de
glinsterende goudstukken in je linkerhand laten zien. Begrijp je? En
verder moet je niets anders roepen dan: Bob—Bob!—Wie?—Bob—wie?”
„Uitstekend, Mr. Shaw!” sprak de dokter. „Ik wou, dat ik altijd zoo’n
adsistent bij mij had! Gij hebt de zaak zoo eenvoudig gemaakt, dat hij
het, als hij ook maar even tot bewustzijn komt, moet begrijpen. Nu heb
ik alle hoop, dat de vermoorde ook zal spreken!”
De vrouw staarde intusschen met een rilling naar het doen en laten der
beide mannen in de donkere kamer, waarin alleen een gloeilichtje
brandde.
De dokter had intusschen uit zijn tasch een sleuteltje, chirurgische
instrumenten en een rood fleschje genomen. Uit een andere flesch goot
hij olie in een kom, welke hij naast zich plaatste. Daarop begon hij
met de schedelboring, nadat hij het lijk voorover had gelegd. In deze
houding hield Lord Lister den doode in zijn armen vast.
Nadat de operatie was afgeloopen, legde hij het lijk weer achterover en
beide heeren, Lister en de dokter, doopten hun vingers in de olie en
begonnen met koortsachtigen ijver te masseeren, terwijl zij de
gemasseerde plaatsen steeds zorgvuldig bedekten.
Nu opende de dokter den mond van den doode en goot hem den inhoud van
het roode fleschje in de keel. Daarop verzocht hij Lord Lister, snel en
krachtig de armen van den gewurgde op en neer te bewegen. Nu ging Dr.
Warrens achter den doode staan en riep:
„Zeg, vrouw, kijk niet aldoor naar het goud, maar hierheen! Let op, of
hij ontwaakt!”
„Ja, ja, mijnheer de dokter, dat doe ik!”
Zij boog zich voorover en staarde angstig in de doffe oogen van haar
man, wachtende op het oogenblik, waarop hij weer zou opleven. Met de
linkerhand hield zij hem het goud voor en wees naar de leege brandkast.
De dokter richtte nu, met behulp van Lister, het hoofd van den doode op
en wreef eenige minuten met kracht de slapen en de keel. Daarop drukte
hij een oogenblik op den levensknoop der hersenen.
Al had de dokter het ook van te voren voorspeld, toch was het
griezelig, wat er nu in dit donkere vertrek midden in den nacht
gebeurde.
Men hoorde een benauwd gerochel, alsof met moeite de lucht in de ledige
longen drong. De oogen van den gewurgden man openden zich al verder en
verder met angstige uitdrukking en zelfs den onverschrokken Lord Lister
liep een koude rilling over den rug.
„Bob, Bob!” riep de vrouw rillend en bevend. „Bob—Bob—wie—wie?—Bob, zeg
mij wie?”
Vol geestdrift volgde de arts den gang der gebeurtenissen en vol
spanning wachtte ook Lister op het antwoord van den gewurgde.
En waarlijk, bewogen de lippen zich niet, alsof zij wilden spreken?
Maar de inspanning was nog te groot, er werd geen geluid vernomen.
En opnieuw riep de vrouw nog luider en vol ontzetting:
„Bob, Bob, hoor je mij?—Wie, zeg toch wie?”
Weer wees zij naar de brandkast en het electrische licht deed de
goudstukken in haar hand fonkelen.
En weer opende zich de mond van den vermoorde en zijn lippen trilden.
Nog eenmaal vernam men het afschuwelijke gerochel en hierop volgde,
onduidelijk, als een kreet van schrik en ontzetting: „Zelf!”
Daarop keek hij met verbaasden blik om zich heen en vroeg:
„Waar ben ik?”
Een oogenblik later zakte hij weer in elkaar.
De dokter had zich over hem heengebogen en keek hem in de oogen.
„Het is voorbij!” sprak hij. „De oogen zijn reeds weer verglaasd, de
mond is gesloten. De ademhaling heeft opgehouden. Alle andere moeite is
nu tevergeefs! Maar de werking was zeer sterk, al heeft hij ook niet
gesproken.”
„Ongetwijfeld!” antwoordde Lister peinzend.
Had hij zich vergist?
Was het alleen de emotie van het oogenblik geweest, die hem dat „zelf”
had doen hooren, terwijl de ervaren geneesheer slechts een
onverstaanbaar geluid had vernomen?
Als het echter werkelijk het woord „zelf” was geweest, op wien had het
dan betrekking?
Bedoelde hij zichzelf? Hoogstwaarschijnlijk!
Misschien was op dit uiterste oogenblik in deze verdorven
misdadigersziel een eigenaardige trots op de door hem volbrachte daad
opgekomen.
Hij, de behendige dief en inbreker, die ook volgens Baxter’s beweren
zijns gelijken tevergeefs zocht, was het geweest, die dezen rijken en
vermoedelijk onbarmhartigen reeder alles had ontstolen.
Wie kon in de ziel lezen van zulk een misdadiger!
Of zou dat „zelf” op iemand anders slaan? Op een misdadiger, die het
nog verder had gebracht in de kunst van stelen?— — —
Terwijl Lord Lister op deze wijze zijn hersens pijnigde over de
beteekenis van dit eene woordje, dat hij uit den mond van den
overledene meende te hebben gehoord, was de havelooze vrouw van den
misdadiger, aan wier rok zich het verwaarloosde kleine meisje
vastklemde, voor hem gaan staan, terwijl zij hem met schuwen blik de
handvol goudstukken voorhield.
Zij durfde niets vragen, daar volgens haar meening niet aan de
voorwaarde, door den rijken heer gesteld, was voldaan.
„Dus ook zij heeft niets gehoord! Zou ik mij dan toch vergist hebben?
Was het misschien mijn groote verbeeldingskracht, die mij het sissende
geluid als het woordje „zelf” deed verstaan?” dacht Lister.
„Als gij mij wilt beloven, dat gij u hiervoor het allereerst kleeren en
voedsel zult koopen, moogt gij het geld behouden!”
„Al dit goud voor mij?” stamelde de arme vrouw met ongeloovigen en
schuwen blik.
„O, men zal mij niet gelooven! Men zal mij in de gevangenis opsluiten,
als men zooveel goud bij mij vindt en het kind zal van honger omkomen!”
„Zij heeft gelijk, Mr. Shaw”, sprak de geneesheer. „Geef haar liever
zilver, goud kan haar slechts verdacht maken.
„En het is ook veel te veel! Wat denkt gij, Mr. Shaw? Wij zijn hier
niet in Amerika!”
„Nonsens!” antwoordde met echt Amerikaansche onverschilligheid de
Yankee. „Geef niet alles tegelijk uit en spaar iets voor later.”
Daarop nam hij een visitekaartje uit zijn portefeuille en schreef er
met zijn vulpen aan de achterzijde eenige regels op, vermeldende, dat
Mrs. Cogwell, dit was de eigenlijke naam van den vermoorden Sloten-Bob,
tien sovereigns eerlijk had verdiend.
Hij onderteekende het en ook de dokter zette er als getuige zijn naam
onder.
„Hier, vrouw! Als iemand u wantrouwt en u wil ondervragen, toon dan dit
kaartje. Bewaar het goed.
„En als gij voor u en het kind eenvoudige, warme kleeren hebt gekocht,
als gij gewasschen en gekamd zijt, kom dan aan het opgegeven adres aan
mijn villa, in het Westeinde. Begrijpt gij?
„Dan zullen wij verder zien”.
De arme vrouw staarde nog steeds ongeloovig naar al de goudstukken in
haar handen en twee dikke tranen rolden langs haar magere wangen.
Aarzelend deed zij het geld en het kaartje in haar zak, alsof zij een
misdaad pleegde.
Daarop wilde zij Lister’s hand kussen. Maar Lister, die als vrije
Engelschman dergelijke betuigingen van onderworpenheid haatte, duwde
haar zacht weg en sprak:
„Goed, goed, vrouwtje. Als gij uw dankbaarheid wilt betuigen, doe dan
wat ik u zeg. Geen sterken drank! Koopt er eten en drinken en kleeren
en dekens voor! Daarna kunt gij u bij mij vervoegen!”
„Ja, ja, mylord, de Hemel zegene u! Gij meent het goed! Ik zal alles
doen! Ach, dat mijn arme Bob dit nog had beleefd! Hij had zulk goed
werk bij een rijk heer en nu is hij dood!
„Bob was niet slecht, mijnheer, naar hij kon helaas den borrel niet
nalaten! Gij hebt gelijk mijnheer! De brandewijn is het verderf der
armen!”
Bij die woorden maakte zij aanstalten om heen te gaan.
„Wacht eens even!” riep Lister. „Hij had werk bij een rijk heer, zegt
gij? Heeft hij u ook verteld, hoe die heer heette?”
„Neen, mijnheer, dat weet ik niet! Bob zei alleen nog: het is eerlijk
werk, Kate, en het wordt goed betaald. En toen vertelde hij mij nog—en
hij was goed nuchter—dat de rijke heer hem werk voor altijd had
beloofd, als hij zijn taak dezen keer goed volbracht.
„Verder niets en o, ik was zoo blij!”
Lister schudde het hoofd.
Hierdoor kwam hij niet verder.
„Dus het blijft bij hetgeen wij hebben afgesproken. Ik merk wel, dat
gij ook niets verder weet!”
De vrouw groette, nam haar kind bij de hand en ging heen.