In het beroemde café Austria in de Regentstraat ging het tegen acht uur
op een regenachtigen Octoberavond rumoerig toe.
Zooeven had een der in het wit gekleede Oostenrijksche kellners een kop
koffie gebracht aan een eenigszins corpulent heer van middelbaren
leeftijd, die in een der vensternissen op zijn gemak in de kussens van
een divan leunde. Tegelijkertijd had de kellner de pas uitgekomen
avondbladen op het marmeren tafeltje voor den heer neergelegd.
De corpulente heer stak een sigaret aan, proefde de koffie en verdiepte
zich in de politieke mededeelingen in de Daily Telegraph.
Hij had nog niet lang gelezen, toen een jonge man van opvallend
Amerikaansch uiterlijk op den drempel van de deur in de onmiddellijke
nabijheid verscheen met een reusachtige reistasch in de rechterhand.
Hij keek met onderzoekenden blik rond en glimlachte, toen hij den
dikken heer zoo dichtbij op den divan zag zitten. Hij liep dadelijk
naar hem toe en zette zijn groote tasch, die leeg scheen te zijn, neer
met een vroolijk:
„Goeden avond, waarde oom, daar ben ik!”
„Ah, zeer goed, Char... ik wou zeggen neef Bob!” antwoordde de
welgedane Amerikaan en legde zijn courant neer. „Ben je daar al! Je
hebt een waar monster van een tasch opgediept! Maar zij is uitstekend
geschikt voor ons plan en zal voldoende zijn! Ga zitten! Kellner! Nog
een koffie!”
Charly Brand, want hij was het, ontdeed zich van zijn overjas en nam
plaats.
Toen de kellner de koffie had gebracht, legde Lord Lister, die in zijn
Amerikaansche kleeding met het pneumatische buikkussen nauwelijks te
herkennen was, zijn hand op Charly’s arm.
„Vandaag zullen wij eens iets gaan stelen, om den eigenaar een groot
genoegen te doen.”
„Dat is eigenaardig, oom! Kan dat ook voorkomen?”
Charly keek zoo naïef en verbaasd, dat Lord Lister onwillekeurig
glimlachte.
„Dat zal je heel gauw begrijpen! Ik zal je in het kort mijn plannen
meedelen, want wij hebben geen tijd te verliezen!
„Een bekwaam kunstenaar, hoogstaand als schilder en als etser, heeft er
zich door tegenspoed en geldgebrek toe laten drijven om valsch
papiergeld te maken, dat zoo uitstekend is nagebootst, dat het
nauwelijks van echt te onderscheiden is.
„Hij heeft alleen een banknoot van vijftig pond uitgegeven en kreeg
toen berouw. Men droeg hem op een portret te schilderen en hij begaf
zich naar den heer, wien hij de valsche banknoot had gegeven, om hem te
verzoeken, hem het bankbiljet van vijftig pond, tegen betaling van dat
bedrag in klinkende munt, terug te geven.
„Deze man, die de vervalsching ondanks alles onmiddellijk had
opgemerkt, had het bankbiljet bewaard, om den kunstenaar in zijn macht
te hebben
„Hij weigerde beslist het terug te geven, als de ander hem niet een
aantal valsche bankbiljetten tegen betaling van den halven prijs wilde
geven.
„Ik was toevallig getuige van het gesprek in een zijvertrek van de
beroemde heerenspeelclub in Westend. Het was mij opgevallen, dat de
beide heeren uit de speelzalen verdwenen, terwijl de artist er
ongelukkig en bedroefd uitzag.
„Ik ben er blij om, dat ik het tweetal volgde en hun gesprek
afluisterde.
„De smeekbeden, de oprechte smart van den niet meer onbekenden
kunstenaar tegenover den harteloozen jongen schurk gingen mij aan het
hart en ik besloot, hem te helpen!
„Denzelfden avond had deze jonge man veel pech aan de speeltafel. Ik
speelde eveneens en had het geluk, hem ook nog iets af te winnen. Ten
slotte wierp hij, min of meer beschonken, een bankbiljet van vijftig
pond op tafel, dat gelukkig in mijn handen viel.”
„Gelukkig voor den kunstenaar!” riep Charly Brand glimlachend uit.
„Zooals je het op wilt vatten!” antwoordde Lord Lister. „Ja, het was de
valsche banknoot en daardoor is de schilder uit de klauwen van den
booswicht gered.
„Maar ik vergat nog je te vertellen, dat deze ook bedreigingen uitte
tegen den ongelukkige. Ik vrees daarom, dat hij Scotland Yard heeft
ingelicht en dat, zonder dat de artist vermoedt wat hem boven het hoofd
hangt, huiszoeking bij hem zal worden gehouden.
„Want de elegante jonge heer uitte deze dreigementen, toen hij den
artist verliet en bij het heengaan langs mijn schuilhoek ging. Dus aan
het werk, Charly, opdat wij Scotland Yard voor zijn!”
Lord Lister betaalde en trok met moeite, geholpen door den kellner,
zijn overjas aan. Charly nam zijn reistasch op en beide heeren
verlieten het café Austria.
Buiten stonden een massa huurrijtuigen en, na den koetsier een straat
te hebben opgegeven, namen zij plaats in het eerste het beste gesloten
rijtuig, dat met hen wegreed.
Zij hadden nog niet lang door de Londensche straten gereden, toen luid
geschreeuw van courantenjongens Lord Lister naar buiten deed kijken.
„Nu luister eens!” riep Lister vol verbazing uit, „hoor je wat zij
roepen, Charly? Een nieuwe streek van Raffles! Daar moeten wij toch ook
iets van weten. Hola, koetsier! Halt houden!”
Het rijtuig bleef staan en op een wenk van zijn vriend en meester
sprong Charly eruit, kocht een nummer van de Times en gaf dat aan
Lister.
Het was een extra-nummer, dat in groote letters het opschrift droeg:
„Een nieuwe truc van Raffles.—Een gestolen millioen.—Een failliete
reedersfirma.—Een afgeranselde medeplichtige.—Confrontatie van den
misdadiger op Scotland Yard met den reeder.—Scotland Yard zoekt
tevergeefs, enz.”
Ook den naam en het adres van den bestolen reeder waren opgegeven en de
bijzonderheden van den diefstal bij den voornamen reeder, welke
diefstal dien avond was gepleegd, onmiddellijk nadat de zaak was
gesloten, waren door den bestolene zelf meegedeeld.
Lord Lister kon zijn oogen niet gelooven. Dat was sterk!
Een gemeene bedrieger had misbruik gemaakt van zijn naam om ongestraft
een misdaad te begaan, die waarschijnlijk niets gemeen had met de
praktijken van den meesterdief.
Daarbij was er een moord gepleegd, die in elk geval, al was het
slachtoffer ook slechts een verloopen misdadiger, toch op rekening van
Raffles kwam.
Deze had daarom besloten, zich onmiddellijk naar de plek des onheils te
begeven om nauwkeurige inlichtingen in te winnen omtrent de op zijn
naam gepleegde schurkenstreek.
Daarom liet hij het vol vertrouwen alleen aan Charly over, om de
valsche banknoten heimelijk uit het atelier van den schilder weg te
halen.
Hij gaf Charly een brief, dien hij daarvoor inplaats moest achterlaten.
Hierin bevond zich, behalve een opdracht tot het schilderen van een
portret, een aanzienlijk bedrag, echter niet in papiergeld, maar in
goudgeld.
De onderteekening luidde:
„Een bewonderaar van uw kunst, dien gij spoedig zult leeren kennen.”
Nadat Charly het adres had gekregen van den schilder Gower, reed hij
weg, terwijl Lord Lister in een leeg rijtuig, dat juist passeerde,
plaats nam om de plek van de misdaad te gaan opzoeken.