JONGERE RICHTINGEN EN PERSOONLIJKHEDEN.

Omstreeks 1890 kan men zeggen, dat er in de algemeene denkbeelden, die

in de letterkunde tot uiting komen, een verandering heeft plaats gehad.

Deze verandering, die in veel overeenstemt met hetgeen ook in andere

landen in denzelfden tijd of iets vroeger gebeurd is, wordt dikwijls

voorgesteld als een plotselinge omslag. Men begint genoeg te krijgen,

zoo heet het, van de maatschappelijke litteratuur, van de

problemenlitteratuur en ook van de naturalistische, aan photographieën

herinnerende schilderingen der werkelijkheid. Thans stelde men daarvoor

'ziel' en 'persoon' in de plaats. Zóó kan het schijnen, wanneer men

uitsluitend kunstwerken vergelijkt, die uiterste standpunten

vertegenwoordigen. Ziet men echter wat nader toe, dan blijkt het, dat de

ontwikkeling niet altijd met sprongen gaat, maar dikwijls langs bepaalde

lijnen. Iedere generatie heeft de neiging, zich zelf te overschatten, te

meenen, dat zij den nieuwen tijd brengt, en wat voorafgaat, als

verouderd te kenschetsen. Voor de dichters, die omstreeks 1870 optreden,

begint 'de nieuwe tijd' met 1870; voor hen, die omstreeks 1890

debuteeren, met 1890. Maar veel, wat tusschen 1870 en '90 verworven was,

blijft na 1890 behouden, en veel, wat in 1890 sterk op den voorgrond

treedt, was ook reeds vroeger in meerdere of mindere mate aanwezig.

Voor Noorwegen in het bijzonder geldt, dat de litteratuur van 1870 niet

tot zulke uitersten gegaan was, als elders wel voorgekomen is, en dat

niet tot schade van de letterkunde. De problemen-poëzie was slechts in

weinige gevallen ontaard tot zuiver debat, waarbij de kunst geheel uit

het oog was verloren; het naturalisme had zich zelden bepaald tot de

dorre beschrijving van feiten en details zonder eenheid van

gezichtspunt. Er was dus minder aanleiding tot eene directe reactie. Men

kan eer spreken van een verschuiving der standpunten. Voorts moet men

niet vergeten, dat onder de mannen, die in 1870 vooraanstonden, de

grootste dichters behooren, die het land heeft voortgebracht. Dezen

waren echter in 1890 nog niet verstomd; integendeel, ook in deze periode

blijven zij domineeren. Maar ook zij hebben zich ontwikkeld; ook bij hen

treden nieuwe denkbeelden of oude in nieuwen vorm op, en zij zijn het,

van wie niet in de laatste plaats de impulsen zijn uitgegaan, die

nieuwe bezieling gebracht hebben.

Het is moeilijk, een tijd, die zoo kort bij ons ligt als het tijdvak

tusschen 1890 en 1900, in enkele woorden te karakteriseeren. De

gemeenschappelijke kenmerken van personen en groepen uit eenzelfden tijd

kunnen in den regel pas op een afstand duidelijk gezien worden. De

tijdgenooten en het eerstvolgende geslacht zien vooral de

tegenstellingen. En zoo kan een chaos schijnen, wat toch op een afstand

gezien een eenheid is. Zonder er aanspraak op te maken, de vraag uit te

putten, wil ik hier een paar lijnen aangeven, die zich in de

letterkundige beweging dier dagen laten waarnemen. Het psychologisch

proces, dat tot een nieuw idealisme voert, is ingewikkeld. Hier komt het

sneller, daar langzamer tot stand, zoodat men zuiver chronologisch soms

meent, een sprong waar te nemen, soms een terugvallen tot een stadium,

dat tot het verleden scheen te behooren. Zoo is het trouwens met alle

maatschappelijke ontwikkeling.

Reeds de realistische debatlitteratuur had een pessimistisch element;

zij was polemisch. Zij wendde zich tegen de maatschappij, zooals die is.

Ook indien de schrijvers geloofden aan de mogelijkheid van verbetering,

stonden zij toch tegenover het bestaande vijandig, en hun tendentie

voerde hen er toe, den nadruk te leggen op de schaduwzijde. Heel

duidelijk is dat bijvoorbeeld te zien bij Kielland. Het zuivere

naturalisme plaatst zich meer op een afstand; het wil objectief zijn.

Maar de onderwerpen, die het kiest, menschelijke ellende, geestelijk en

stoffelijk, en de koelheid, waarmee de schrijvers dat aanzien als een

zaak, die nu eenmaal in de natuur gegeven is, zijn zeker niet geschikt,

om hoop en geloof te wekken. Het is slechts noodig, aan deze

schilderingen een weinig lyriek toe te voegen, met deze realiteit de

gevoelens te verbinden, die zij bij een sensibel dichter wekken, en men

vervalt in het pessimisme, een der kenmerken van niet weinige dichters

van het jaar 1890. Aanwezig is dit reeds bij Hans Jæger; wij vinden het

terug bij Gabriël Finne. Bij een dichter van den rang van Garborg, die

alles mee doormaakt, wat zijn tijd beweegt, ontmoeten wij deze stemming

als een overgangsstadium. Sommigen blijven in het pessimisme steken;

anderen slaan dit stadium over of maken het door vóór den tijd, waarin

zij als schrijver optreden. Een verdere stap, waartoe het pessimisme

voert, is, dat men aan de harde realiteit den rug toekeert. Men kan dan

zich opsluiten in een droomwereld (Obstfelder); men kan zich zelf tot

god maken, maar zonder de macht te bezitten, zijn goddelijkheid te

realiseeren, en zich ten ondergang wijden (A. Dybfest). Men kan ook,

wanneer men eene krachtige natuur is, zich verzetten tegen het

schijnbare noodlot of in de diepten van het eigen gemoed afdalen en daar

de schatten vinden, die men daarbuiten te vergeefs zocht. Men kan

eindelijk zooveel vinden, dat er wat overblijft, om aan anderen mede te

deelen. En wanneer men den schat gevonden heeft, die geloof in het leven

heet, dan is een volkomen tegenstelling met het punt van uitgang

bereikt. De stemming kan verschillend zijn. Men kan hebben leeren

resigneeren; men kan als nieuw geboren het leven opnieuw met naïeve

oogen aanzien; men kan in religieuze en moreele overwegingen zijn troost

gevonden hebben. En zoo zijn er meer mogelijkheden. De periode, die voor

ons ligt, geeft de genoemde en andere nuances te zien.

Tot het tijdvak, waarover wij hier spreken, behooren in de eerste plaats

de latere drama's van Henrik Ibsen. Reeds in _Vildanden_

is het eerste der hierboven aangeduide stadia bereikt,--een diep

pessimisme. Niet lyrisch getint, voorzoover het zijn persoon betreft,

want zijn eigen persoon houdt hij altijd op den achtergrond, maar een

pessimisme tegenover den mensch. Weg is de blijde strijdlust, die _En

Folkefiende_ kenmerkt; de leer van _Vildanden_ is, dat het niet loont,

voor de menschen een hooger levensopvatting te prediken. De man, die het

in dit stuk doet, is een dwaas. Maar in Hedwig is reeds de kiem van iets

nieuws aanwezig. En die kiem is tot een volle plant geworden in

_Rosmersholm_ (1886). De maatschappij, de huichelachtige, is ook hier

nog aanwezig, maar zij is tot den achtergrond geworden, waarop zich het

drama tusschen werkelijke menschenzielen afspeelt. Het is nu

onverschillig, of rector Kroll dan wel Peder Mortensgaard een politieke

overwinning zal behalen; de vraag is, wat er van Rosmer en van Rebekka

wordt. En van het standpunt des dichters is de afloop goed; zij

manifesteeren de waarheid van hun idealisme door het offer van het

leven. Hier is het ook niet de vraag, of zij goed of slecht zijn;

slechts of zij heel zijn. Rebekka is misdadig, maar het verblijf op

Rosmersholm heeft haar geadeld; zij, en de dichter met haar, erkent 'de

mogelijkheid van den mensch, om geadeld te worden'. Dat het het leven

kost, is bijzaak, of liever--daaruit blijkt de vernieuwing pas. Dat is

andere taal dan die, welke Relling in _Vildanden_ voert. Het is de taal

van den man met den paardenhoef in _Peer Gynt_, die zielen, welke zich

verkeerd gefotografeerd hebben, zoolang met zwavel en andere

ingrediënten bewerkt, tot het juiste beeld voor den dag komt.

In een gansch andere sfeer verplaatst ons _Fruen fra Havet_ (De Vrouw

van de Zee). Toch is de grondgedachte dezelfde. Het geval is echter van

minder tragischen aard, en de oplossing kan daarom niet slechts van een

ideaal, maar ook van een practisch standpunt bevredigend zijn. Ellida

leeft in een huwelijk, waarvan de band haar als een dwang voorkomt. Haar

vrijheidszucht geeft voedsel aan eene ziekelijke fantasie, die haar met

ondergang bedreigt. Haar redding wordt bewerkt door de niet-zelfzuchtige

behandeling van de zijde van haar man, die op het uiterste oogenblik,

wanneer hij vreest, dat dwang haar tot waanzin zal voeren, haar haar

vrijheid geeft, haar tevens wijzende op de daarmee onafscheidelijk

verbonden verantwoordelijkheid. Ellida is genezen. Wangel heeft door

overwinning van het egoïsme het onmogelijke tot werkelijkheid gemaakt,

en Ellida heeft geleerd, dat vrijheid alleen waarde heeft voor hem, die

een plicht erkent. Hier gaat voor een enkel maal bij onzen dichter het

hooger leven met het dagelijksch leven een verbond aan.

Met deze beide stukken verwant is ook de gedachtengang in _Lille Eyolf_

(1894). Het huwelijk van Allmers en Rita is onherroepelijk bankroet,

nadat hun kind, dat reeds vroeger door hun schuld zijn gezondheid

verloor, nu ook door gebrek aan zorg is omgekomen. Door wederzijdsche

verwijten en zelfverwijt komen zij tot helderheid, en met verlies van

wat men het levensgeluk noemt, vinden zij een doel voor hun samenleven,

door het aan het heil van anderen te wijden. Ook hier wordt door smart

en het opgeven van het egoïsme een nieuwe en hoogere levensmogelijkheid

geschapen. Opnieuw blijkt de mogelijkheid voor den mensch om 'geadeld te

worden'.

Het streven naar het onbereikbare is een grondtrek van Ibsen's poëzie.

Vanouds heeft hij helden geteekend, die zich niet tevreden stelden met

het mogelijke, maar die het onmogelijke wilden. Ook Rebekka en Ellida

behooren tot deze soort; het is tot op zekere hoogte slechts

incidenteel, dat het ideaal, waarvan hier sprake is, het 'geadeld

worden' en de vrijheid, tot het gebied van het moreele leven behoort. In

de volgende stukken komen sommige zeer anti-sociale idealisten voor, en

hun streven omhoog kan zeer eenzijdig en ziekelijk zijn. Niettemin is

zulk een streven aanwezig, en de consequentie, waarmee het wordt

volgehouden, geeft dezen figuren relief. De meest negatieve van hen is

wel Hedda Gabler (1890), de genotzuchtige intrigante. Maar zij heeft

toch haar ideaal van onverschrokkenheid, van schoonheid in het sterven,

en op hare wijze is zij daaraan getrouw. Bouwmeester Solness (1892) is

een heerschzuchtig egoïst, die niemand naast zich duldt, maar hij is ook

een trotseerder, niet slechts van menschen, maar van de macht, die het

leven regeert. Het hoogste moment uit zijn leven, dat hij zich

herinnert, is dat, toen hij, boven op een toren staande, aan God den

dienst opzeide, en het is de hoogste triomf voor Hilde Wangel, dat zij

hem er toe krijgt, dat moment te herhalen. Dat hij daarbij het leven

inschiet, is slechts natuurlijk en bovendien onverschillig. Wat zou hij

hierna nog kunnen? hij staat op zijn hoogtepunt. Ook John Gabriël

Borkman blijft zich zelf tot het laatst. Hij heeft ruïne over anderen

gebracht, hij heeft vijf jaar in de gevangenis gezeten en loopt nu acht

jaar in zijn vertrek rond, zonder uit te gaan, maar hij is overtuigd,

dat niemand anders dan hij in staat is, met kapitaal om te gaan, en hij

wacht dag aan dag het uur af, waarop de autoriteiten tot hem zullen

komen, om hem het bestuur over de bank aan te bieden. De verwijten van

Ella Renthejm, dat hij haar in haar jeugd voor de betrekking van

bankdirecteur verkocht heeft, dat hij het liefdeleven in haar gedood

heeft, dat hij de zonde begaan heeft, waarvoor geen vergeving is,

stuiten bij hem op een pantser van hoogmoed af. Men moet niet de vraag

stellen, of Ibsen dezen menschen gelijk geeft. Hij laat ze ons zien, en

hij spreekt geen zedelijk oordeel uit. Maar in al hun ziekelijkheid zijn

zij toch vertegenwoordigers van dezelfde geestesrichting, die die zijner

ideale personen is. Het zijn kreupelgeschoten idealisten.

Tot dezelfde categorie als de beide laatsten behoort Professor Rubek in

_Naar vi døde vaagner_ (Als wij dooden ontwaken) (1899). In

tegenstelling met John Gabriël wordt Rubek zich den tweespalt in zijn

leven bewust. Het is de tragische tweespalt tusschen kunstenaar en

mensch. Aan den kunstenaar offert Rubek den mensch, maar deze wreekt

zich en neemt den kunstenaar de vreugde in zijn werk af, zoodat hij arm

en eenzaam blijft staan in eene wereld, die hem vreemd is. Hij en zijne

geliefde, die hij niet aanroerde, om zijn model hare ideale reinheid te

laten behouden, doen--te laat--een poging, om het verzuimde in te halen.

Ook voor hen is geen levensgeluk meer weggelegd, maar wel een

gemeenschappelijk hijgen naar het onbereikbare, dat gesymboliseerd is in

een bergtop, die schittert in de opgaande zon. Terwijl zij dien

bestijgen, gaan zij samen onder.

Vergelijken wij de hier kort besproken stukken met die der onmiddellijk

voorafgaande periode, dan kunnen wij constateeren, dat er wel geen breuk

aanwezig is, maar toch een onderscheid. Meer dan ginds is hier het

zieleleven van enkele individuen het middelpunt, waaromheen het geheele

drama gecrystalliseerd is. Dat is een verschijnsel, dat ook bij andere

schrijvers der periode voorkomt, en men kan met recht zeggen, dat Ibsen

ook hier weer een voorganger geweest is.

Omstreeks 1890 treden drie jonge dichters op, in wie het pessimisme diep

heeft wortel geschoten, en die de kracht missen, om er zich aan te

ontworstelen. Het openbaart zich echter bij hen op verschillende wijze.

Alle drie stierven na een onrustig leven jong, Gabriël Finne in 1899 op

drieëndertig jarigen, Sigbjørn Obstfelder in 1900 op

vierendertigjarigen, Arne Dybfest in 1892 op vierentwintigjarigen

leeftijd.

Van deze drie toont Gabriël Finne het duidelijkst den samenhang met de

vroegere periode. Kielland is zijn vroegste voorbeeld geweest[21], maar

hij ontwikkelt zich in eene zelfstandige, maar ook zeer eenzijdige

richting. Aan den meester herinnert het heldere en distincte in den

vorm, de voortreffelijke caricatuurteekening, de onversaagdheid in de

keuze en behandeling zijner stof, die echter bij hem tot ruwheid wordt,

het zich verdiepen in het leven eener kleine plaats. Maar zijn horizon

is beperkter, en hij heeft een voorliefde voor het abnorme en het

disharmonische. Hij begint natuurlijk met oppositie, en zijn eerste

oppositie is gericht tegen de geldende wetten der zedelijkheid. Reeds de

titel van zijn eersten bundel verhalen, _Unge Syndere_ (Jonge Zondaars),

toont, uit welken hoek de wind waait. Er is wel ontwikkeling in zijn

standpunt. Hij begint met het op te nemen voor de ontuchtigen, die de

maatschappij veroordeelt. Bij nader kennismaking vallen dezen hem niet

mee en verliezen zij het heiligenschijntje, dat zich in zijn fantasie

om hun hoofd gevormd heeft. Hij wordt dan cynisch gestemd, en het

cynisme is eigenlijk de toon, waarin zijn werken gestemd blijven. Hij

geeft nu schetsen van het leven, waaraan alle idealiteit ontbreekt; de

wereld is hem een kampplaats om voedsel, waarin de menschen door elkaar

wemelen, sommigen van deugd pratende, anderen brutaal voor hun ondeugd

uitkomende, allen slechts bezield door hebzucht en eigenbaat. Hij is dan

schijnbaar geheel objectief, maar zijn scherp sarcasme toont het eigen

lijden, en zóó is er in deze schijnbaar zoo onverschillig geschreven

romans een belangrijk deel lyriek. In zijn laatste werken treden enkele

personen op, in wie uit het inzicht van eigen ellendigheid de behoefte

ontstaat naar hooger levensvormen. Men krijgt hier den indruk, dat Finne

bezig is geweest, een uitweg uit het pessimisme te zoeken. Maar de dood

heeft hem verhinderd, dien te vinden. De roman _Rachel_, waarin de

nieuwe gedachten vooral uitgesproken worden, is onrijp en toont, dat

Finne hier nog niet tot helderheid is gekomen, althans nog niet den vorm

heeft gevonden voor het nieuwe, dat zich in hem ontwikkelde.

Finne's belangrijkste werken zijn: _Filosofen_ (1889), _Unge

Syndere_(1890), _Doktor Wangs Børn_ (1890), _To Damer_ (1891), _Uglen_

(De Uil) (1893), _Konny_ (een tooneelstuk) (1895), _Rachel_ (1895).

Finne is een zeer origineel schrijver en een voortreffelijk stilist

geweest. De middelen, die hij gebruikte, waren soms zeer brutaal, maar

hij heeft daarmee niet zelden sterke effecten bereikt.

Op eene gansch andere wijze reageert Sigbjørn Obstfelder op de harde

indrukken der werkelijkheid. De uitwerking is bij hem, dat hij zich van

de realiteit afwendt. Hij is een individualist, die in de eerste plaats

het eigen inwendig leven waarneemt en dat in bewuste tegenstelling

plaatst tot de wereld daarbuiten. Obstfelder is, zooals reeds op grond

hiervan vermoed kon worden, in hoofdzaak een lyrisch talent. Dit blijkt

niet alleen uit zijne lyrische gedichten, maar ook uit zijne

vertellingen. Obstfelder geeft de voorkeur aan de vertelling in de

eerste persoon, soms zelfs den dagboekvorm, en in zijn 'ik'-held, die in

hoofdzaak altijd hetzelfde type representeert, is het gemakkelijk, den

dichter te herkennen. Deze held is een eenzame, die zich onder de

menschen niet thuis gevoelt en opgaat in een mystiek stemmingsleven. Het

dagelijksch leven komt hem ruw en onwerkelijk voor; de stemming is

beurtelings pantheïstisch-religieus en twijfelend. Hij verbeeldt zich

soms in eene andere wereld thuis te hooren dan die, waarin hij leeft;

deze vindt hij zoo wonderlijk. In meer dan één vertelling ontmoet deze

'ik'-persoon eene vrouw, insgelijks eenzaam, door bijzondere innerlijke

of uiterlijke omstandigheden, hetzij ziekte, hetzij schuld, eene paria

onder de menschen. Een mystieke bekoring gaat van die figuren uit;

Obstfelder weet haar zóó te schilderen, dat inderdaad de verworpene

reiner is dan anderen. Er bestaat hier slechts een uitwendige

overeenstemming, maar te gelijk een diepgaand verschil met Finne, die de

onzedelijkheid om haars zelfs wille schildert. Obstfelder zoekt de ziel

der bevlekte en vindt, dat deze in de uitzonderingsexemplaren, die hem

belang inboezemen, juist door het leed, dat met het onreine leven

gepaard gaat, gelouterd en reiner kan wezen dan die van normale

individuen. Met groote fijnheid heeft hij dat geschilderd; een prachtig

voorbeeld leeren wij in _Korset_ (Het Kruis) kennen. Obstfelder toont

zich hier verwant met de groote Russische schrijvers, met name

Dostojewski.

In de vertellingen van Obstfelder is veel, dat onwerkelijk is, maar

daarom niet onwaar; het is de subjectieve waarheid van eene lijdende

ziel, die in half visionnairen toestand verborgen dingen meent te zien.

Vruchtbaar was deze schrijver niet, maar zijn boeken zijn met hartebloed

geschreven, en wie ze leest, verbaast zich niet, dat de schrijver niet

oud geworden is.

Obstfelder's verwijdering van de wereld en zijn medegevoel met al, wat

lijdt, geven hem te gelijk een stempel van voornaamheid en van

zachtmoedigheid. Dit karakter toont zich ook in het portret met den

weemoedig vragenden blik, dat Oda Krogh heeft geschilderd, en waarvan

eene afbeelding de litteratuurgeschiedenis van Carl Nærup siert.

In dezen schrijver wordt het inderdaad duidelijk, dat een tegenstelling

met het realisme van 1870 bereikt is. Maar daarom keert hij niet terug

tot de oude romantiek. Zijne psychologische analyse--zelfanalyse--daalt

veel meer in bijzonderheden af. De nauwkeuriger waarneming is de vrucht

der periode, die achter hem ligt.

De belangrijkste werken van Obstfelder zijn: _Digte_ (1893), _To

Novelletter, Korset, De røde Draaber_ (De roode Droppelen), _En Præsts

Dagbog_. Van deze heeft _Korset_ het meest de aandacht getrokken.

Arne Dybfest heeft een nog korter werktijd gehad dan de beide hiervoor

genoemden. Bij hem wordt de zwakheid, die het leven niet beheerschen

kan, tot een bedwelmenden roes, die ijlt naar zelfvernietiging. Drie

boeken heeft hij geschreven, genoeg, om eene bijzondere begaafdheid te

toonen, die, met grooter wilskracht gepaard, den schrijver misschien tot

een der besten zou hebben gemaakt. Het eerste van deze drie, _Blandt

Anarkister_, is interessant als schildering van het milieu, waarin hij

op zeer jeugdigen leeftijd zich in Amerika heeft opgehouden. Van de

drie verhalen, die de beide volgende boeken (_Ira_ en _To Noveller_)

bevatten, behandelen er twee een zelfde thema, de geschiedenis van een

zwak, ijdel jong man, die de prooi wordt van eene zinnelijke vrouw, veel

ouder dan hij. Het best gelukt is het laatste van deze (_En Ensom_);

naast de lyriek, die anders den boventoon voert, treedt hier ook de

psychologische analyse op. Maar toch is ook hier het lyrisch element

aanwezig, en daarin de samenkoppeling van wellust en streven naar

ondergang. Op ziekelijke wijze smelten deze gevoelens samen. In het

licht van deze boeken krijgt Dybfest's dood eene bijzondere beteekenis.

Hij maakte een einde aan zijn leven, nadat hij aangeklaagd was, omdat

hij een vriend niet van zelfmoord had teruggehouden.

Arne Garborg heeft in het begin der periode, die hier besproken wordt,

eene diepe crisis doorgemaakt. Maar in tegenstelling met de het laatst

behandelde dichters is hij daaruit als een nieuw man te voorschijn

gekomen. Feitelijk kan men niet spreken van een breuk in zijn

ontwikkeling, maar van een doorbraak, van een te voorschijn komen van

dat, wat het diepste in hem was, zijn eigendom door afstamming en het

positieve deel van zijn opvoeding. Voor wie nader toezag, was het wel te

zien geweest, dat hij ook vroeger niet van een gehoorzaam naprater eener

oude leer tot een gehoorzaam naprater eener nieuwe leer was geworden;

het naturalisme, het rationalisme, ook het materialisme heeft hij

gehuldigd, omdat er vrijmaking in was van den geestesdwang, waaronder

hij zuchtte, maar wie ziet, hoe in al zijn vroegere werken niet de

theorie maar de persoonlijkheid hoofdzaak is, begrijpt, dat dit geen man

was, om zich door een eenige waarheid van den dag te laten vangen. Nu

hij zich aan alle kanten vrij gemaakt heeft, komt zijn diepste behoefte,

de religieuze boven. Het is dan ook een religieuze crisis, die

beschreven wordt in _Trætte Mænd_ (Vermoeide Mannen) (1891). Hier voert

de weg van twijfel over vertwijfeling naar geloof. Het boek is

geschreven in den vorm van een dagboek. De man, die het heet te

schrijven, Gabriël Gram, is een decadent, wiens kritiek is als een

bijtend zuur, dat zijn zieleleven verteert, en die eindigt, met zich op

genade en ongenade over te geven en naar de kerk te gaan. Een

ongelukkige oude-jongeheeren-verliefdheid verhaast de crisis; zij brengt

hem tot het besef, dat al het onmiddellijke in hem door reflexie gedood

is, en hij past de eenige kuur toe, die voor hem mogelijk is.

Maar Garborg is niet Gabriël Gram. Hij laat zich niet door een dominee

op sleeptouw nemen en lid maken van eene vereeniging tot voeding van

arme kinderen, om langs dezen weg bezigheid en zielevree te zoeken. Hij

geeft zijn held, voor wien geen andere uitweg bestaat, gelijk, maar

voor hem zelf is _Trætte Mænd_ een bad, waarin hij afwascht het

negatieve, dat er in zijne ontwikkeling is. Zal hij een Christendom

zoeken, dan kan men zeker zijn, dat hij zich niet bij het officiëele

aansluit, maar een Christendom maakt voor eigen gebruik. Want zijn

oppositiegeest en zijn onafhankelijkheid heeft hij niet laten varen, en

gelijk hij in _Trætte Mænd_ zegt, dat de vrijdenkers geen vrijdenkers

onder zich dulden, zoo zullen wij hem weldra hooren verklaren, dat de

Christenen geen Christen verdragen. En hij betoogt het met klem van

redenen.

Onder den invloed zijner nieuwe levensbeschouwing wenden Garborg's

gedachten zich naar zijn jeugd, en het beeld van zijn vader stijgt op,

van den man, die, door gewetenswroeging gepijnigd, zijn leven verkortte,

omdat hij geen vrede had met God. _Nu_ begrijpt hij hem; nu kan hij met

liefde en vereering aan hem denken, en met meegevoel, want nu weet hij

zelf, wat zielenood is. In 1892, een jaar na _Trætte Mænd_, verscheen

_Fred_ (Vrede), waarin de geschiedenis van Eyvind Garborg in den vorm

van een roman wordt verteld. _Fred_ is een overweldigend boek. Nergens

bereikt Garborg's psychologische analyse zulk eene diepte als hier.

Terwijl in vroegere werken altijd tot op zekere hoogte de gedachte het

primaire is, en de personen dienen, om aan de gedachte uitdrukking te

geven, is het hier de levende persoon, die de fantasie van den dichter

gegrepen heeft, en dien hij volgt in zijne aanvechtingen tot in de

razernij van den godsdienstwaanzin.

Enok Haave heeft de bekeering reeds te lang uitgesteld. Het wordt tijd,

dat hij hiertoe overgaat, want men kan nooit weten, wanneer de bruidegom

komt. Hij besluit er dus ernst mee te maken,--maar telkens komt de

duivel tusschenbeiden, tot een plotseling sterfgeval in zijne omgeving

hem zoo verschrikt, dat van nu af aan de redding zijner ziel zijn eenige

gedachte is. Het komt er nu op aan, het ware berouw over zijne zonde te

krijgen. Hij bidt, en hij bidt, maar het berouw wil niet komen, en God

blijft ver. Enok houdt vol, tot in een nacht van hevige verschrikking

het berouw komt, en de genade. Enok voelt eene hand, die de zijne drukt;

dat is de hand van den verlosser. Enok barst in tranen uit en komt tot

rust. En nu breekt voor hem een tijd van zaligheid aan; hij is op Tabor;

de Heer zelf spreekt tot hem en geeft hem zijn wil te kennen. Waar zoo

groote genade zijn deel werd, daar moet hij naar de stem des Heeren

luisteren,--en staat er niet geschreven: "aangaande mij en mijn huis,

wij zullen den Heere dienen"? Dus moeten ook vrouw en kinderen Gods wil

doen. Wat Gods wil is, is gemakkelijk te weten; immers God getuigt in

den geest, en,--twijfelt men, dan moet men slechts dat doen, wat het

vleesch niet wil. Arbeid van den morgen tot den avond, eenvoud in spijs

en drank, in kleeding, dat wenscht de Heer. En laat ons vooral geen

ijdele woorden spreken. In een gesprek, dat niet over goddelijke dingen

loopt, is de duivel. Overal loert hij in het verborgene, om ons te

verleiden. Het is dus noodig, de hand van den verlosser vast te houden.

Daarom ook geen wereldsche boeken. Wij hebben genoeg aan Gods woord.

Maar Enok kan niet altijd op Tabor zijn. De spanning neemt soms af, en

dan gevoelt hij zich van God verlaten. Daar komt bij, dat het zoo

moeilijk is, de kinderen te leeren, hoe zalig het is, bij God te zijn.

Zij zoeken deze wereld en willen van den verlosser niet weten. Vooral de

oudste jongen, Gunnar, neemt iedere mogelijke gelegenheid te baat, om

aan de prediking van het woord te ontkomen. Geweld is dus noodig. De

schrift zegt: "Dwingt ze, om in te gaan," Maar het geweld heeft slechts

deze uitwerking, dat het de kinderen van den vader, ten slotte ook de

vrouw van den man vervreemdt. Enok begint te twijfelen,--niet aan Gods

woord, maar aan Gods genade. Hij, Enok, is uit de genade gevallen, hij

heeft de zonde tegen den Heiligen Geest bedreven. Hij is verdoemd. Och,

kwam de duivel en voerde hem naar de hel; dan wist hij ten minste, dat

het niet erger kon worden!--De aanvallen van angst en twijfel nemen

toe, in heviger mate, nadat Gunnar het huis heeft verlaten en Enok zich

verwijt, dat hij hem de wereld en het verderf in heeft gezonden. En als

Enok vernomen heeft, dat Gunnar zich met eene vrouw heeft ingelaten en

nu naar Amerika vertrokken is, komt de catastrophe. Enok komt 's avonds

thuis; allen zijn naar bed; hij is alleen,--en toch niet alleen, want

ginds in den hoek zijn twee mannen. Zij naderen hem en doen zoo

wonderlijk; zij grijpen naar hem. Het beste is, dat hij tracht, buiten

te komen. Voorzichtig sluipt hij de deur uit. Maar daar buiten zijn zij

ook, en als hij achter den stal komt, zijn er meer; het is een heele

hoop, en allen strekken zij de hand naar hem uit. Hij vlucht, maar de

troep vervolgt hem; hij komt bij een plas, die hem reeds herhaaldelijk

in verzoeking bracht. Nu ziet hij om; de vreemde mannen zijn vlak bij

hem; één onder hen, een heel groote, heeft horens! Enok doet een sprong,

en zinkt in de diepte. Hij kwam niet meer boven. "De zuidenwind streek

over het water met zijn zachte suizing. En het klotste en golfde, zacht

en stil; klotste, golfde ... klotste, golfde...."

Het Christendom van Enok Haave voert ten ondergang. Maar bij dit

resultaat blijft Garborg niet staan. Wat is de oorzaak, zoo vraagt hij.

dat de strijd des geloofs, die zoo dikwijls de beste strijd genoemd

wordt, Enok Haave tot een nederlaag voert? Garborg laat ons niet in

onzekerheid. Indien er één ding is, waarop hij telkens terugkomt, dan is

het dit. In zijne Knudaheibrev zegt hij o.a. (p. 118): "Het was het

Christendom, dat de schuld kreeg. Maar de schuld had zeker minder het

Christendom dan het Christiaandom, of de kerkleer uit den tijd van

Christiaan den zesden. Deze was het, die nu in Jæderen de macht gekregen

had." Deze leer vervulde de menschen met dogmatiek en angst voor de hel,

maar gaf hun geen levend geloof.

Wat naar zijn meening het ware Christendom is, leert hij behalve in

tallooze uitspraken in een reeks kunstwerken, die op _Fred_ volgen. Twee

daarvan sluiten onmiddellijk bij _Fred_ aan. Zij verhalen de

geschiedenis van het volgend geslacht. Twee zoons van Enok Haave, Gunnar

en zijn jongere broeder Paulus, strijden op hun beurt den strijd, dien

hun vader niet tot een goed einde kon brengen. Maar met een ongelijk

gevolg. In beiden is veel van Garborg zelf.

_Læraren_ (De Leeraar) is een tooneelstuk van machtige werking. Dit

drama herinnert meer dan eenig ander aan Ibsen's 'Vijand des Volks'. In

beide staat één man tegenover allen en overwint zijn tegenstanders

zedelijk en verstandelijk, maar wordt uitgestooten, omdat hij de

waarheid zegt. In beide is dezelfde frischheid en moed, de vroolijkheid

van den man, die zich sterk voelt in zijn toewijding aan een ideaal,

dezelfde superioriteit, de ronduitheid, waarmede slagen uitgedeeld

worden, dat de veeren vliegen. Maar het onderwerp van discussie is een

ander; bij Ibsen draait het om eenvoudige redelijkheid en waarheidszin,

bij Garborg om een leven in overeenstemming met de leer. Paulus Haave

behoort tot de 'gewekten', de piëtisten, die bidstonden houden, die

klagen over de zonde, en wier taal de tale Kanaäns is. Hij is zelfs hun

voorganger. Tot het voor hem opgaat, dat niet dit religie is, en hij op

een avond zijn gespannen auditorium verrast met eene preek, waarvan de

quintessens is, dat het niet aankomt op een dagelijksch berouw, telkens

gevolgd door nieuwe zonde, maar op een nieuw leven, op een verloochenen

van zich zelf. "Verkoopt, wat gij hebt," leert hij, "en geeft het den

armen." Die preek is zóó frisch en zóó geestig, dat het moeite kost, er

niet een groot stuk van mee te deelen. Ik geef hier alleen het slot.

"Kun je niet? Ik antwoord je in Jezus' naam: je wil niet! Altijd, als

wij niet willen, vinden wij uit, dat wij niet kunnen. En met die leugen

hebben wij het Christendom de wereld uitgedicht!--En noemen dan die

leugen zelf ons Christendom! Voorwaar, het zal Tyrus en Sidon

gemakkelijker gaan op den oordeelsdag dan ons.

"Kun je niet, dan wil je niet; en ga dan terug naar de wereld en zoek

daar je troost; want Gods rijk kom je niet binnen! Want de weg is smal

en de poort is eng, die daar binnenvoert; en zij, die binnen willen

komen, moeten met macht naar binnen dringen,--met heel hun heetsten wil.

Spot niet, want dit is ernstiger dan dat wat je vroeger Christendom

noemde! Maar laat je ook niet afschrikken! want dezelfde, die den eisch

stelt, geeft ook de kracht."

Een der toehoorderessen is in verrukking geraakt en gilt: "Zalig is de

schoot, die je droeg, en zijn de borsten, die je zoogden." Er ontstaat

schrik; men staat op. Maar Paulus ziet haar scherp aan en zegt: "Voert

haar naar buiten. Zij is van zich zelf."--Daarmee valt het gordijn van

dit bedrijf.

Wat ons in dit stuk stilistisch vooral treft, is de schitterende

gebruikmaking van bijbeltaal, waardoor deze zwaarwichtige woorden in hun

volle glorie midden in het alledaagsche leven schijnen. Paulus Haave

leeft naar het voorschrift, dat hij in Jezus' naam aan zijn hoorders

gegeven heeft. Hij verkoopt zijn goed en geeft het den armen, en gaat

wonen in een hut op de heide, zijn brood verdienend en anderen helpend

met den arbeid zijner handen. Maar hij geraakt in conflict met die

vrienden van zonde en berouw, die hem een huichelaar noemen, en nu

blijkt het, dat inderdaad de Christenen geen Christen onder zich dulden.

De machthebbers zijn evenmin op hem gesteld; zij vreezen, dat hij de

schare zal verleiden. Ook zijn vrouw verstaat hem niet; zij wordt

verteerd van jalouzie op een der vrouwen, die religieuzen steun bij haar

man zoeken. Als zij in een aanval van zwakheid vergif heeft genomen,

ziet de overheid kans, om hem onschadelijk te maken. Hij wordt voor het

gerecht gebracht. Al volgt er vrijspraak, zoo meent men, dan is het toch

goed, als er een stempel op hem gezet wordt. Maar Paulus is niet meer te

treffen; hij heeft het martelaarschap bereikt.

Een tweede stuk als _Læraren_ is zeker vroeger noch later ten tooneele

gevoerd. De geheele handeling beweegt zich om de vraag, wat het is, een

Christen te zijn. Litteratuur over dat onderwerp bestaat er zeker in

voldoende hoeveelheid, maar de gewone vorm daarvoor is de verhandeling.

Voor Garborg echter is deze vraag een persoonlijke zaak, de meest

persoonlijke van zijn leven, en de drager van zijn denkbeelden wordt in

die mate een man van handeling, dat het drama de eenige vorm is, waarin

hij tot zijn recht kan komen. Het stuk is levendig en vol van een

spanning, die geen oogenblik verslapt; de vlammende taal en de hooge

gedachten houden het ver boven het niveau ook der goede

tooneellitteratuur. Tegelijk is het realistisch. Het ideale is van allen

uiterlijken pronk ontbloot. De maatschappij, waarin _Læraren_ speelt, is

den dichter volkomen bekend; hij laat haar zien in al haar nuances. En

wat men in een stuk van dezen inhoud het minst zou verwachten: ook de

comische scènes behooren tot het schitterendste, wat ooit in het Noorsch

geschreven is. Zij toonen, hoe door en door gezond de dichter is.

Het andere werk, dat direct bij _Fred_ aansluit, is een boekje vol

poëzie en vol wijsheid. _Den burtkomne Faderen_ (De verloren Vader). Het

is het dagboek van Gunnar, den oudsten zoon van Enok Haave, die de

wereld inging, om het leven te genieten, en nu, na zijn illusies

verloren te hebben, oud vóór den tijd, aan zich zelf en aan de

menschheid vertwijfelend, naar zijn geboorteplaats terugkeert, om

eenzaam te sterven. Hier leert hij zijn broer Paulus kennen en vindt in

hem iemand, in wien hij gelooven kan, en door wien hij het geloof wint

in de menschheid en in den verloren vader. Rustig sterft Gunnar; hij

heeft vrede gevonden met het leven--en met den dood.

Bijzonder fijn zijn de nuances van stemming, die de harmonische

oplossing voorbereiden. Reeds de herinneringen, die bij het zien van

bekende plaatsen opkomen, stemmen tot zachtheid. Gunnar houdt zich

gaarne op het kerkhof op; hij zoekt ook het graf van zijn vader. Maar

niemand kan het hem wijzen: "de rechtvaardigen hielden oordeel en

zeiden: hij was niet als een van ons, dat hij zou worden onthouden."

Maar Gunnar voelt zijne nabijheid; hij moet er zijn, want hij heeft hem

iets te zeggen. "Ja, dat hij kwam, zoodat ik hem alles kon zeggen. En

hem zeggen, dat ik alles begrijp. Want ik voel zijn angst; die beeft nu

in mijn eigen boezem. En ik weet, dat hij, die zijn weg gaat, zijn hel

vooruit gehad heeft. "Vaarwel, vader. Rust in vrede, in alle eeuwigheid.

En vergeef. Want nu ben ik ziek en alleen als jij."

Het lijden heeft de stemming verzacht en het vermogen gewekt, om te

begrijpen.

Paulus Haave spreekt met Gunnar en wijst hem den weg tot den verloren

vader. In deze gesprekken is ieder woord als in marmer uitgehouwen.

Parallel met de beide laatstgenoemde geschriften ontstonden twee

dichtwerken, _Haugtussa_, en de voortzetting daarvan _I Helheim_.

Haugtussa, 'Heuveldeern' is een bijnaam, die in het dorp aan een

visionnair meisje gegeven wordt, dat zich somtijds tusschen grafheuvels

ophoudt; de dichter noemt haar Veslemøy, 'het stakkertje'. Het gedicht

vertelt van haar eenzaamheid, haar liefde voor een jongen man, die haar

in den steek laat, van de aanvechtingen, waarmee zij te worstelen

heeft, om dit leed te dragen. Aan het slot valt zij in eene zware ziekte

en ziet aan haar bed haar gestorven zuster staan en met haar eene wijze

vrouw, die als _volva_ (profetes) aangeduid wordt. Dit tweetal zal haar

dingen laten zien, die zij noodig heeft voor haar taak in het leven.

In _I Helheim_ (In de Hel) gaat daarop Veslemøy in haar koortsigen droom

met haar beide begeleidsters op reis. Zij ziet de hel tot in haar

diepsten afgrond en daarop den opgang der zaligen omhoog. Het gedicht

heeft aanknoopingspunten aan middeleeuwsche visionnaire litteratuur,

maar de opvatting der dingen is veel dieper. Alle hellestraffen zijn

behouden en misschien vermeerderd, maar zij hebben alle een

psychologische beteekenis gekregen; de straf is niet uitwendig kwaad,

dat den ongelukkigen wordt toegevoegd, maar pijniging door het geweten.

Daarom luidt dan ook het antwoord op de vraag, of aan deze smart geen

einde komt:

"Een oogenblik in dit vuur

is eeuwigheid zonder einde."

Zoo keert Garborg van zijne theoretische vrijdenkerij stap voor stap

terug tot het Christendom. Maar zijn Christendom van heden is niet dat

van zijne kindsheid. Het is losgemaakt van leerstelligheid; de nadruk

wordt uitsluitend gelegd op de zedelijke persoonlijkheid.

Garborg heeft ook in de volgende jaren eenige werkjes geschreven, die

een voortzetting vormen van de hierboven besprokene. Zij gaan nog

directer op hun doel af; de inkleeding als vertelling wordt opgegeven;

zij dragen bijna geheel het karakter van prediking. Maar als

stilistische kunstwerken en uitingen van Garborg's zieleleven staan zij

zóó hoog, dat zij niet alleen in de stichtelijke litteratuur, maar ook

in de schoone letteren een allereerste plaats innemen. Zij zijn getiteld

_Jesus Messias_ (1906), _Den burtkomne Messias_ (1907), _Heimkomin Son_

(1908).

Een klein citaat moge van het hier uitgesproken oordeel rekenschap

geven. Na in 'De verloren Messias' betoogd te hebben, dat het geloof aan

den duivel in verlichte kringen afneemt, gaat hij aldus voort:

"Met het volk is het erger. In plaats van den ouden, goedmoedigen

katholieken duivel heeft het eindelijk den boozen en geweldigen

protestantschen Satan in de wereld van zijn voorstellingen opgenomen, en

wat erger is, het volk heeft meer en meer dien duivel noodig. Want het

volk ziet, hoe weinig rechtvaardigheid er in de wereld is; en de eenige

troost, dien het heeft, is deze: in de eeuwigheid zal Lazarus het goed

hebben, maar de rijke man zal branden, heeter dan heet, van eeuwigheid

tot eeuwigheid en in eindeloosheid zal hij branden, branden--.

"De ware Messias spreekt uit den vergeten Bijbel nog het woord, dat

macht heeft, de wereld te verlossen: je moet je naaste beminnen,

liefhebben, zooals je je zelf bemint, lief hebt. Komt de wereld ooit zoo

ver, dat zij dit verlosserswoord kan hooren en verstaan?"

Geen modern Noorweegsch schrijver is in die mate als Garborg een

zedelijk opvoeder van zijn volk geweest.

In dit verband noemen wij een paar andere schrijvers in landsmaal, die

in dezelfde periode optreden.

Rasmus Løland (1861-1907), een fijnbegaafd schrijver, autodidact gelijk

zoo velen, door ziekte aangewezen op een huiszittend leven, heeft een

groot aantal korte vertellingen geschreven, meest van droevigen inhoud,

handelend over personen, die in het leven mislukken, maar zachtmoedig en

vol levenswijsheid. Tot zijn allerbeste werken, tevens tot het

allerbeste, wat op dit gebied in Noorwegen verschenen is, behooren zijn

kinderverhalen _Det store Nashorne_ (De groote Neushoorn) en

_Kvitabjörnen_ (De IJsbeer). Een korte levensbeschrijving gaf A. Garborg

aan het begin van den na Løland's dood verschenen bundel _Paa

Skuggesida_ (Aan den Schaduwkant).

Van Jens Tvedt (geb. 1857), Ivar Mortensen (geb. 1857), Per Sivle (±

1905) laat de plaatsruimte mij helaas slechts toe, de namen te noemen.

Van de dramatische dichters uit het einde der eeuw is de meest bekende

en de vruchtbaarste Gunnar Heiberg. Als kunstenaar onderscheidt hij zich

door zijn bij uitstek aesthetisch standpunt. Hij plaatst zich op een

afstand en satyriseert. Een moreelen maatstaf legt hij niet aan. Wanneer

hij iets schijnt te prediken, is het de vrijheid van den hartstocht. In

het gedicht, waarmee hij reeds in 1878 debuteerde, _Menneskets Genesis_,

is de zondeval de eerste daad van vrijheid van den mensch. In zijn

strijd tegen de godheid schiet de mensch soms te kort, maar gelukkig

leeft het geslacht van Kaïn nog.

Heiberg's eerste tooneelstuk _Tante Ulrikke_ (1884) houdt zich bezig met

den politieken strijd van den dag. De dichter is nog niet partijloos;

hij neemt het op voor de radicalen en maakt volgens een bekend recept

den vertegenwoordiger der tegenpartij niet slechts tot een nietswaardig

karakter, maar ook tot een zwak, ijdel man, over wiens invloed men zich

slechts kan verbazen. In zijn volgend stuk, _Kong Midas_ (1890), heeft

Heiberg zich losgemaakt van politieke vooroordeelen, en hier en later

zoekt hij zijne dwazen, waar hij ze vinden kan. In dit geval is het een

waarheidsverkondiger, die met zijn zucht, om zijn licht te laten

schijnen, bijna een groot onheil sticht. Het denkbeeld heeft

verwantschap met _Vildanden_, maar niet alleen het type, ook het stuk is

gansch anders uitgevoerd. Heiberg's werken missen de diepe motiveering

en evenzoo de rijke handeling en de dramatische spanning, die aan

Ibsen's drama's eigen zijn, en ook zijn psychologisch inzicht is gering.

Eer doen zijn karakters zonder ontwikkeling en zijn plat trappen van

eenzelfde motief door alle bedrijven van een stuk aan de komedie der

achttiende eeuw denken, maar hij mist weer den vroolijken schaterlach

van Holberg; hij is scherper en persoonlijker, en soms spaart hij ook

het private leven niet. Maar hij schrijft een voortreffelijken dialoog

en houdt de belangstelling gaande. Op _Kong Midas_ volgden een aantal

andere werken, waarvan wij noemen _Kunstnerne_ (1893), waarin de

tweespalt tusschen kunstenaar en mensch geschilderd wordt, _Det store

Lod_ (1895), _Harald Svans Mor_ (1899). Een gansch ander karakter dragen

een paar tragische stukken, _Balkonen_ (1894) en _Kærlighedens Tragedie_

(1904). Beide drama's schilderen de liefde als een macht, die alles

verwoest, leven, eer, deugd, verantwoordelijkheidsgevoel. De inhoud van

de beide stukken is kort; de handeling heeft geen andere motiveering dan

de onweerstaanbaarheid van den hartstocht. Een enkel woord kan hem

wekken, en de catastrophe is aanwezig. Een sensueele razernij maakt zich

van den mensch meester, en het is met zijn wil gedaan. De; schildering

is knap, de lezer huivert,--maar hij wenscht van zulk een liefde

verschoond te blijven.

Onder de schrijvers, die in deze periode voor het eerst optreden, maar

wier productie voor het grootste deel na 1900 valt, heeft zeker niemand

meer naam gemaakt, en dat met recht, dan Knut Hamsun. Een krachtige

geest van groote subjectiviteit, die van zijn eerste optreden af een

stijl heeft, die hem alleen eigen is, vol geest en pit, bijna te

overladen, en die door voortgezette studie en zelfopvoeding het tot

klassieke schoonheid brengt. Aan zijn werken kan men moeilijk zien, dat

hun begin ligt in de periode van het vertwijfelde pessimisme. En toch,

indien hij een zwakkeling geweest was, dan had hij ook licht in

pessimisme kunnen vervallen. Er waren althans twee dingen, die hem

daartoe hadden kunnen brengen: hij heeft armoede gekend, en hij is van

nature stemmingsmensch. Maar hij bezit andere eigenschappen, die hem

behoed hebben,--een ijzeren wil en een onbescheiden blikken afwerenden

trots. Groote armoede kan een zware druk zijn, maar het is toch een

druk, die van buiten komt. Den sterke daagt zij tot verzet uit en wekt

zoodoende de sluimerende kracht. Hamsun is begonnen met de tanden op

elkaar te zetten en te vroolijker te worden, naarmate hij het

moeilijker had. Hij zwelgt dan in galgenhumor en paradoxen, maar niemand

moet het wagen, een woord van medelijden te spreken, of hij kan een niet

zeer vriendelijk 'wat belieft u?' toegesnauwd krijgen.

De hier beschreven stemming is die van vele van Hamsun's helden, hetzij

nu de nood van stoffelijken of van anderen aard is. In _Sult_ is het

honger, in _Pan_ is het liefde; in beide gevallen doorstaat hij de

heftigste kwellingen, maar hij handhaaft zijn karakter. In _Mysterier_

hebben wij slechts met een zonderling te doen, die in een vlaag van

waanzin een einde aan zijn leven maakt. Men kan in dit geval de wereld,

die van den heer Nagel--zoo heet de man--niet weten wil, nauwelijks

ongelijk geven, maar als studie over hetzelfde type, dat in zoo vele van

Hamsun's romans terugkeert, en waarin wij tot op zekere hoogte een

zelfportret moeten erkennen, is ook dit boek interessant. En tevens als

een eerste poging, om tegenover zijn subjectieven held een geheele

maatschappij te plaatsen. Een maatschappelijke schildering van zijn hand

bestond reeds in _Fra det moderne Amerikas Aandsliv_, een persifflage,

naar den vorm verhandeling, naar den geest geheel kunstwerk, niet

objectief, maar schuimend van geestigheid. Gelijk hier de maatschappij,

zoo is in _Sult_ het 'ik' aanwezig. _Mysterier_ is de eerste poging, om

die twee tegenover elkander te plaatsen. Daarop volgen een paar

voortreffelijke maatschappelijke romans, _Redaktør Lynge_, waarin de

verderfelijke invloed eener machtige en tegelijk oneerlijke dagbladpers

behandeld wordt, en _Ny Jord_, die een troep ijdele kunstenaars,

voornamelijk schrijvers, in tegenstelling plaatst met eenvoudige

kooplieden, die hun dagelijkschen plicht doen. Het is het Bohême-leven,

van zijne keerzijde gezien. In beide boeken treedt Hamsun's capricieus,

onmaatschappelijk 'ik'-type onder verschillenden naam als een

achtergrondsfiguur op, schuw en geminacht, maar nu en dan plotseling een

niet verwachte geestelijke meerderheid toonend. Tot hoofdpersoon wordt

hij weer in _Pan_, dan in het drietal samenbehoorende tooneelstukken

_Ved Rigets Port, Livets Spil_ en _Aftenrøde_ en in het wonderlijke

gedicht in dramatischen vorm _Munken Vendt_ (1902). In latere werken

komen nog bij herhaling figuren voor, die aan het type herinneren, maar

zij domineeren zelden meer. Een der interessantste is telegrafist

Bardsen in _Børn af Tiden_ en in _Segelfoss By_, een aristocratisch

voelend en onafhankelijk man, maar te gelijk een dronkaard en

onbetrouwbaar in geldzaken, die met volkomen kalmte zijn ondergang,

waaraan hij zelf schuld is, te gemoet gaat. In de plaats van dit type,

dat wel zijn oorsprong heeft in eene zijde van Hamsun's karakter, maar

toch reeds van den beginne af niet alles bevatte, wat in den schrijver

steekt, en bovendien op den duur sterk gevarieerd is en tot een

litterair type wordt, treedt in enkele jongere romans (_Under

Høststjernen, En Vandrer spiller med Sordin, Den sidste Glæde_) een

nieuwe 'ik'-figuur op, die weer korter bij den dichter staat. Deze

schrijft nu, gelijk in _Sult_, in de eerste persoon. Wij leeren hem nu

kennen op rijper leeftijd. De verandering is groot. De onafhankelijkheid

is gebleven, maar de paradoxist is geworden tot een schalk met een

ironischen, maar tegelijk dankbaren blik op het leven. Hij deelt ons nu

aan de hand van zijn vertellingen zijn levenswijsheid mee. Deze is, dat

een man, die vijftig jaar geworden is, geleerd heeft, een toontje lager

te spreken, niet _alles_ van het leven te wachten, maar het toch met

dank aan te nemen. 'Want het was aardig, te leven'.

In Hamsun's laatste werken verdwijnt de 'ik'-figuur geheel. Des dichters

subjectiviteit bestaat nu nog alleen in den blik, waarmee hij de

wemelende menschenmenigte aanziet. Het is de blik van den liefdevollen

beschouwer, die ziet, hoe dwaas de menschen zijn, maar hun toch zijn

belangstelling niet onthoudt. Zóó is de wereld, vindt hij, en zóó is het

leven, en dat alles is interessant als de boomen, als de vogels, als de

zee. Het zijn beelden uit de enge maatschappij van kleine kustplaatsen.

Drie van deze boeken, _Børn af Tiden, Segelfoss By, Markens Grøde_,

behooren tot zijne allerbeste. Ook binnen deze groep is in den schrijver

nog eene ontwikkeling te zien. In de beide eerstgenoemde werken stelt

hij den ouden tijd tegenover den nieuwen, en de vergelijking valt ten

gunste van den ouden tijd uit. Hamsun heeft sympathie voor menschen, die

weten te bevelen en te gehoorzamen, en die zich zelf kunnen bedwingen.

In de plebeïsche behoefte aan genot, in den eeuwigen honger naar meer

van den arbeider ziet hij teekenen van decadentie. In _Markens Grøde_

echter wordt een nieuwe aristocraat geschilderd, een man zonder

geestelijke ontwikkeling maar met groote arbeidskracht, die het land

bewerkt en zich daardoor opwerkt tot zelfstandigheid, welstand en

aanzien onder de zijnen. Geld bezit hij niet; een som, die hij door

toeval krijgt, wordt door een van zijn kinderen, den eenige, die

mislukt, opgemaakt. Maar hij heeft huis en hof, vee en land, bosch en

weide, en dat alles is het zijne, omdat het het product van zijn vlijt

is. Het boek is eenigszins utopistisch, maar het is eene moderne idylle

vol idealisme. Hamsun's laatste, minder gelukte, roman draagt den titel

_Konerne ved Vandposten_.

Behalve de hierboven reeds genoemde boeken heeft Hamsun nog eenige

andere geschreven, van welke hier niet onvermeld mogen blijven een paar

interessante bundels novellen (in één van deze het uitgelaten vroolijke

stuk _Dronningen af Saba_). En dan het meesterwerk _Livet i Vold_,

uitmuntend door originaliteit en zekerheid van uitvoering.

Jac. B. Bull is, wat zijn leeftijd betreft, een der oudste schrijvers

van dit tijdvak,--hij is in 1853 geboren,--maar hij is betrekkelijk laat

begonnen te schrijven. Een groot deel van zijn producten valt zelfs na

1900, maar een deel van die werken, die vermoedelijk het langst zullen

gelezen worden, zijn tusschen 1890 en 1900 ontstaan. Hij begint met

oppositie tegen sommige theorieën uit het vorige tijdvak, en wel vooral

tegen de erfelijkheidstheorie, zooals die in de litteratuur van die

dagen somtijds optreedt. Hij vindt deze theorie gevaarlijk voor het

verantwoordelijkheidsgevoel, en hij schrijft een tooneelstuk _Uten

Ansvar_ (Zonder Verantwoordelijkheid). Dit stuk trok weinig de aandacht,

maar het is karakteristiek voor de conservatieve gezindheid van den

dichter, die zich ook in zijn latere werken zou openbaren.

Het beste werk heeft Bull geleverd op het gebied van de boerennovelle.

Zijn locaal is het Østerdal, waar hij door geboorte thuis hoort. Sedert

1892 gaf hij een groot aantal schetsen uit deze landstreek, eerst in

kleine bundels: _Skisser, Fra Skog og Fjeld_, e.a. Deze zijn verzameld

onder den titel _Folkelivsbilleder_ (1904). Jongere verzamelingen zijn

_Fjeldfolk, Morosamme Kropper, Jagthistorier_. Tot hetzelfde type

behooren langere vertellingen, die den omvang hebben van kleine romans:

_Fonnaasfolket_ (1902), _Glomdalsbruden, Østerdalskongen_ (een breede

uitwerking van een der Folkelivsbilleder), _Jutulskaret, Knut Veum_

(1910, het laatste).

Een man als Bull is een voorbeeld, hoe onjuist het is, de litteratuur

van een tijdvak met een enkel woord te karakteriseeren. Zoo'n woord is

dikwijls een leus, maar niet allen, die te gelijk leven, hebben dezelfde

leus, en er zijn er ook, die het zonder leus doen, of die in opstand

komen tegen den tijdgeest, of wat zij daarvoor aanzien. Tot dezen

behoort Bull het naast, al laat hij zich na zijn eerste werk niet op

polemiek in. Gelijk hij zich toen verzette tegen de erfelijkheidsleer,

zoo komt hij later op tegen het op den troon zetten der willekeur van

het individu. Voor een schrijver van zulk een aard is een maatschappij,

waarin respect voor traditie bestaat, gelijk onder boeren het geval is,

een natuurlijk onderwerp. Het is ook nauwelijks een toeval, dat juist in

die vertelling uit het Østerdal, bij wier uitgave hij te kennen gaf, dat

het de laatste zou zijn (Knut Veum), de verhouding tusschen individu en

maatschappij ter sprake komt. De hoofdpersoon is een schoolmeester, die

in tamelijk behoeftige omstandigheden leeft. De man is begaafd en heeft

aanleg, om het verder te brengen. Hij wordt daartoe van verschillende

zijden aangespoord, en hem wordt steun beloofd. Maar op de plaats, waar

hij werkzaam is, heeft hij een roeping, en deze is hem meer waard dan

oeconomische en maatschappelijke vooruitgang. Tegenover hem is een

carrière-maker geplaatst, die het tot bisschop brengt. Maar Knut Veum is

niet alleen de beste, maar ook de gelukkigste van de twee. Zoo spreekt

Bull met bewustheid gedachten uit, die niet in de mode zijn, maar daarom

toch ook gedachten van zijn tijd mogen heeten. Ja, in deze scherpte is

zulk een gedachte alleen mogelijk als reactie tegen een mode; in tijden,

wanneer het van zelf spreekt, dat ieder binnen zijn natuurlijken kring

blijft, behoeft dat niet gezegd te worden.

Wat hier van den gedachteninhoud gezegd is, geldt ook van het kunstgenre

en den kunstvorm. De boerenvertelling stamt uit de dagen der romantiek;

hier is zij echter gemoderniseerd. Men behoeft slechts eene vertelling

van Bjørnson en eene van Bull na elkander te lezen, om den afstand te

zien. De analyse in bijzonderheden heeft hij bij de realisten geleerd.

Een andere schrijver van boerennovellen is Hans Aanrud (geb. 1863). Zijn

belangrijkste verzameling bevat niet minder dan 53 korte vertellingen.

Wij kunnen daarop niet ingaan en verwijzen naar het Decembernummer van

De Gids van 1908. Aanrud schreef ook enkele langere verhalen van

gelijken aard: _Sidsel Sidserk_, _Sølve Solfeng_, en een paar jongere

bundels. De aandacht verdienen daarnaast een drietal comedies, _Storken,

Høit Tilhest_ en _Hanen_, die door hun comische kracht aan Holberg

herinneren.

Wij noemen ten slotte nog een paar romanschrijvers, die in deze periode

begonnen zijn, maar in hoofdzaak toch tot een volgend tijdvak behooren,

Thomas P. Krag (geb. 1868), Peter Egge (geb. 1869), Hans E. Kinck (geb.

1865).

Den meesten stemmingsinhoud hebben de boeken van Thomas Krag. Het is een

lyrisch bewogen dichter, die met voorliefde in voortreffelijk proza het

diepere zieleleven schildert. Hij springt niet van den hak op den tak.

Bij herhaling kiest hij als onderwerp het lot van eene familie, zich

openbarende in meer dan ééne generatie. Zijne opvatting der levensvragen

draagt dikwijls een mystiek-religieus karakter. De meest bekende werken

zijner eerste periode zijn: _Jon Græff_ 1891, _Ensomme Mennesker_ 1892,

_Mulm_ 1893, _Kobberslangen_ 1894, _Ada Wilde_ 1896, _Ulf Ran_ 1897,

_Enken_ 1899.

Peter Egge heeft vooral naam gemaakt door vertellingen uit het

volksleven, _Folkelivsskildringer_, waarvan de eerste bundel in 1894

uitkwam. Maar hij schreef ook populaire romans: _Almue_ 1891, _En

Skibsgut_ 1892, _Straf_ 1893, _Gammelholm_ 1899, alsmede comedies:

_Stridsmænd_ 1896, _Jakob og Kristoffer_ 1900. Ook daarna heeft hij

ijverig doorgeschreven, ongeveer een boek jaarlijks; de laatste roman is

van 1921 en draagt den titel _Inde i Fjordene_.

Hans E. Kinck is van deze schrijvers degene, dien men de meeste moeite

heeft, te verstaan. Hij heeft zich van den beginne er op toegelegd, een

origineel woordkunstenaar te zijn. Hij schrijft een zeer eigenaardigen,

veelal abrupten stijl; hij zoekt naar zeldzame woorden en woordvormen,

waaronder vele, die ook in het eigen land maar door weinigen verstaan

worden, hij gebruikt ook dialect, wanneer daartoe aanleiding bestaat.

Ook de gedachtengang beweegt zich veelal in wonderlijke associaties,

zoodat men, ook wanneer men ieder woord verstaan meent te hebben, toch

niet altijd weet, wat de dichter zeggen wil, en zich dikwijls niet

onttrekken kan aan den indruk, dat de duisterheid gewild is, omdat de

dichter zich nu eenmaal heeft voorgenomen, apart te zijn. Dit geeft aan

zijne boeken iets kouds, ofschoon het subjectieve en impressionistische

juist den indruk van warmte moeten wekken. Maar wanneer men de moeite

doet, ze door te worstelen, kan men er veel in vinden; de schrijver

heeft eigen gedachten en spant zich aanhoudend in, om zich te

vernieuwen. In de jaren 1892--1900 gaf hij uit: _Huldren_ 1892, _Ungt

Folk_ 1893, _Flaggermusvinger_ 1895, _Sus_ 1896, _Fra Hav til Hei_ 1897,

_Hugormen_ 1898, _Trækfugle_ 1899. Van zijn latere werken is misschien

het belangrijkste _Den sidste Gæst_ 1910.

Noorwegens Letterkunde in de Negentiende Eeuw · 第 33 / 44 题