Nauwelijks had kapitein Baxter deze woorden gesproken, of een jonge man
snelde geheel buiten zichzelf van opgewondenheid het particuliere
kantoor van den reeder binnen.
„Om ’s Hemelswil, Mr. Apsley!” riep hij tot dien heer, die schijnbaar
in de diepste verslagenheid aan tafel zat, „tot mijn schrik hoor ik,
dat men bij u heeft ingebroken! Men heeft uw brandkast geplunderd!
„Ik wilde juist hierheen om u teruggaaf te verzoeken van het ontwerp,
dat ik u eenige dagen geleden toevertrouwde. Gij weet wel, dat morgen
de wedstrijd wordt geopend.
„O, stel mij toch gerust, mijn beste heer! Nietwaar, ik kan mijn
ontwerp toch heden terugkrijgen? De dieven zullen het toch niet hebben
meegenomen? Het had voor hen immers niet de minste waarde!”
De oude reeder sloeg de handen boven het hoofd samen en drukte ze
daarna voor zijn oogen.
„Mijn hemel, ook nog deze onoverkomelijke ramp!”
Hij stond weenend op; hij zag er in zijn verscheurde kleeren jammerlijk
uit en omhelsde met vochtige oogen den jongen man.
„O, mijn kranige Mr. Burton! Gij ziet in mij den ongelukkigsten man van
geheel Londen! Ik ben bestolen! Mijn geheele vermogen, ja, nog meer is
gestolen! En toch—niets gaat mij zoo aan het hart als uw onherstelbaar
verlies!
„O, dwaas die ik ben, om mijn brandkast voor zoo veilig te houden! Het
is, alsof men mij nu het tegendeel heeft willen bewijzen!
„Mijn lieve, kranige Burton, ook uw heerlijk ontwerp, dat u stellig den
eersten prijs zou hebben bezorgd, is gestolen!”
Mr. Apsley weende hartverscheurend en bracht telkens weer zijn zakdoek
naar de oogen.
Lord Lister beschouwde den zoozeer door het ongeluk getroffen jongen
man met innige deelneming.
Het fijnbesneden gelaat van den blonden artist, die ongeveer achter in
de twintig moest zijn, drukte groote droefenis uit, toen hij uit den
mond van den reeder zijn ongeluk vernam. Hij beefde en moest zich aan
de tafel vasthouden. Blijkbaar was hij op het punt, in zwijm te vallen.
Lord Lister naderde hem en sloeg zijn arm om hem heen.
„Moed houden, moed houden, mijn jonge vriend!” sprak hij op meewarigen
toon. „Wij zullen trachten de papieren terug te vinden! En wij zullen
ze terugkrijgen, vooral daar zij geen waarde hebben voor de
misdadigers.”
„Zou het mogelijk zijn, mijnheer—”
„Mr. Shaw uit Chicago!” stelde Lister zich voor.
„Edward Burton, chef-ingenieur der Apsley-werken in de Commercial
Docks!—Maar dan is het te laat! Wanneer de ontwerpen morgenmiddag niet
zijn ingeleverd bij de commissie, worden zij niet meer aangenomen door
de jury en heeft men geen aanspraak meer op den prijs.
„Ik heb iets geheel nieuws in elkaar gezet en ben ervan overtuigd, dat
ik had gezegevierd over de weinige collega’s, die niets vermoeden van
mijn uitvinding!”—
„O, Mr. Edward, gij verscheurt mij het hart!” weeklaagde de oude
reeder. „Natuurlijk zoudt gij hebben gezegevierd en nu moet ik door
mijn te groot vertrouwen ook u mee in het verderf storten! O, een
ongeluk komt zelden alleen!”
De oude Apsley was wanhopig.
Zijn zoon, die voortdurend had gezwegen, richtte zich nu, naar het
scheen, zeer onder den indruk, tot den jammerenden ingenieur.
„Ziet gij dan niet, Mr. Burton, hoezeer gij mijn vader opwindt met uw
verwijten en klachten? Hoe durft gij het wagen, uw klein ongeluk hier
zoo uit te bazuinen op het oogenblik, waarop die vervloekte Raffles ons
totaal heeft geruïneerd! Het ontwerp, dat gij toch zelf hebt gemaakt,
zult gij toch wel gauw weer in elkaar kunnen zetten! Dat kleine uitstel
zal u toch wel niet ongelukkig maken!”
„Maar Mr. Apsley, morgen wordt de wedstrijd immers reeds geopend!
Morgenmiddag is de termijn afgeloopen! Ik moet de mooiste gelegenheid,
die misschien nooit terugkomt, voorbij laten gaan! Mijn geheele
toekomst is vernietigd, als ik het ontwerp niet volgens mijn opgaaf
morgenmiddag kan inzenden!
„Ik hoopte, dat het de grondslag zou zijn tot mijn levensgeluk. Mijn
bruid, die zoo vast in mij gelooft—alle toekomstplannen vallen in
duigen.”
„Het doet mij leed, Mr. Burton,” viel de jonge Apsley hem tamelijk
ongevoelig in de rede. „Wat zullen wij doen? De spitsboeven hebben uw
voortreffelijk ontwerp meegenomen, zonder te weten, wat het beteekent.
„Hoe kunnen wij u helpen, nu wij totaal ten gronde zijn gericht, nu men
ons tienduizenden ponden heeft ontstolen!—Draag uw verlies, dat immers
hersteld kan worden, als een man, Burton! Wij moeten u, helaas, vanaf
dit oogenblik uw ontslag geven. Onze firma is voor het oogenblik
insolvent!”
De jonge ingenieur bedekte zijn oogen met de hand. Hij trachtte
tevergeefs zich te beheerschen. Deze slag was voor hem te onverwacht
gekomen.
„O, mijn hemel, wat zal Ellinor zeggen! Nu is het gedaan met mij!—En
mijn betrekking ook verloren!”
Met deze woorden wendde hij zich af met een groetende handbeweging en
verliet het vertrek.
Lord Lister zag hem vol medelijden na. Hij zou wel lust hebben gehad om
hem te volgen. Maar wat had de jonge ingenieur hem nog kunnen
meedeelen, dat hij niet reeds wist?
En misschien was het voor dezen nuttiger, wanneer hij zijn
navorschingen naar den oorsprong van deze geheimzinnige misdaad op de
plek zelf voortzette.
Daar Lister onwillekeurig achteruit was gegaan, om den wanhopigen
ingenieur na te kijken en dicht bij de deur naar de andere
kantoorlokalen stond, kon hij daar een dienstman zien, die hem een wenk
gaf. De andere personen, die zich meer in het midden van het vertrek
bevonden en beide heeren Apsley konden den dienstman niet zien.
Lord Lister herkende oogenblikkelijk Charly in een van zijn meest
geliefkoosde verkleedingen. Zeer gevat wendde hij zich tot kapitein
Baxter:
„Ik wil toch even met den armen, ongelukkigen jongen man meegaan om hem
een paar troostwoorden toe te spreken. Hij zag er zoo wanhopig uit!”
„Ja”, sprak de reeder op huilenden toon, „doe dat, ik zal er u zeer
dankbaar voor zijn!”
De „Yankee” was reeds naar buiten gegaan en sprak met Charly, die hem
vertelde, dat alles in orde was en dat de banknoten in de villa
verborgen waren. Lister fluisterde hem toe, dat hij nauwkeurig op moest
letten, waarheen de oude en de jonge heer Apsley zich, na het sluiten
der kantoorlokalen, zouden begeven. Hij moest hen in elk geval, maar
voorzichtig en onopgemerkt volgen. Als zij elk een anderen weg namen,
moest hij den ouden heer volgen.
Charly was vol vuur voor deze gewichtige opdracht, die zijn meester hem
gaf en verdween om, zonder opgemerkt te worden, tusschen de
menschenmassa, die zich nog steeds voor het reederskantoor bevond, zijn
observatiepost in te nemen.
Schouderophalend kwam de dikke Amerikaan het kantoorlokaal weer binnen,
waar Scotland Yard zich rondom de heeren Apsley had verzameld. Toen de
oudste der beide heeren hem weer zag komen, kon hij een grimmig
„vervloekt!” niet onderdrukken.
Daarop echter gaf hij zijn zoon een wenk en deze moest zijn vader
onmiddellijk hebben begrepen, want hij wendde zich zeer beleefd tot
kapitein Baxter en sprak:
„Hebt gij nog gewichtige vragen te stellen, kapitein? Gij ziet, hoe
mijn vader onder den indruk is van het voorgevallene. Hij heeft nu
dringend behoefte aan rust. Ik wil hem echter vannacht niet alleen
laten met zijn verdriet en wanhoop. Gij zult dat begrijpen!
„Wie weet, tot welke dingen hij na dit ontzettend verlies zou komen! Ik
zal hem meenemen naar mijn woning in het Oosteinde, dicht bij onze
werven, bij de Commercial Docks.
„Ik maak mij ongerust over hem en ben dat dus verplicht.
„Als wij u nog met inlichtingen van dienst kunnen zijn, zijn wij
daartoe gaarne bereid!”
„Ik zou niet weten...”, antwoordde Baxter, zich achter de ooren
krabbend. „Denk eens na, Mr. Apsley, of gij nog het een of ander hebt
vergeten mee te deelen. Uw berichten zijn duidelijk, maar zij wijzen
ons den weg niet om deze geheimzinnige misdaad op te helderen”.
De beide heeren Apsley keken elkaar, zooals Lister zeer goed merkte,
met een knipoogje aan.
„Welnu, waarde kapitein”, sprak de zoon, „als gij ons geen verdere
vragen hebt te stellen, dan zouden wij ons nu gaarne, vooral in het
belang van mijn vader, die zeer ontdaan is, terugtrekken! Mij vindt
gij, zoo noodig, morgen op de werf.
„Mijn vader zal wel hier moeten zijn om met zijn personeel de balans op
te maken voor de insolventverklaring.
„Natuurlijk zijn wij gaarne ten allen tijde tot uw beschikking!”
„Ik vind het uitstekend, dat gij u nu terugtrekt, heeren!” antwoordde
kapitein Baxter zeer voorkomend.
„Gij hebt het protocol immers geteekend en verdere vragen heb ik u voor
het oogenblik niet te stellen”.
Met een groet verliet de reeder, leunende op den arm van zijn zoon, de
kantoorlokalen, terwijl de beambten van Scotland Yard hem met meewarige
blikken volgden.