Eene bevolking van zes honderd mannen (blanken) tegen drie honderd

vrouwen, had geene evenredigheid tot vermeerdering der bewoners, noch

tot bevordering der goede orde, in een Land, alwaar men de vermenging

met Zwarten en Mulatten aan de hand gaf, en alwaar by gevolg de wet

zelve tot hoerereije en overspel scheen uit te noodigen. Zulk een

staat is schadelyk voor de maatschappy. Het was dus van een dringend

aanbelang daar in te voorzien.

Men had eene Volkplanting te Iracoubo begonnen, bestaande uit dertig

mannen, uit een zeker getal afgedankte soldaten uitgekozen. Men moest

ontwyffelbaar aan deeze mannen bezorgen verstandige, arbeidzaame en

bekwame vrouwen. Om dit oogmerk te bereiken, verzogten de Bestuurders

van Guiana aan de Regeering, en wel tot eene eerste proeve, een

getal van vyf-en-twintig of dertig weesmeisjens, die met weinige

kosten hadden kunnen overkomen. In geval deeze poging gelukt was,

zoude men van dit zelfde middel wederom hebben gebruik gemaakt, en

nieuwe bezitingen in deeze uitgebreide Volkplanting hebben kunnen

aanleggen: men sloeg geen acht op dit belangryk voorstel, noch op

veele anderen, die tot bevordering en verbetering des Lands zouden

hebben kunnen medewerken.

Het is waarschynlyk, dat deeze bezittingen verlaten zyn geworden,

en dat de meeste blanken, die 'er hun bestaan uit moesten vinden,

uit de Volkplanting vertrokken zyn.

De Negers bedroegen in Fransch Guiana een getal van negen duizend. De

Burger LESCAILLIER meldt ons, dat men, in 't jaar 1788, hem over

de mogelykheid van de afschaffing der slavernye raadpleegde. Deeze

Bestuurder verklaarde van begrip te zyn, dat men in de Volkplantingen

de akeligste gebeurtenissen te duchten had, indien men niet

langzamerhand den weg tot deeze gelukkige omwenteling baande. Drie

jaaren lang deedt hy alle moeite, om de mogelykheid van dusdanige

verandering zeker te stellen: hy toonde het voorbeeld van eene betere

bestuuring, ten aanzien van de Negers van den Staat: hij bezorgde

hun een gezonder en vaster voedzel: hy liet hen kleeden en in hunne

ziekten oppassen. Op zynen raad en volgens zyn voorbeeld, heeft men

de zwangere en zogende vrouwen ontzien: men droeg zorge voor kinderen

en jonge lieden: men betoonde ontzag voor oude lieden en zieken: men

moedigde het aangaan van huwelyken aan: men arbeidde, om goede zeden,

vlyt en bedaardheid in de Negers aan te wakkeren: juiste belooningen

vervulden de plaats van harde en willekeurige kastydingen.

Zulk eene handelwyze heeft de gelukkigste uitwerkingen gehad. Het

werk werd met yver en arbeidzaamheid verrigt, en het gelukte door dit

middel, om aan de Negers hunnen staat van slavernye te doen vergeten.

Men dagt niet meer aan wegloopen: vyf of zes schuilplaatsen der

weggeloopen Negers, van alle gemeenschap verwyderd, in ontoegangelyke

Landen en ondoordringbaare bosschen verzonken, zyn van tyd tot tyd

vernield, of door de vredelievende middelen van onderhandeling,

tot de stem der menschelykheid, die tot in deeze verblyfplaatsen was

doorgedrongen, te rug gebragt.

De optochten met krygs-geweld waren tegen deeze arme schepzels byna

onuitvoerlyk: zy kostten aan zommigen van hun het leven, en maakten de

anderen altyd nog afkeeriger. Men moest dus tot eenig ander middel

zyn toevlucht nemen. Een zendeling, met een kruis in de hand, en

onder het geleide van een getrouwen Neger, ging hun de woorden van

vrede brengen, hun kwytschelding beloven, en allen kwamen zy, met

hun volkomen genoegen, hunne yzere kluisters hernemen. Een deezer

verblyfplaatsen onder anderen, verscheiden dagreizens van alle

woningen afgelegen, was, zedert verscheiden jaaren, eene veilige

wykplaats voor een groot getal van weggeloopene Negers. Men had

slechts eene oppervlakkige kennis wegens het bestaan van deeze

wykplaats. Een Priester begaf zig te voet derwaarts, vergezeld van

eenige ongewapende Mulatten, en bragt van deeze plaats, op ééne keer,

drie-en-veertig persoonen mede, waar onder verscheiden kinderen waren,

in de bosschen geboren, en die nooit een blanken gezien hadden. Het

gebeurde werd van wederzyden vergeten. De eigenaars leerden 'er door,

om nuttige voorwerpen, die hun ontloopen konden, zonder mogelykheid

van ze wederom te krygen, met meerder geschiktheid te behandelen,

en de Negers hernamen met onderwerping hunnen gewoonen arbeid.

Men heeft voorgegeven, dat de Negers in Guiana beter behandeld werden,

dan in de andere Volkplantingen. Dit voorgeven wordt door geen bewys

gewettigd. 'Er zyn in deeze landstreek weinig groote Plantagiën

en gegoede Planters; en deeze laatstgemelde behandelden, over 't

algemeen gezegd, hunne slaven het best, het zy om dat zy meerder

middelen bezaten, het zy om dat ze meerder doorzicht hadden.

Zeer geringe Planters, van alle toevoorzicht verre verwyderd,

oordeelden beter hun fortuin voort te zetten, door van drie of vier

Negers, welken zy in het geheel bezaten, eenen onmatigen arbeid te

vorderen. Zy lieten hun zelfs den Saturdag niet, welken men anders

gewoon was aan hun tot bebouwing van hunnen eigenen tuin toe te

staan, en zomtyds ontnamen zy hun zelfs den Zondag: zy bekreunden

zig over hun in 't geheel niet, noch by ziekte, noch by gezondheid:

zy bezorgden hun geen behoorlyk voedzel noch kleeding, en nimmer heeft

men ten deezen opzigte in Guiana kunnen verwerven de uitvoering van

het geen by de wetten, le Code noir genoemd, bepaald was.

Op de Plantagiën, waar men rykelyker bemiddeld was, doch welker

getal ongelukkig zeer klein is, werd dit gebrek verbeterd door de

zorge der eigenaars, door overvloed van groenten tot levensmiddelen,

door het visschen en jagen in zekere landstreken, en door de kleine

geld-sommetjes, die de Negers zig bezorgden, door het overschot van

hun gevogelte en levens-middelen op de markt te verkoopen.

Zommige eigenaars der Plantagiën maakten in geschrifte menschlievende

en verstandige Reglementen, die aan de Negers werden bekend gemaakt. De

ondervinding heeft bewezen, dat, wanneer de slaven beter behandeld

werden, zy met meerder yver tot bevordering van de belangen hunner

meesters medewerkten. Eén deezer Planters had aan elke Negerin, die

zes kinderen behoorlyk zoude opvoeden, de vryheid beloofd. Wanneer

die voorwaarde eenmaal vervuld was, werd de belofte met veel statie

ter uitvoer gebragt.

Brave en verstandige Planters, volgden natuurlyker wyze de beginzels

van menschlievendheid en de goede voorbeelden. Redeneeringen onder

allen, en blyken van misnoegen, aan wreede meesters te kennen

gegeven door den verstandigen, bestuurder, den Burger LESCAILLIER,

van wien wy deeze byzonderheden ontleend hebben, hebben langzamerhand

op het bestaan der Negers in deeze Volkplanting, en op den staat van

derzelver bebouwing, invloed gehad. Maar naderhand is de al te groote

zorgloosheid der Regeering oorzaak geweest, dat het getal der Negers

niet aanmerkelyk is aangegroeid, gelyk had moeten gebeuren, zoo uit

hoofde van de gemakkelykheid van het bekomen van levens-onderhoud in

dit Gewest, als van den zeer aanzienlyken invoer van slaven.

Misschien is het aan eenige van de hier boven opgegevene voorzorgen toe

te schryven, dat de afschaffing der slavernye in Fransch Guiana zulke

akelige gevolgen niet veröorzaakt heeft, als te St. Domingo. Deeze

omwenteling werd op eene rustige wyze bewerkt, en men verhaalt, dat

men verscheiden Negers gezien heeft, die de gehechtheid aan hunnen

ouden meester aan den dag leiden, door op zyne Plantagie te blyven, en

denzelfden arbeid te verrigten, als of de wet 'er hun toe noodzaakte.

VYFDE HOOFTSTUK.

Zeden en gewoonten der Indianen.

De volken, die in het ukgestrekte vaste Land van Guiana, voor de

aankomst der Europeanen, omzworven, waren verdeeld in verscheidene

natiën, die over het geheel niet zeer talryk waren, Zy hadden geene

andere zeden, dan die der Wilden van het zuidelyke vaste Land. Deeze

volken leven altyd van elkander afgescheiden, en dikwils verre

verwyderd. Men onderscheidt dezelven in Indianen aan de kusten,

en in Land-Indianen, dat is, die het binnenste gedeelte van het Land

bewoonen. Deeze Land-Indianen, die weinig of geen omgang met de blanken

hebben, behouden hun oorsprongelyk character en hunne gebruiken meer

volkomen. Zy maken een groot getal van onderscheidene natiën uit,

wier aanwezen zig niet tot eenig gedeelte van den grond van dit Land

bepaalt; maar die, zonder verwarring van woonplaats veranderende,

elkander op zeer verre afstanden wederom vinden.

De Galibis zyn onder deeze natiën de voornaamste en talrykste; hunne

taal wordt door alle de anderen over 't algemeen het best verstaan. Zy

strekken zig van Cayenne tot aan de Orenoco uit. De Arouaques, de

Acoquas, de Aramichaux, de Armancoutous, de Pourpourouis, de Pirious,

de Mayés, de Palicours, de Puchicours, de Maraones, de Ouroukouyennes,

de Macoussis, de Nouragues, de Emerillons, de Taryaras, de Ouins,

de Calicouchiennes, de Coussaris, de Tocoyennes, de Maourious, de

Mayecas, de Itoutanes, de Calipournes, zyn andere Indiaansche volken

van deeze zelfde landstreek.

De Wilden of Indianen van het vaste Land van Guiana, zyn van eene

middelmatige gestalte; [15] de vrouwen zyn klein en niet zoo wel

gemaakt als de mannen. Hunne huid heeft eene rood koperachtige

kleur. Zy hebben zeer zwarte en zeer gladde hairen. Hunne trekken

verschillen weinig van die der Europeanen. De vermenging van dit

geslacht met dat der blanken, brengt, by de eerste voortteeling,

menschen voort, die van de laatstgemelden niet onderscheiden zyn.

De vrouwen hebben eene zekere zoort van zachtheid in haar aangezicht;

verscheiden zyn van een aangenaam voorkomen, en hebben niets wilds. Zy

haten, zoo men zegt, de Franschen niet; maar eene minnestreek met

eene getrouwde vrouw gaat met veel gevaar voor haar, en zelfs voor

den minnaar, gepaard: op de minste verdenking maakt de man hen beiden

van kant.

De meeste Indianen loopen byna naakt. Men beweert, dat zommigen,

voor al die aan den kant van de Rivier der Amazonen woonen, geheel

en al naakt loopen. Zy beschouwen het als een zeker voorteeken, dat

hy, die de schaamdeelen bedekt houdt, ongelukkig zoude zyn, of in

het loopende jaar sterven. De anderen dragen weinige kleederen. De

mans kleeding bepaalt zig tot een linnen gordel, dien zy om het lyf

winden, nu en dan op de manier van eene korte rok. Deeze gordels

zyn doorgaans van catoen doek, blaauw, Guinée of Salempoure genaamd;

zommigen dragen bovendien nog een zoortgelyke lap, waar mede zy hunne

schouders bedekken.

De Indianen van de kust dragen niets op hun hoofd: hunne hairen, die

van agteren kort zyn afgesneden, en over het voorhoofd nederhangen,

maken hen in dit opzigt gelykvormig aan de oude Grieken en Romeinen. By

de volken, die meer binnen in het Land wonen, ziet men echter nu

en dan mutsen van vederen van verschillende kleuren, die, vooral op

feest-dagen, tot opschik dienen, Deeze zelfde Indiaansche volken maken

gebruik van onderscheidene kleedingen, insgelyks op eene vernuftige

manier van vederen gemaakt; zy dragen dezelven voor de maag, tot

voorschooten, gordels en halsbanden. Zy houden bovendien veel, om hunne

armen, de voorhand, en de beenen met armbanden van glaaze koraalen te

vercieren; en elk volk heeft ten deezen opzigte die kleur verkozen,

welke hy het meest bemint, en waar by zy ook be/tendig volharden. Zy,

die wegens hunne afgelegenheid geene gemeenschap met de Europeanen

hebben, en daar door geen kraalwerk weten te bekomen, verstaan de

konst, om kraalen van een zwart en zeer hard hout te maken, welken zy

draaijen, polysten en op eene zeer aartige manier doorbooren. Zy maken

'er halscieraden van, die naar git gelyken, en een tak van koophandel

voor hun opleveren.

De vrouwen maken insgelyks, van kraalen van onderscheidene kleuren,

voorschooten ten naasten by van eene vierkante gedaante, maar van boven

veel naauwer dan van onderen, en ten hoogsten twee handen breed. Haare

geheele kleeding bestaat in één van deeze voorschooten, en zy vercieren

zig met halsbanden, armbanden, en een zoort van ringen, zelfs tot aan

de enklauwen. Zommige dragen ook aan het been, tot aan de hoogte van

de kuit, een weefzel van catoen, op het vleesch zelf vast gemaakt,

het welk zonder hun echter hinderlyk te zyn, de groeijing belet, en

al de kragt en zelfstandigheid naar boven trekt, zoodanig, dat zy op

stelten schynen te loopen. Dit belachelyk gebruik is niet algemeen.

Zoo is het ook gelegen met de Roucou, zynde eene roode verw, aan

dit Land eigen, waar mede de meeste Indiaansche volken hun lichaam,

aangezicht en zelfs hunne hairen besmeeren.

Twee redenen kunnen hen tot het aannemen van dit gebruik bewogen

hebben. Voor eerst, om aan hunne huid eene kleur te geven, naar hunne

natuurlyke kleur gelykende, en die hun toeschynt dezelve te versterken,

te verfraaijen, en eene eenparigheid en weerschyn aan dezelve te geven:

de tweede reden is, om door den olyächtigen aart en zeer sterke reuk

van dit smeerzel, de groote muggen, en andere insecten te verdryven,

waar door zy, zonder dit hulpmiddel, dikwils gekweld zouden worden;

voor al zy, die dicht by de kusten woonen, en in zekere landstreeken,

alwaar deeze ontrustende insecten in grooten overvloed gevonden worden.

Het is waarschynlyk, dat die volken, die van de Roucou geen gebruik

maken, de Binnen-Landen bewonen, alwaar men het gemelde ongemak

niet ondervindt.

Alle Indianen zyn overgegeven aan bygeloof, en zeer luy; maar het

ontbreekt hun niet aan behendigheid, noch vernuft; en hoe koud zy ook

schynen te zyn, 'er is misschien geen volk, dat meer levendigheid

bezit. In weêrwil van hunne uiterlyke ongevoeligheid, zyn hunne

driften ongemeen. Zy leven ongeregeld, en zyn zeer aan den drank

overgegeven. Hunne haat is onverzoenlyk, en hunne wraakzucht geweldig,

wanneer zy dezelve zonder gevaar kunnen uitöeffenen. Niettemin

zyn zy begaafd met eene zekere natuurlyke billykheid, die in

hunne daaden uitblinkt, en beginzels van rechtvaardigheid, die

hun gedrag bestuuren. Zy hebben zelfs eene zoort van beschaafdheid

en minzaamheid. Hunne onderlinge, gesprekken voeren zy altyd met

gematigdheid en ingetogenheid. Hunne redeneeringen ademen zagtheid en

beleefdheid. Zeldzaam hoort men van hun lompe, en nooit beledigende

uitdrukkingen, Zy weten niet wat het is in scheldwoorden uit te vaaren,

zelfs wanneer zy, iemand haat toedragen. Hunne burgerlyke beleefdheid

jegens elkander is niet minder verwonderlyk. De mannen, wanneer zy

niet naar het veld gaan, brengen doorgaans den dag door in eene groote

hut, die in het midden van hun gehucht is opgeslagen, en het zy ze

in of uitgaan, zy laten nimmer na elkanderen te groeten. Bevinden

'er zig eenige vreemdelingen, vervoegt men zig by hun het eerst. In

de huisgezinnen heerscht veel eendragt en rust. De vrouwen zyn

arbeidzaam, zachtzinnig, oplettend, en onderworpen. De mannen zyn aan

hunne vrouwen zeer gehecht. De gastvryheid is by de Indianen zeer in

gebruik. Nu en dan geven zy in grooten getale vriendelyke bezoeken aan

nabuurige volken. Zy blyven verscheiden dagen by elkander, en brengen

dezelven in vrolykheid door; maar gewoonlyk eindigen zy die, met zig

gezamemtlyk dronken te drinken, het geen altyd twisten oplevert. Dit

gebrek, het welk de blanken onder deeze volken maar al te veel hebben

aangemoedigd, is echter niet moeielyk te verbeteren. Zy geven 'er

zig meer aan over uit navolging, en by voorkomende gelegenheden,

dan uit hoofde van eene bestendige gewoonte.

De Indianen, die het Christendom niet omhelsd hebben, schynen geenen

uitwendigen Godsdienst te hebben: het is echter ontwyffelbaar, dat zy

een denkbeeld hebben van het Opperwezen, en van de onsterffelykheid

der ziele. De Godsdienst van de meesten gelykt veel naar die der

Manicheen, en zy zyn, ten naasten by, met dezelfde vooröordeelen

bezet. Zy hebben hunne Toovenaars en Waarzeggers, die tevens de

Priesters en Artsen der natie zyn. Men heeft in de reize van STEDMAN

gezien, welken eerbied zy in 't algemeen voor de dooden hebben,

en dat zy denzelven zoo verre dryven, dat zy hunne beenderen bewaren.

Deeze volken rekenen den tyd naar het toe en afnemen der maan, en het

zeven-gestarnte, Behalven deezen, onderscheiden zy nog verschillende

hemelteekenen. Onder den lynrechten hemelkring wonende, bekommeren

zy zig niet over den afstand der zonne.

De Indianen bemoeien zig bijna in 't geheel niet met de opvoeding

hunner kinderen. De ouders betoonen eene ongemeene tederheid voor

hunne kinderen, wanneer zy in hunne eerste jeugd zyn; maar in een meer

gevorderden ouderdom, schynen zy dezelven niet meer te kennen. Zy gaan

hun in niets te keer; zy beveelen hun niets; zy berispen hun nooit,

en durven het zelfs niet doen; want het is niet zonder voorbeeld,

dat men een zoon zijnen vader straffeloos heeft zien slaan.

Schoon de Indianen weinig spreken, en zelfs stilzwygende schynen,

hebben zy echter een vrolyken geest, en eene geneigdheid tot

spotternye: zy zingen by alle gelegenheden; en wanneer zy oploopend

zyn, ontzien zy zig geene schimpredenen hoe genaamd.

Hun leven verslyten zy byna geheel in ledigheid. Men ziet hun altyd in

hunne hangmat liggen. Zy brengen 'er geheele dagen in door met praten,

en met zig in een kleinen spiegel te bekyken, met het schikken van

hunne hairen, of zoortgelyke vermaken. Zommigen scheppen vermaak in

aanhoudend op de fluit te spelen, of liever te brommen; men kan het by

niets beter vergelyken; want hunne groote fluiten maken een geluid,

eenigermaten gelykende naar het gebulk van een os. De Indianen

zyn dus uit hunnen aart zorgeloos. Zy arbeiden niet, dan wanneer

het gebrek of de nood 'er hen toe dwingt: maar het is merkwaardig,

dat deeze zorgeloosheid in alle omstandigheden geen plaats heeft;

want het oorlogen, het jagen, het visschen, bezigheden, die kragt

en werkzaamheid vorderen, met geduld gepaard, behagen hun altyd

zonderling. De arbeidzaamsten, wier getal niet groot is, houden zig

bezig met het maken van bogen, pylen, hangmatten, gereedschappen tot

de huishouding, en met het maken van praauwen en booten.

De vrouwen zyn de slavinnen der mannen. Behalven de zorg van het

huishouden, zyn zy belast met het beplanten der velden, welken de man

van de stronken gezuiverd heeft, met het uitwieden van het onkruid,

met het inzamelen van den oogst, met het gereed maken van den drank,

van de cassave, met het haalen van hout, en water, met het maken van

aardewerk; met één woord, zy zyn verpligt zig met alles te bemoeijen,

buiten de jagt en visscherye: daarënboven moeten zy zomtyds het

onderhoud voor hunne mannen gaan zoeken, terwyl deeze zig zacht in

hunne hangmat bakeren.

De veelwyverye is by de Indianen geöorloofd, meer door gewoonte, dan

om eenige andere reden. Ieder man is gerechtigd zoo veele vrouwen te

hebben, als hy onderhouden kan: hy zendt haar te rug, wanneer hy het

geraden oordeelt; en, zoo hy het goed vindt, laat hy haar geheel en al

varen, zonder in eeniger manieren voor haar onderhoud te zorgen. By

verlating van eene vrouw, belast de vader zig doorgaans met de zorg

over de kinderen.

De Indianen trouwen altyd met hunne nabestaanden, zelfs in den

tweeden graad van bloedverwantschap. De jongens beschouwen hunne volle

nichten, als of zy dezelven door een zeker recht van geboorte verkregen

hadden. Dus trouwen zy haar dikwils, schoon ze niet meer dan twee of

drie jaaren oud zyn. Ondertusschen neemt de man eene andere vrouw,

welke hy weg zendt, wanneer dit jong meisjen groot genoeg geworden is,

om met hem zamen te woonen.

De huwelyken worden in een oogenblik, en zonder eenige plechtigheid,

voltrokken. Indien een Indiaan een goed visscher, een goed jager, en

arbeidzaam is, is hy zeer gezien. Zoo dra eene jonge dogter het oog

op hem geworpen heeft, biedt zy hem drinken aan, en zelfs hout, om by

zyne hangmat vuur aan te leggen. Zoo hy dit weigert, is zulks een blyk,

dat hem het meisjen niet gevalt; zoo hy het aanneemt, is het huwelyk

gesloten. Dien zelfden dag blyft het meisjen niet in gebreken, om haare

hangmat in de nabyheid van die van haaren toekomenden echtgenoot op te

hangen. Des anderen daags brengt de jonge vrouw hem eeten en drinken,

en van dien tyd af neemt zy de zorge van zyne huishouding waar.

De schoonvaders beschouwen hunne schoonzoonen als zoo veele knechts,

geschikt om hun te dienen, en begeeren dus niet te werken. De nieuw

getrouwde Indianen houden zig bezig met het hakken van hout, en het

bouwen van de hut. Zy zyn verpligt te gaan jagen en visschen; met één

woord, om te voorzien in het onderhoud van de vrouw en kinderen van

hunnen schoonvader, die met de armen over elkander in zyne hangmat

blyft liggen. Deeze jong-getrouwde lieden zyn ook nog aan eene zeer

harde wet onderworpen. Wanneer hunne vrouw voor de eerste maal in het

kraambedde bevalt, blyven zy in hunne hangmat, welke men aan het dak

van 't huis vast maakt. Een stuk cassave-brood, en een weinig water

maken al hun voedzel uit.

Na dit gestreng vasten eenige weken te hebben uitgehouden, laat men

hen ter neder, en men maakt hun met groote visch-graaten, of tanden

van eenig wild dier, eenige insnydingen op onderscheiden plaatsen

van hun lichaam, het geen de Creolen noemen frelanguer. Zeer dikwils

zelfs geeft men hun verscheiden zweepslagen. Met deeze plechtigheid is

het nog niet afgedaan. Hy, die vader geworden is, is verplicht zig in

dienst te begeven by den eenen of anderen ouden Indiaan, en zyne vrouw

voor eenige maanden te verlaten. Geduurende al dien tyd moet hy zoo

onderworpen zyn, als een waare slaaf. Hy moet zig onthouden van het

eeten van varkens-vleesch en grof wild. Wanneer de tyd der slavernye

vervuld is, gaat men uit om krabben te vangen; men vangt eene zeer

groote meenigte; men rigt een festyn aan, en drinkt zig dronken;

vervolgens geeft men in groote statie den man aan de vrouw te rug.

De krygs-bouwkundige FOUCIN, die de oevers der Rivier Oyapoc bereisd

heeft, spreekt eene zoo algemeen aangenomene zaak eenigermaten

tegen. "Men heeft stoutmoedig beweerd, zegt hy, dat eene vrouw, in

het kraambedde bevallen zynde, aan alle de lasten der huishouding

onderworpen was, en haaren man bediende. Het is niet anders, dan het

tafereel sterk te overschaduwen, om het belangryk te maken. Maar

indien men de waarheid hulde wil doen moet men toestemmen, dat de

vrouwen, die bevallen zyn, negen dagen lang, door de geenen, die

haar vergezellen, met de grootste gematigdheid behandeld worden, en

dat zy eerst na afloop van dien tyd haare bezigheden hervatten. De

mannen, wel is waar, houden hun rust, maar dit is een gevolg van hun

bygeloof. Zy eeten dan niets als visch; zy onthouden, zig van alle

zoorten van vleesch, zig overtuigd houdende, dat hun gedrag op het

lot en het gestel van hunne kinderen invloed hebben zal."

De mannen houden nooit hun middagmaal te zamen met hunne vrouwen:

de laatstgemelde dienen hun, en geven hun wasch-water, wanneer zy

hunne maaltyd geëindigd hebben. De Indianen zyn gewoon, wanneer zy

zitten, hunne hielen plat op den grond te zetten. Echter hebben zy

een houten stoel, welken zy moulé noemen, en waar van zy by het geven

van bezoeken gebruik maken. Het is een zoort van zitbank, geheel

uit één stuk gemaakt, en zeer ongemakkelyk, waar van het bovenste,

byna de gedaante van een boot hebbende, zoo hol is, dat men 'er tot

aan het midden in zakt, en de kniën byna de kin aanraken.

Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Deel 4 · 第 11 / 14 段