Een nieuwe tijd stond voor de deur. Een harde werkelijkheid had de
idylle verstoord, en men begon in te zien, dat het niet alleen in de
practijk, maar ook in de poëzie noodig was, rekening te houden met de
wereld, zooals zij was, niet alleen, zooals men wenschte, dat zij wezen
zou. In Ibsen's productie gedurende de in hoofdstuk II, 3 besproken
periode is reeds te zien, dat iets nieuws in wording is. Er komen nu
invloeden uit vreemde landen bij, in de eerste plaats uit Frankrijk,
waar de gebeurtenissen van 1870 niet minder ontnuchterend gewerkt hadden
dan in het Noorden die van 1864. Hier ontstaat de realistische roman en
begint zijn zegetocht over Europa. Daarnaast doen zich invloeden der
Engelsche philosophie gevoelen (Stuart Mill, Spencer) en veranderen het
geheele wereldbeeld. De alleenheerschappij der orthodoxie is gedaan; de
litteratuur wordt critisch ten opzichte van maatschappij, staat,
godsdienst. In Denemarken doet de nieuwe richting haar intocht in de
epoque makende geschriften van Brandes en in de litteraire
voortbrengselen van een reeks jongere schrijvers als Drachmann, Jacobsen
en anderen, en Noorwegen blijft niet achter. Kenschetsend voor dit land
is het, dat de nieuwe denkbeelden niet uitsluitend door eene jongere
generatie gedragen worden. Het zijn de machtige dichters der vorige
periode, die zich verjongen en wederom vooraangaan; Ibsen en Bjørnson
zijn opnieuw banierdragers. Maar weldra treedt naast hen een groep
romanschrijvers op, die van gelijken geest bezield zijn.
Wanneer men in den hier bedoelden zin van 'realisme' spreekt, dan
beteekent het woord dus niet precies hetzelfde, als wanneer het gebruikt
wordt, om een eigenschap te kennen te geven, die
litteratuurvoortbrengselen uit iedere periode kunnen bezitten en altijd
in meer of minder mate bezitten. Realistisch is een kunstwerk, dat trouw
is aan de werkelijkheid, maar daar litteraire kunstwerken in den regel
afbeeldingen der werkelijkheid zijn, bestaat er altijd een zekere graad
van realisme. Het eigenaardige van de periode, waarover wij nu spreken,
is, dat het begrip tot leus wordt, en dat dus geproclameerd wordt, dat
de bedoeling der kunst afbeelding der werkelijkheid is, en dat dus de
waarde van een kunstwerk gemeten wordt aan den graad, waarin het gelukt
is, dit doel te bereiken. De leus kon trouwens gepaard gaan met andere
leuzen, soms met zulke, die in den diepsten grond met haar in strijd
waren. Een formuleering van den eisch voor een modern kunstwerk, die men
in die dagen dikwijls leest, is, dat het 'problemen onder debat moet
plaatsen'. Sommige dichters hebben dat met groot talent gedaan. Maar wie
debatteert, verdedigt eene opvatting, waarnaast eene andere, die op zich
zelf bestaanbaar is, niet wordt toegelaten. Hij verlaat dus het
standpunt der objectiviteit en wordt tendentieschrijver. Vele schrijvers
van die dagen zijn tendentieschrijvers. Hun realisme bestaat dan hierin,
dat zij den indruk willen wekken, de realiteit te geven, zooals zij is.
Inderdaad geven zij haar, zooals zij haar zien,--en dat hebben alle
dichters van alle tijden gedaan. Van het bewustzijn uit, dat er toch
altijd nog een verschil bestaat tusschen het kunstwerk en de zaak, die
voorgesteld wordt, ziet men dan theorie en practijk zich in twee
richtingen ontwikkelen. Òf men gaat den eisch van het realisme steeds
strenger stellen en tracht door veelheid van details de werkelijkheid
nabij te komen,--het zoogenaamde naturalisme,--òf men laat het realisme
als theorie varen en behoudt slechts de techniek er van als kunstmiddel,
dat den kunstenaar, die zich weer souverein maakt, ten dienste staat.
Wij zullen voorbeelden voor het eene en voor het andere ontmoeten.
Geheel onvoorbereid treedt het realisme in deze dagen in Noorwegen niet
op. Onder de oudere schrijvers was er een, en wel een vrouw, die haar
aandacht aan eene bepaalde zijde van het maatschappelijk leven gewijd
had, namelijk aan de positie der vrouw. Dat is Camilla Collett. In 1813
is zij geboren, in 1895 stierf zij. Zij heeft dus het litteraire leven
van bijna de geheele eeuw meegemaakt. Maar pas op rijperen leeftijd is
zij begonnen te schrijven. Haar eerste groote, tevens haar belangrijkste
boek is van 1855; het valt midden in de periode der romantiek.
Camilla Collett was eene zuster van Henrik Wergeland, slechts weinige
jaren jonger dan hij. Toch behoort zij als schrijfster geheel tot een
anderen tijd. Toen zij begon, was hij reeds gestorven. Ook haar
geestesrichting was een andere dan die van haar broeder. Zij is de
ontwikkelde dame uit de beschaafde kringen van die dagen. Zij gevoelt
zich niet aangetrokken tot het wilde leven der patriotten van den tijd,
waartoe haar broeder behoorde; zij heeft meer sympathie voor de andere
clique. Hiermee hangt de reeds vroeger genoemde vriendschap voor
Welhaven samen. In 1841 trouwde zij met P.J. Collett, toen lector in
rechtswetenschap, die in de vroegere twisten tot Wergeland's
tegenstanders had behoord. Niettegenstaande den afstand in
levensopvatting, die haar van haar broeder verwijderde, heeft zij
sympathieke karakterschilderingen van hem gegeven.
Op raad van haar man begon zij te schrijven, feuilletons in een dagblad
(den Constitutionelle), en in denzelfden tijd ontstonden enkele korte
vertellingen, die later uitgegeven zijn. Na den dood van haar man in
1851 maakt zij ernst met het schrijvershandwerk, en dan verschijnt in
1855 haar hoofdwerk _Amtmandens Døtre_, het eerste der talrijke Noorsche
boeken, die aan de vrouwenzaak gewijd zijn. Behalve deze
maatschappelijke beteekenis heeft deze roman waarde voor de
litteratuurgeschiedenis als het beste prozawerk uit die dagen. Met
tusschenpoozen heeft Camilla Collett daarna uitgegeven: _Fortællinger_
(1861), _I de lange Nætter, Sidste Blade_ (3 verzamelingen 1868-73),
_Fra de stummes Leir_ (1878), _Mod Strømmen_ (1879). Op den duur neemt
zij een steeds meer naar het uiterste gaand standpunt in; terwijl haar
eerste roman opkwam voor de liefde--in plaats van conventie--als
grondslag voor het huwelijk, maar overigens tegen de bestaande
verhouding tusschen man en vrouw niets heeft in te brengen en op den
voorgrond stelt, dat de man de natuurlijke steun der vrouw is, komt de
schrijfster later steeds meer voor de rechten der 'onderdrukte' vrouw op
en laat de mannen heel wat harde woorden hooren. Soms gaat haar polemiek
in het potsierlijke; mannen als Goethe en Byron vinden weinig genade in
haar oogen.
Camilla Collett heeft het voorrecht gehad, populair te worden; haar boek
_Mod Strømmen_ (Tegen den Stroom) mocht eerder _Med Strømmen_ heeten;
toen zij het schreef, was het modezaak geworden, te vinden, dat de
vrouwen verdrukt werden, en zoo deden toen alle schrijvers, die voor
modern wilden doorgaan.
Camilla Collett is in zooverre een voorloopster der beweging van 1870,
als zij haar stof ontleent aan het dagelijksch leven, en over 'een
probleem debatteert'.
Aan schilderingen der werkelijkheid bestonden daarnaast de beelden uit
het volksleven, die uit eene zijde der romantiek waren voortgekomen, de
werken van Asbjørnsen, Østgaard en enkele anderen. Voorts een deel van
Vinje's geschriften en Bjørnson's boerennovellen, die echter weinig
realistisch waren. Nu zou het anders worden.
Bij Ibsen openbaart zich het nieuwe realisme niet als eene richting van
den tijd, waarbij hij zich aansluit, maar als eene consequentie van zijn
eigen ontwikkeling. Ibsen was van nature tegelijk idealist en realist.
Hij had een hoog denkbeeld van de mogelijkheden, die in den mensch zijn,
en hij had de neiging, om de realiseering dier mogelijkheden als
zedelijken eisch te stellen. Dit houdt hij vol, ook in zijn
'realistische' drama's. Hij was te gelijk een groot menschenkenner en
bezat het vermogen, menschen natuurlijk te laten spreken en handelen,
zoodat wij meenen, hen te kennen. Dit deed hij reeds in zijne oudere
werken. Kritiek op de maatschappij--een der hoofdpunten van het jonge
programma--komt bij hem reeds in 1862 voor in _Kærlighedens Komedie._
Toch is er ook bij hem een groote afstand tusschen vroeger en later.
Deze bestaat hierin, dat hij dieper studie maakt en precieser beelden
geeft van het leven van zijn eigen tijd, en dat de tegenstellingen tot
uiting komen in de werkelijk bestaande conflicten van het
maatschappelijk leven. In _Kærlighedens Komedie_ is het nog een
bijzonder menschenpaar, dat in naam van een idee strijd voert tegen de
maatschappelijke orde, zooals die zich voordoet. Maar feitelijk zijn
Falk en Svanhild een utopie. In _En Folkefiende_ daarentegen is de held
een dokter, die slechts gewone redelijkheid en eerlijkheid wil,--wat
alle anderen ook zeggen te willen,--en die met zijn omgeving in strijd
raakt, omdat hetgeen bij hem waarheid is, bij de overigen alleen phrase
is, die niet verder reikt dan het eigen belang. Door deze toespitsing
van het conflict op iets, dat werkelijk gebeuren kan, wordt het beeld
der maatschappij concreter. In overeenstemming met deze behandeling is
het, wanneer thans in plaats der verzen, die voor lyrische
stemmingsuiting het meest geschikt zijn, de taal van het dagelijksch
leven, het proza, gekozen wordt, en dat de personen meer
geïndividualiseerd zijn dan vroeger. Ieder spreekt zijn eigen taal, en
deze toont het karakter van den spreker, zoodat men hem dikwijls aan een
enkele repliek kent.
Het oudste van Ibsen's 'Nutidsdramer' is _De Unges Forbund_ van 1869.
Het is het eenige blijspel, dat hij geschreven heeft. De afstand van het
vaderland en de tijd hebben de hooge golven der verontwaardiging, die
hem na 1864 bezielde, doen bedaren; de dichter beziet nu uit de verte
het inwendige politieke leven van zijn vaderland, dat in de groote
politiek zijn roeping verzaakt had, en dit leven komt hem klein en
kinderlijk voor. Vooral het radicalisme dier dagen, met zijn nationale
en democratische snoeverij, moet het ontgelden. In Stensgaard herleeft
de phrasenheld Peer Gynt, maar ditmaal draagt hij een meer bepaalde
physionomie; hij behoort nu tot een ondertype; hij is een politicus van
twijfelachtig gehalte. De taal, waarmee hij een tot oordeelen onbevoegde
menigte opwindt, is het politiek jargon van de volksvergaderingen dier
dagen. Het beste bewijs voor de juistheid van het beeld geeft de
verontwaardiging van Bjørnson over het stuk; het waren zijn eigen
phrases en zijn naïef zelfvertrouwen, die hier op het tooneel werden
gebracht. Ibsen heeft zeker niet geloofd, dat Bjørnson niet eerlijk
was. Maar aan zijn politiek geschetter heeft hij zich geërgerd[17]. En
hij heeft aan dezen meest in het oog loopenden vertegenwoordiger van
eene bepaalde soort demagogie zekere trekken ontleend[18].
Tegenover den sluwen phrasenmaker Stensgaard en zijn aanhang, vooral
vertegenwoordigd door een uit de heffe des volks opgekomen speculant,
staat eene aristocratie, die wel eerbaar is, maar achterlijk, die den
samenhang met den nieuwen tijd verloren heeft. De dichter verwacht heil
van een hervorming van dezen stand. Eerlijkheid en eerbaarheid moeten
een bondgenootschap aangaan met de jeugd en nieuwe gedachten opnemen;
tegen dit verbond--het ware verbond der jongeren.--is de vooze demagogie
niet bestand.
Men heeft Ibsen verweten, dat hij in _De Unges Forbund_ zich tegen 'de
partij van den vooruitgang' heeft gekant. Zoo redeneert bij voorbeeld
Vetle Vislie in zijn boek over Vinje. Ibsen zou in dit stuk de
woordvoerder zijn voor den teruggang; gelukkig zou hij later zich van
dien weg hebben bekeerd. Een kortzichtiger oordeel is niet mogelijk.
Geen ding toont misschien duidelijker dan _De Unges Forbund_, hoe ver de
dichter er vandaan was, zich tot trompet van een partij te maken. Het
komt voor hem in het geheel niet op eene partij aan, maar op waarheid en
heelheid der persoonlijkheid. En dat na de ervaringen van 1864 het juist
de luidruchtigste partij was, wier doopceel hij het eerst lichtte, is
volkomen begrijpelijk. Het is karakteristiek, dat hij toen nog beter
verwachtingen had van de oude aristocratie--mits deze zich vernieuwde.
Later zou hij ook over deze een ander oordeel vellen en de meening
uitspreken, dat de waarheid alleen gediend wordt door de weinigen, die
hun tijd vooruit zijn en tot geen partij behooren.
Tusschen _De Unges Forbund_ en _Samfundets Støtter_ liggen acht jaar
(1869-77). In dien tijd was Ibsen voornamelijk bezig met _Kejser og
Galilæer_, waarover naar aanleiding van de historische drama's gesproken
is.
Met _Samfundets Støtter_ (1877) begint een ononderbroken reeks moderne
drama's. Weldra volgen _Et Dukkehjem_ (1879), _Gengangere_(1881), _En
Folkefiende_ (1882), _Vildanden_ (1884). In al deze stukken wordt de
werkelijkheid getoetst aan een zedelijk ideaal, en in den regel treedt
ook een vertegenwoordiger daarvan op. Inzoover vormen deze stukken een
samenhangende groep. Wat de stemming van den dichter betreft, vormen zij
een climax naar het bittere. Uit de verzoenende stemming, die hij na
jaren bereikt had, gaat hij stap voor stap weer over tot het diepste
pessimisme.
In _Samfundets Støtter_ geldt de kritiek den zedelijkheidstoestand in
een kleine Noorweegsche stad. Verschillende zijden van het private en
het publieke leven worden aangeroerd, en de conclusie is, dat men zich
wel is waar voor beter houdt dan anderen, maar dat het eenige verschil
tusschen deze maatschappij en die in groote landen is, dat men hier meer
verbergt. Konsul Bernick heeft in zijn jeugd fouten begaan; een vriend
heeft de schuld op zich genomen en is toen naar Amerika uitgeweken;
Bernick heeft toen den naam van dien vriend gebruikt, om zich ook uit
andere moeilijkheden te redden. Nu keert de vriend na jaren terug en
dreigt, hem te ontmaskeren, en Bernick ontziet zich niet, een
onzeevaardig schip de zee in te sturen, in de hoop, dat de bewijzen
tegen hem, die zijn vriend in handen heeft, met dat schip zullen
vergaan. Tegenover Bernick staat eene vrouw, die hem in zijn jeugd heeft
liefgehad, die insgelijks naar Amerika reisde, en die nu terugkeert, om
Bernick's geweten wakker te schudden. Zóó groot is het geloof van den
dichter, dat hij dit experiment laat gelukken. Lona overwint, zij het
ook met hulp van een schrik, die Bernick op het lijf valt, als het
blijkt, dat ook zijn zoon zich op het slechte schip bevindt. Het schip
wordt echter bijtijds teruggeroepen, en de blijdschap daarover werkt
Bernick's bekeering uit. Voor eene menigte, die komt, om hem te
huldigen, bekent hij zijn misstappen, en hij huldigt de vrouw als den
waren steunpilaar der maatschappij. Lona brengt deze hulde over op de
geesten van waarheid en vrijheid.
Het drama toont duidelijk, hoezeer Ibsen, ofschoon als kunstenaar
realist, toch ook nu nog als van ouds ideeëndichter is. De gedachte is
zoo algemeen mogelijk; "de geest van waarheid en vrijheid",--abstracter
kan het al niet. Deze geest groeit in de groote maatschappij en wordt
van daar naar een bekrompen uithoek der samenleving gebracht, waar men
bezig was, moreel onder te gaan in leugen en zelftevredenheid. Die geest
wordt gebracht door een vrouw. Ook dit is bij Ibsen niet nieuw. Hij had
een hoog denkbeeld van de offervaardigheid der vrouw, die samenhangt met
haar onmiddellijkheid, en hij meende, dat zij in eene omgeving, waar
ieder aan alle zijden door égards gebonden was, gemakkelijker haar
onafhankelijkheid kon bewaren dan de man. Het type van de trouwe vrouw,
die alleen naar de stem van haar hart luistert en zich aan geen enkele
consideratie stoort, stamt uit zijne romantische periode, en het keert
tot in zijn laatste stukken terug. Voorgangsters van Lona Wessel in
dezen zin zijn reeds Aurelia in _Catilina_, later Solvejg in _Peer
Gynt_. En Ella Renthejm in _John Gabriel Borkman_ behoort tot dezelfde
categorie.
Het kan daarom niet verwonderen, dat waar Ibsen van algemeene
maatschappelijke moraal tot de behandeling van een meer speciaal
onderwerp overgaat, hij in de eerste plaats denkt aan de vrouwenzaak,
die zich bovendien juist in algemeene belangstelling verheugde. _Et
Dukkehjem_ is een tragedie van eene vrouw, die een hooggespannen
opvatting heeft omtrent de liefde van haar man, maar wier verwachting
teleurgesteld wordt, en die nu haar man verlaat, waar de werkelijkheid
niet aan de illusie beantwoordt. Modern is de dichter ook hierin, dat
noch de heiligheid van den huwelijksband, noch ook de banden, die de
moeder aan de kinderen binden, de macht hebben, om haar van dien stap
terug te houden.
In _Gengangere_ is de toon scherper. Men kan zien, dat de dichter weer
met zijn omgeving in strijd geraakt is. De onvriendelijke ontvangst, die
aan _Et Dukkehjem_ ten deel viel, wordt beantwoord door een scherper
stellen van het probleem. De vrouw, die in een onwaardig huwelijk
leefde en het niet verbroken heeft, maakt zich daarvan een verwijt, en
zij eindigt, met zelf het leven van de ongelukkige vrucht van haar
huwelijk uit te blusschen.
Nieuwe uitingen van zedelijke verontwaardiging in de pers drijven den
dichter tot zijn prachtigen aanval op de publieke opinie en de
courantenpers als leidster van deze. Er is geen stuk van Ibsen, waarin
zich zulk een frissche strijdlust openbaart als _En Folkefiende_. De
ontembare moed en het zelfbewustzijn, waarmee de dichter hier den strijd
aanvaardt, brengen ons nog heden in verrukking als voor veertig jaar.
Van Brand's idealisme heeft hij niets opgegeven. Maar Stockman is
menschelijker dan Brand. Niet voor een abstracte gedachte treedt hij op,
maar voor de eenvoudige plichtsvervulling, die men van een man
verwachten mag. Dokter Stockman heeft bemerkt, dat het water der
badplaats, waaraan hij werkzaam is, vergiftigd is. Hij juicht, dat hij
de oorzaak der ziektegevallen, die voorgekomen zijn, heeft gevonden,
maar alle partijen, conservatief en radicaal,--anders elkanders gezworen
vijanden,--vereenigen zich tegen den man, die de waarheid wil zeggen.
Want wanneer deze bekend werd, zou dat den oeconomischen ondergang van
de badplaats ten gevolge hebben. De autoriteiten der stad en de
oppositiepers werken broederlijk samen, om Stockman onmogelijk te
maken, en een volksvergadering verklaart hem met algemeene stemmen met
uitzondering van die van een dronken man tot een vijand van het volk.
Maar Stockman verliest zijn goede humeur niet; immers, hij heeft een
nieuwe ontdekking gedaan, en wel deze, dat de sterkste man ter wereld
hij is, die het meest alleen staat.
De drager der ideale gedachte is hier de dichter zelf. Gelijk Stockman
zal hij den strijd voortzetten. Maar de figuur is geen zelfportret, en
evenmin eene abstractie. Het is een levend mensch, zóó waar geteekend,
als men dien in een modern tooneelstuk verlangen kan. Maar indien al het
karakter trekken van Ibsen heeft, niet zoo zijn wijze van optreden in
het openbaar. Die Stockman, die in de volksvergadering tegenover de
menigte staat, is niet de schuwe dichter, die zich van de aanraking met
het plebs terughoudt, maar zijn rivaal Bjørnson. Den zedelijken moed
hadden beiden, de gedachten zijn van Ibsen, de klinkende stem in de
vergaderzaal is die van Bjørnson. Ibsen heeft, zooals G. Gran het
uitdrukt, aan Stockman Bjørnson's stem gegeven. Ook de overige personen
zijn scherper getypeerd dan in eenig vroeger stuk. Peter, de
kleinzielige bureaucraat, Hovsted, de intrigeerende redacteur, Billing,
de verslagenschrijver, die Hovsted's woorden als een echo napraat, en
wiens originaliteit hierin bestaat, dat hij er een 'gud døde mig' aan
toevoegt, Aslaksen, de drukker en huisjesmelker, de kleine burgerman, in
wiens hoofd alleen plaats is voor de vraag, waar de kleine luiden van
zullen leven, maar ook Stockman's moedige dochter Petra, die het nobele
karakter van haar vader heeft en Hovsted's leugenachtigheid doorziet,
Katrine, de bezorgde huismoeder, die bang is voor den dreigenden nood,
als Stockman zal worden afgezet, maar op het kritieke oogenblik weet,
welke keuze zij moet doen, en den vijand 'een oud wijf zal laten zien,
dat voor een keer een man kan zijn'. Al deze figuren dragen het stempel
der echtheid.
En dan komt _Vildanden_ (De wilde Eend), het mismoedigste stuk, dat
Ibsen geschreven heeft. Het ziet er uit, of hij het geloof in den mensch
geheel verloren heeft. Ook hier treedt, in Gregers Werle, een predikant
van een hooger levensopvatting op, maar de man is niet meer een ideale
figuur, maar een ideoloog, die met zijn predicaties, te pas gebracht,
waar zij niet verstaan kunnen worden, slechts bereikt, dat de vrede van
een gezin verstoord en een onschuldig kind tot zelfmoord gedreven wordt.
De waarheid wordt in den mond gelegd van den cynicus Relling, die zegt:
"mijn beste mijnheer Werle junior, gebruik niet het vreemde woord
idealen; wij hebben het goede Noorsche woord leugens," en die
verklaart: "neem je een doorsnee-mensch zijn levensleugen af, dan neem
je hem te gelijk het geluk af." En eindelijk: "Och, het leven kon goed
genoeg zijn, als wij maar vrij mochten zijn van die lummels, die ons
arme lui de deur plat loopen met den idealen eisch." Bittere ervaringen
moet de dichter van _Brand_ gehad hebben, voor hij zóó iets schrijven
kon. Men wordt herinnerd aan zijn verzen: "At digte er at holde dommedag
over sig selv" (dichten is oordeelsdag over zich zelf houden). Preeken
helpt niet; de poëet, die zijn leven lang gepreekt heeft, wordt in
Gregers Werle tot den onpractischen dwaas, die maar blij moet zijn, dat
hij de dertiende man aan tafel is.
En toch--het bloed kruipt, waar het niet gaan kan. Ibsen's geloof
verzaakt zich niet. Opnieuw heeft hij waarheid en toewijding gevonden en
geïncarneerd, maar ditmaal niet in eene heldenfiguur, noch in eene
vrouw, die zit te wachten op het wonder,--dat een ander verrichten
zal,--maar in een kind, dat zich in haar eenvoud niet bewust is, hoe
edel zij voelt. In smart over den twijfel van haar vader, om hem het
bewijs te geven van haar liefde, waaraan hij een ongegronden twijfel
heeft uitgesproken, geeft Hedwig zich zelf den dood. Zóó staat ook in
_De wilde Eend_ een ideale figuur, die aan één zaak alles offert,
tegenover een wereld van menschen, wier hooger leven in phrases is
ondergegaan. Maar er is een verschil bij vroeger. Voor het eerst stapt
hier het idealisme van zijn piedestal af en treedt niet op als eischer
maar als levende kracht in een onbedorven gemoed. Het openbaart zich als
offervaardigheid zonder pretentie. En daarmee is de mogelijkheid, om aan
den mensch te gelooven, weer geopend. In de massa verdwijnt het ideaal;
in den enkelen mensch kan het leven, en het leeft overal, waar heele
gevoelens aanwezig zijn. Zoo wordt uit de wanhoop van _Vildanden_ het
geloof opnieuw geboren. En zoo is het begrijpelijk, dat Ibsen's volgend
drama handelt over de mogelijkheid van den mensch, om geadeld te worden.
Voor Ibsen is het realisme een kunstvorm geweest, dien hij beter
behandelde dan één zijner tijdgenooten. Nergens ontmoet men zóó levende
personen als bij hem. Maar nooit is het voor hem een theorie geweest.
Als dichter was hij zich zelf, niet een man van een school. Waar hij
naar het leven teekende, deed hij dat niet, omdat dat op het oogenblik
mode was, maar omdat hij de menschen zóó zag. En wat de
'problemenpoëzie' betreft, Ibsen heeft maatschappelijke problemen
behandeld, omdat en voorzoover zij hem belang inboezemden. Maar altijd
is zijn poëzie gedragen geweest door eene hoogere gedachte, en daarom
zullen zijne tooneelstukken gelezen worden, wanneer de litteratuur van
den dag zal vergeten zijn. De maatschappij en de menschen zijn
toevallig; het menschelijke is blijvend. In Ibsen's toevallige menschen
reflecteert zich het menschelijke.
In dezelfde periode ging Bjørnson over tot de behandeling van
maatschappelijke vragen in realistische kunstwerken. Wat ons bij het
lezen van deze boeken onmiddellijk treft, is, dat zij voor het
meerendeel een sterk propagandistisch karakter dragen. Daardoor hebben
zij in den strijd van den dag een zeer groote rol gespeeld. Maar
daardoor verliezen zij ook aan blijvende waarde. Bjørnson was als
kunstenaar gelijk in andere opzichten een zeer veelzijdig man, maar hij
ontging niet aan de oppervlakkigheid, die dikwijls met veelzijdigheid
gepaard gaat, en het gemak en de snelheid, waarmee hij werkte, zijn aan
zijne kunst niet uitsluitend ten goede gekomen. Voor Noorwegen heeft hij
veel beteekend; langen tijd was hij de meest populaire man van het land,
en voor vele zaken heeft hij geijverd, daaronder voor Noorweegsche
levensbelangen. De onafhankelijkheid van het land heeft in hem altijd
een voorvechter gevonden. Als dichter heeft hij tooneelstukken,
novellen, romans, gedichten geschreven, maar niet minder uitgebreid is
zijne werkzaamheid geweest als dagbladredacteur, als spreker in
volksvergaderingen, als theaterregisseur. Hij had eene ongelooflijke
werkkracht. Maar vraagt men, welke beteekenis zijne werken voor de
wereldlitteratuur hebben, dan valt er van dat alles heel wat af. Een
eigen blik op de levensvragen kan men niet zeggen, dat Bjørnson gehad
heeft. In tegenstelling met zijn grooten tijdgenoot, die elke vraag, die
hem bezig houdt, doorgrondt en in een nieuw licht plaatst, stelt
Bjørnson er zich mee tevreden, meeningen, die voor hèm nieuw zijn, te
populariseeren. Niet het doorgronden der problemen, maar de algemeene
verbreiding van gegeven opinies is zijn doel, en daaraan maakt hij ook
zijn kunst ondergeschikt.
Een voorlooper van Bjørnson's 'nutidsdramer' is _De Nygifte_ (De
pas-getrouwden) (1865), een tamelijk onbeduidend stukje, dat echter
levendige scènes bevat en nog wel gespeeld wordt. De groote stroom
begint in 1875 en zet zich tot zijn dood voort. Hiertoe behooren:
_Redaktøren_ en _En Fallit_ (1875), _Kongen_ (1877), _Leonarda_ (1879),
_Det ny System_ (1879), _En Hanske_ (1883), _Over Ævne_, I (1885), II
(1895), _Geografi og Kærlighed_ (1885), _Paul Lange og Tora Parsberg_
(1899), _Laboremus_ (1901), _Paa Storhove_ (1902), _Daglannet_ (1904),
_Naar den ny vin blomstrer_ (1909). Vertellingen uit dezelfde periode
zijn: _Magnhild_ (1877), _Kaptejn Mansana_ (1879), _Stöv_ (1882), _Det
flager i Byen og paa Havnen_ (1884), _Paa Guds Veje_ (1889), _Nye
Fortællinger_ (1899), _Mary_ (1906).
In bijna al deze stukken maakt Bjørnson zich tot advocaat van een of
andere meening of waarheid,--dikwijls eene zeer juiste,--die, naar hij
meende, hoog noodig gezegd moest worden. Bij voorbeeld: de
noodzakelijkheid van opvoeding in _Det flager_, van verdraagzaamheid in
_Paa Guds Veje Kongen_ is een preek over het thema, dat de republiek de
eenig juiste regeeringsvorm is. _En Hanske_ handelt over de
geslachtsmoraal. De dichter is hier zóó vervuld van de leer, die
gepredikt moet worden, dat hij op het stuk een reeks voordrachten over
hetzelfde onderwerp laat volgen, die weer aanleiding hebben gegeven tot
breede polemiek, ook in litterairen vorm. Daar echter Bjørnson niet
alleen verkondiger, maar ook dichter is, komen in al die stukken mooie
bladzijden voor, en wanneer hij zijn propagandistisch doel eens vergeet,
kan diezelfde naïveteit, die hem op zulk een toon van gezag wijsheid uit
de tweede hand doet verkondigen, de bekoorlijkste schilderingen doen
ontstaan. Zijn populariteit dankt Bjørnson ongetwijfeld voor een groot
deel aan deze beminnelijke eigenschappen, maar toch ook aan zijn
behoefte, om te verkondigen. De groote meerderheid der menschen wil
gaarne in litteratuur en op het tooneel haar eigen meeningen tegenkomen
en hooren uitgalmen als diepste wijsheid. Daartoe bestaat bij Bjørnson
gelegenheid. Hij strijdt niet altijd voor waarheden als koeien, die
iedereen erkent, maar nooit als dokter Stockman voor zulke, die alleen
de voorpostvechters kunnen inzien. Neen, liefst voor zulke, die ongeveer
de helft van het publiek voor zich hebben; dan is er pro en contra; dan
is er strijd, en dan is de dichter in zijn element. Hij kent ook de
tooneelknepen goed. Wanneer een man ontevreden is over gebrek aan
vrijheid in zijn huwelijk, dan kan het niet met minder afloopen, dan dat
hij een stoel omver schopt, en dat wordt, helaas! niet alleen op het
schellinkje, zeer gewaardeerd.
Maar wanneer men het eerste gedeelte van _Det flager_ leest, waarin
Bjørnson den stijl namaakt van een bekrompen copist, die met eerbied de
gewelddaden der familie Kurt beschrijft, dan ziet men, hoe deze
schrijver vertellen kon, wanneer hij de moeite deed, zich in eene
situatie in te denken. Voor ons buitenstaanders, die het
verlichtingswerk van Bjørnson niet noodig hebben, en die in vreemde
litteratuur vooral datgene zoeken, wat zij tot verrijking van het
Europeesche geestesleven heeft bijgedragen, is het moeilijk, een dichter
als Bjørnson op zijne juiste waarde te schatten. Wij trekken de
schouders op, wanneer wij zien, hoe in oudere stukken alle deugd van
godsvruchtigheid komt, of wanneer een hoofdman uit de elfde eeuw
ongevraagd een verklaring aflegt omtrent zijn geloof aan het leven
hiernamaals, terwijl dat plotseling anders wordt, zoodra Bjørnson ca.
1876 tot de overtuiging komt, welke voor ons weinig nieuws bevat, dat
het met de dogmatiek van het Christendom niet alles pluis is, waarop
plotseling alle boosheid in de wereld aan de onverdraagzaamheid der
orthodoxie wordt toegeschreven. Wij meenen, dat ketterjagerij ook elders
wel voorkomt, en dat een dichter zijn licht en schaduw anders verdeelen
kon. Maar men moet niet vergeten, dat in Noorwegen in die dagen een
groot verlichtingswerk te doen was, en dat door Bjørnson's poëzie
duizenden bereikt zijn, die eene wetenschappelijke litteratuur, en dat
nog wel in vreemde talen, nooit bereikt zou hebben. Neemt men dat in
aanmerking, dan kan men iets verstaan van de groote beteekenis, die in
Noorwegen aan de geheele persoonlijkheid van Bjørnson gehecht wordt. En
dan begrijpt men ook, dat de dichter soms overschat wordt. Want in het
oordeel speelt de liefde eene rol,--en de liefde is naijverig.
Jonas Lie (1833--1905) neemt onder de romanschrijvers van de tweede
helft der eeuw de eerste plaats in. Het geslacht, waaruit hij stamt, is,
wanneer men ver genoeg teruggaat, eene boerenfamilie uit het
Nordenfjeldske (d.i. het land ten Noorden van het Dovrefjeld), maar de
overgrootvader van den dichter sloeg de juristenloopbaan in, en zoo
stamt Lie in drie leden uit eene ambtenarenfamilie. De moeder was uit
het Noordland, misschien heeft zij een element Lappen-, mogelijk ook
Zigeuner-(Tater-) bloed in de familie gebracht. Van vaderszijde erfde
Lie aanleg voor het practische leven en strenge logica, van zijne moeder
poëtischen aanleg en fantasie, welke laatste soms voor de helderheid van
denken gevaarlijk kon worden. Van jongs af heeft Lie den strijd tusschen
heterogene elementen in zich gevoeld, maar hij was een krachtige natuur,
die het gelukt is, het evenwicht te bewaren en een kunstenaar te worden,
in wien de tegenstrijdige krachten samenwerkten. Zijn practische natuur
maakt hem tot realist; zijn fantasie doet hem poëzie vinden ook in het
dagelijksch leven; zijn aanleg tot het abnorme gaat juist zóó ver, dat
hij abnorme individuen kan verstaan, maar zijn verstand helpt hem, om
deze te objectiveeren.
Eigen levenservaringen hebben voor een belangrijk deel de stof geleverd
voor Lie's romans. Men kan in zijn leven eenige momenten aanwijzen, die
bij herhaling als poëtische motieven in zijn werken terugkeeren. Als
zoodanig noemen wij: zijn jeugd in het Noordland, voornamelijk in
Tromsø, waar hij indrukken van natuur en volksleven opdeed, die vóór hem
in de litteratuur niet verwerkt zijn. Dan zijn huwelijk met zijn nicht
Thomasine, eene vrouw van buitengewone eigenschappen, die niet alleen
een goede vrouw voor hem geweest is, maar ook een steun bij zijn
poëtischen arbeid, een versterking van het kritisch element. Voorts zijn
leven als advocaat te Kongsvinger, waar hij levendig deel heeft genomen
aan het gezelschapsleven, en aan het einde daarvan een groote
handelscrisis, waarbij hij betrokken is geweest, en waarin hij de
angsten heeft leeren kennen, die aan een faillissement voorafgaan.
Lie toonde als knaap weinig ijver, om zich de wijsheid der school eigen
te maken. Voor litteratuur heeft hij zich betrekkelijk vroeg
geïnteresseerd, en zelfstandige pogingen, om te dichten, dateeren uit
zijn jeugd. Een eersten bundel gedichten gaf hij uit in 1866. Maar bij
de gedeeldheid zijner belangstelling bleef het langen tijd
dilettantenwerk. Wat zijn jeugd heeft bijgedragen, om den dichter te
vormen, bestaat minder in oefening in het handwerk dan in vorming van
het karakter en van den blik op het leven. De crisis, die den dichter
geheel doet ontwaken, is zijn faillissement.
Toen Lie zijne eerste vertelling _Den Fremsynte eller Billeder fra
Nordland_ (De Man met het tweede Gezicht of Beelden uit het Noordland)
uitgaf (1870), was hij 37 jaar. Het boek brengt geheel nieuwe stof in de
litteratuur. De dubbele titel beantwoordt aan een inhoud, die tot op
zekere hoogte ook dubbel is. Het vertelt hoofdzakelijk in den vorm van
een dagboek de geschiedenis van een zieken man, maar het houdt tevens
zeer levendige en belangrijke schilderingen uit het bijgeloof in het
Noordland in. De hoofdpersoon, David Holst, vertegenwoordigt ééne zijde
van den dichter, den fantast, met ziekelijken aanleg tot het mystieke,
zich openbarend in tweede gezicht. De dichter heeft zich gesplitst;
zijne andere zijde leeren wij kennen in den medicus, die den zieke
behandelt. De kwaal van David Holst is aangeboren; reeds in zijn jeugd
hebben de dokters hem opgegeven. Er bestaat voor hem hoop op redding in
de liefde van een gezond jong meisje, dat een vast geloof heeft in de
alles overwinnende macht der liefde. Het meisje komt in een storm om, en
David Holst krijgt het bericht daarvan in een visioen. Daarmee zijn voor
hem de verwachtingen, die hij voor het leven koesterde, vernietigd. Maar
de herinnering en de hoop op een weerzien houden hem staande, en wanneer
hij in zijn moeilijkste oogenblikken de eenzaamheid opzoekt, keert hij
niet terug, voor hij haar gezien heeft en uit dat visioen kracht heeft
geput, om het leven vol te houden.
Het boek staat op de grens van romantiek en realisme. In de stof is veel
romantisch; de behandeling is modern. David Holst wordt voorgesteld als
een zieke van zeer fijne organisatie, wiens psychologie uiterst
belangrijk is, maar toch als een zieke, niet als een wezen van hooger
orde, dat geheimen ontdekt, welke voor den prozaïschen mensch verborgen
blijven. Hij is zich ook zelf zijn toestand bewust, en het valt hem niet
in, zich te verhoovaardigen. Hij weet, wat hij in het maatschappelijk
leven te kort schiet.
De schilderingen uit het bijgeloof zijn een natuurlijk element van het
dagboek. In een omgeving, waar dat geloof leeft, is David Holst
opgegroeid, en deze voorstellingen hebben bijgedragen tot de vorming van
zijn abnormen geestestoestand. Men kan dus niet zeggen, dat het boek
daardoor uiteenvalt, en in zooverre is de dubbele titel eenigszins
misleidend. In de Noorweegsche letterkunde nemen deze schilderingen eene
zeer bijzondere plaats in. Ook de romantiek hield zich gaarne bezig met
mythische wezens als _nøkken, draugen, tomtegubben_, en hoe zij meer
mogen heeten. Maar op eene andere wijze dan hier. Voor de romantiek zijn
deze wezens poëtisch, soms ook symbolisch, of zij worden vereenzelvigd
met hun natuur-element; Ibsen eindigt, met er den draak mee te steken.
Maar de bevolking van het Noordland gelooft aan hen, en de schipper, die
in den storm den draug in zijn halve boot ziet varen en zijn geschreeuw
hoort, weet, dat zijn laatste uur geslagen is. De angst, die dezen
schipper bezielt, is in de beelden van Jones Lie. En zoo zijn deze
teekeningen van fantastische wezens niettemin werkelijkheidsbeelden.
Het type David Holst treedt in de werken van Jonas Lie maar zelden op.
Zijn fantasten zijn in den regel gemengde karakters, gelijk hij zelf.
Misschien heeft hij in _Den Fremsynte_ voor goed of voor langen tijd
afrekening willen houden met die zijde van zijn natuur, waaraan hij
zware ervaringen te wijten had. Maar dat hij David Holst niet voor goed
van zich afgezet had, blijkt uit een zijner latere romans, te weten
_Dyre Rein_ (1896). Ook hier treedt een held op, die erfelijk belast is.
Hij leeft in het idee fixe, dat op zijn familie een vloek rust, en in
den angst, dat die vloek in hem in vervulling zal gaan. Ook hij zoekt
zijn heul in liefde, maar vergeefs. Op den dag, waarop hij in het
huwelijk zal treden, maakt hij door zelfmoord een einde aan zijn leven.
Met _Den Fremsynte_ had Jonas Lie zich plotseling een naam gemaakt.
Daarop volgt een lange periode, waarin het den dichter moeite gekost
heeft, dien naam te handhaven. Hij had zijne leerjaren nog niet geheel
achter den rug, en zijn eerstvolgende boeken zijn in zeker--niet in
ieder--opzicht voorstudiën voor zijn latere meesterwerken. _Den
Fremsynte_ was een geniale greep geweest, maar de techniek beheerschte
hij nog niet geheel, en vooral--hij had zich nog niet dien bijzonderen
stijl eigen gemaakt, waaraan later iedere bladzijde, die hij schreef,
zou te kennen zijn. Niettemin, de technische moeilijkheden was Lie
weldra te boven, en de meeste dezer werken toonen reeds den schrijver
van groote bekwaamheid. De koelheid, waarmee Lie's boeken in den beginne
ontvangen zijn, is ongetwijfeld mede aan andere oorzaken toe te
schrijven, en wel aan een zijner beste eigenschappen. Lie is niet een
propagandist, zijn toon is gedempt; het is hem te doen om het begrijpen
van menschen, niet om het verkondigen van meeningen. Maar in de jaren,
waarin Lie zijne eerste romans schreef, was een andere toon juist mode
geworden, en het is misschien zijn grootste overwinning, dat hij, zonder
zijn natuur te verloochenen, alleen door voortgezette oefening van zijn
talent de plaats heeft veroverd, die hij met zooveel eer heeft
ingenomen.
De periode van Lie's mindere populariteit duurde tot 1883, toen hij met
_Familien paa Gilje_ zijn naam voorgoed vestigde. In die periode heeft
hij een aantal werken geschreven. De belangrijkste van deze zijn
vooreerst zijn schipperromans _Tremasteren Fremtiden_ (1872), _Lodsen og
hans Hustru_ (1874), _Rutland_ (1880), _Gaa Paa_ (1882). Deze sluiten in
zooverre bij _Den Fremsynte_ aan, als zij schilderingen bevatten uit het
leven der kustbevolking, slechts met dit: onderscheid, dat de dichter
zich thans niet tot het Noordland beperkt. Reeds hierdoor zijn deze
boeken een gebeurtenis in de Noorsche litteratuur; er wordt een nieuw
gebied geopend. De behandeling getuigt van groote kennis van het
onderwerp; de schippers van Lie zijn schippers en geen stadsmenschen.
Hij kent hen van kind af aan.
Maar al toonen deze boeken door de omgeving, waarin de vertelling
speelt, een sterk locaal coloriet, zij hebben ook eene andere zijde. Het
zijn tevens vertellingen uit het maatschappelijk en vooral uit het
huiselijk leven, en daardoor staan zij niet zoo ver van die werken,
waarmee de dichter later naam gemaakt heeft, en waarmee hij ook in deze
periode reeds een belangrijk begin gemaakt heeft. Hier moeten genoemd
worden: _Thomas Ross_ (1878), _Adam Schrader_ (1879), _Livsslaven_
(1883). Een eerste dramatische proeve is _Grabows Kat_ (1880). Een
afzonderlijke plaats neemt het in dramatischen vorm geschreven gedicht
_Faustina Strozzi_ (1875) in, het eenige werk, waarvoor Lie de stof aan
de geschiedenis (Italië's vrijheidsoorlog) ontleent, belangrijk voor de
kennis van des dichters vrijheidsidealen, maar als poëtisch werk niet
van groote beteekenis.
Sedert 1883 verschenen achtereenvolgens: _Familien paa Gilje_ (1883),
_En Malstrøm_ (1884), _Otte Fortællinger_ (1885), _Kommandørens Døtre_
(1886), _Et Samliv_ (1887), _Majsa Jons_ (1888), _Onde Magter_ (1890),
_Trold_ (2 verzamelingen novellen 1891-2), _Niobe_ (1893), _Lystige
Koner_ (1894), _Naar Sol gaat ned_ (1895), _Dyre Rein_ (1896),
_Lindelin_ (1897), _Faste Forland_ (1899), _Wulffie & Comp_ (1900),
_Naar Jernteppet falder_ (1901), _Ulfulgerne_ (1904).
Het is een eigenaardigheid van Lie, dat bepaalde karakters en bepaalde
motieven bij hem bij herhaling weerkeeren. Men kan zelfs een niet gering
deel zijner vertellingen groepeeren naar de hoofdmotieven, en het is in
vele gevallen niet moeilijk, in de ervaringen van den held die van den
dichter terug te vinden. Toch valt Lie niet in herhalingen; bij een
nieuwe bewerking vindt hij telkens aan het geval een nieuwe zijde.
Een type, dat reeds in de zeemansvertellingen _(Lodsen og hans Hustru,
Gaa paa_) optreedt, is de man, die met de zwaarste tegenspoeden te
kampen heeft, maar deze door volharding te boven komt en zich een
positie weet te verschaffen. In _Gaa paa_ is het een jonge man, die in
armoe raakt, naar zee gaat, als scheepsjongen begint en als reeder
eindigt. In twee andere romans wordt alleen verteld van de neerlaag in
den beginne en het besluit, het niet op te geven.
_Thomas Ross_ vertelt van een jeugdig dichter, die het geluk gehad
heeft, dat zijn eerste werk goed ontvangen werd. Hij gaat nu ijverig aan
het schrijven, maar het eene fiasco volgt op het andere. Hij geraakt in
bitteren nood en is op het punt, zijn roeping te laten varen en een
bezoldigde betrekking te zoeken, maar wordt daarvan teruggehouden door
een meisje, dat in zijn talent vertrouwen stelt. Zij verbindt haar lot
met het zijne, en hij zal zich zelf herzien en zijn strijd voortzetten.
Het is niet moeilijk, hier Jonas Lie te herkennen in de dagen, toen hij
gebrek leed, en toen de kritiek zijn boeken ongunstig opnam, toen hij de
tanden samenklemde en, gesteund door zijn wakkere vrouw, besloot vol te
houden.
Dezelfde figuur ontmoeten wij een aantal jaren later opnieuw in _Faste
Forland_, en weer herkennen wij daarin Jonas Lie. De tegenspoed is van
anderen aard dan die van Thomas Ross, maar ook deze behoort tot de
ervaring van den dichter, en de oplossing is in beide gevallen dezelfde.
Een verschil bestaat hierin, dat Faste Forland een tijd lang een onjuist
inzicht in zijn eigenlijke roeping heeft. Faste is een plannenmaker, en
hij bezit de gave, om zich en anderen voor zijn plannen op te winden,
maar hij mist de practische gaven, die noodig zijn, om deze op de juiste
wijze tot uitvoering te brengen. Dit gebrek is hij zich echter niet
bewust, en daardoor sticht hij veel kwaad. Hij overreedt zijn
stadgenooten, om geld bijeen te brengen, ten einde het stadje in een
badplaats om te scheppen. Men gaat aan het bouwen, en Faste is de ziel
der onderneming. Zijn veelzijdigheid kent geen grenzen. Tusschen de
financiëele berekeningen en de ontwerpen voor nieuwe gebouwen werkt hij
aan een tooneelstuk. De meisjes uit het stadje zullen een
dilettantentooneel oprichten, en hij zal zorgen voor het repertoire. Het
badhuis komt gereed en wordt feestelijk ingewijd, maar voor er nog een
badgast aanwezig is, is de zaak failliet, en Faste moet vertrekken, door
zijn verarmde stadgenooten gehoond. Maar niet allen hebben in zijn
plannen vertrouwen gesteld. Onder de twijfelaars is een vriendin, die
hij bij herhaling in zijn voornemens inwijdt. Maar telkens verlaat hij
haar in arren moede, als hij stuit op het ongeloof van haar, die in hem
geen zakenman ziet. Als de zaak echter verloren is, dan komt Bera hem te
gemoet, en nu wordt Faste dichter.
Het klinkt als een sprookje--en toch is het werkelijkheid. Ook de
mislukte zakenman Jonas Lie is dichter geworden, en niet zonder den
bijstand van Thomasine.
Het hoofdmotief van _Faste Forland_ is de mislukte onderneming en het
faillissement. Het was hier niet de eerste maal, dat Lie een
faillissement tot onderwerp van een roman koos. Het is reeds het
hoofdmotief in _En Malstrøm_, en het neemt een gewichtige plaats in in
_Et Samliv_ en in _Niobe_. Ook hier geldt, dat niet geestelijke armoede
de oorzaak is, wanneer Lie een motief bij herhaling behandelt, maar eer
eene groote oprechtheid, die hem drijft, vooral over die dingen te
schrijven, die hij het best kent. Ook dit onderwerp behandelt hij van
zeer verschillende zijden. In _Faste Forland_ is de slechte zakenman
toch een ernstig man, die er zwaar voor boeten moet, dat hij zich zelf
niet gekend heeft; in _En Malstrøm_ en _Niobe_ ontmoeten wij twee
variaties van den lichtzinnigen speculant, die het met het bezit van
zijn medemenschen niet nauw neemt (in laatstgenoemd boek als bijfiguur),
in _Et Samliv_ is het de familievader, die op het punt is, in den
ondergang van anderen te worden meegesleept, die tegenover vrouw en
kinderen het hoofd rechtop moet houden en den schijn van rijkdom
aannemen, terwijl hij met iedere post het bericht wacht, dat hem den
genadestoot zal toebrengen, die echter op het uiterste oogenblik door
een vriend gered wordt. Met al die menschen leeft Lie mee, en hij doet
ons hen verstaan, zoodat wij niet met een goedkoopen afschuw vervuld
worden, maar ook in de zwakheden der zwakken het menschelijke zien. Lie
is hier midden in de 'problemenpoëzie' geraakt; de vergelijking met
anderen, die hetzelfde onderwerp behandeld hebben, toont het verschil in
aard tusschen de dichters. Het faillissement was in die dagen in de
litteratuur in de mode; zoowel Bjørnson als Kielland hebben het
behandeld. Beiden zijn tendentieschrijvers, maar op verschillende wijze.
Voor Kielland (in _Fortuna_) is het faillissement de onverantwoordelijke
daad van een gewetenloos man, natuurlijk uit de hoogere klasse, en de
schrijver laat niet na, zijn held met de leelijkste eigenschappen,
valschheid en huichelarij, in hooge mate te voorzien. Die man is niets
dan gemeenheid en laagheid. Er komen in _Fortuna_ prachtige bladzijden
voor, maar licht en schaduw zijn op eene wijze verdeeld, die eigenlijk
geen andere bedoeling heeft, dan hartstochten te wekken. Anders
Bjørnson. Hem is het niet te doen om propaganda te maken tegen eene
maatschappelijke klasse, maar voor eene moreele gedachte, deze namelijk,
dat men geen vrede kan hebben, wanneer men leeft in onware verhoudingen.
Zijn speculant is diep ongelukkig, zoolang de waarheid er niet uit is,
maar nauwelijks heeft een edel advocaat hem tot bekentenis gedwongen, of
de man voelt zich verlicht. In het laatste bedrijf leeft hij met zijn
gezin idyllisch in een eenvoudige woning van een gering loon en is
tevreden. Ook van dezen man is de psychologie wel wat al te weinig
samengesteld, om ons belang in te boezemen. Van begrijpen van den
bankroetier is ook hier geen sprake. Jonas Lie oordeelt niet, noch den
man, noch de daad, maar hij vertelt, en als hij uitverteld heeft,
kennen wij den faillent, en wij begrijpen, dat het zóó gaan moest, als
het is gegaan.
Het spreekt wel van zelf, dat de verhouding der geslachten, die een zoo
groot deel der aantrekkelijkheid van de meeste romans uitmaakt, ook bij
Jonas Lie een belangrijke rol speelt. Meer dan één van zijn boeken zou
men huwelijksromans kunnen noemen. De dichter heeft daarin een
belangrijke bijdrage geleverd in de discussie over de positie der vrouw.
Ook hier onthoudt hij zich van het theoretisch proclameeren van één
eenige waarheid. Bij hem komt alles op de persoonlijkheid aan, en
hoezeer Lie ook een vriend is van de vrijheid, de vrouwen, die hun
naaste plichten vergeten, om zich aan 'hoogere' dingen te kunnen wijden,
vinden in den regel bij hem weinig sympathie. Van de andere zijde heeft
hij menig gelukkig interieur geschilderd, waarin de vrouw het sterkste
karakter heeft. Die grootere kracht kan, zoo meent hij, wanneer de
liefde en het verstand niet te kort schieten, aan het gemeenschapsleven
ten goede komen. Vrouwen van deze soort in verschillende levensposities
zijn onder anderen Susanne in _Den Fremsynte_, Bera in _Faste Forland_,
Ely Falk in _Adam Schrader_, Ellen in _Naar Jernteppet falder_. Op het
juiste evenwicht komt het aan; de vrouw, die zich niet weet te
handhaven, wordt de verdrukte huismoeder eener vroegere periode; zij,
die niet kan geven, wordt de egoïste, de coquette, de ontrouwe vrouw. Al
deze typen heeft Lie geschilderd, zóó dat zij lijken.
De hoogste deugd is voor Lie vastheid en betrouwbaarheid. En het
grootste ongeluk in een huwelijk is twijfel. Twijfel is een motief, dat
hij bij herhaling gebruikt heeft. Viermaal ontmoeten wij in zijn romans
den twijfel van een man aan de trouw van zijn vrouw (_Livsslaven_, waar
de vraag de trouw der geliefde geldt, is hier niet meegeteld). In drie
van deze gevallen vergist de man zich, en de oplossing is hier overal
dezelfde. Maar er is een climax in de kunst, waarmee de dichter het
sentiment motiveert en op de ontknooping aanstuurt.
In _Lodsen og hans Hustru_ bestaat voor de verdenking eenige aanleiding,
en dit maakt de vrouw zwak in haar houding tegenover den man. Veertien
jaar lang zwijgen zij tegenover elkander, maar de man ontwikkelt zich in
dien tijd tot een tyran, en de vrouw onderwerpt zich daaraan, om hem
niet te verliezen. Eindelijk gaat het voor haar op, dat dit de zekerste
weg is, om hem geheel kwijt te raken, en nu verzet zij zich. De
omstandigheden brengen mee, dat zij hem tegelijk een bewijs van haar
onschuld kan geven; de man voelt zich beschaamd over zijn gebrek aan
vertrouwen, en hij verbetert zich. De wederzijdsche verbittering is in
dit boek mooi geschilderd, maar de verzoening geschiedt nog in hooge
mate volgens een roman-recept. Men twijfelt met recht, of het dien man,
die zóó lang de alleenheerschappij heeft gevoerd, gemakkelijk zal
vallen, voortaan met parlement te regeeren. In _Adam Schrader_ is het
conflict in een hoogere gedachten- en levenssfeer getrokken. Het neemt
hier een vorm aan, waarin het daarna nog tweemaal optreedt. De man is
een goed huisvader, maar prozaïsch; de vrouw is muzikaal; een vriend van
den huize dringt zich in de intimiteit en ontmoet de vrouw op het gebied
der kunst, waarvoor de man geen gevoel heeft. De man wordt jaloersch,
maar het karakter der vrouw is zóó oprecht en flink, dat aan haar deugd
geen twijfel kan bestaan, en de zaak eindigt hiermee, dat zij hem flink
de waarheid zegt, waarop Adam Schrader bakzeil haalt. Ook dit boek
behoort tot Lie's eerste periode. Later heeft hij gevonden, dat twijfel
van dezen aard toch te ernstig is, om door een strafpredikatie te worden
weggenomen, en hij heeft ook die ontmoeting der zielen in eene hoogere
wereld minder onschuldig gevonden, dan toen hij _Adam Schrader_ schreef.
Hij vertelt dan nog twee gevallen, waarvoor een ernstiger kuur noodig
is. Het eerste is een tragisch geval, de hoofdhandeling in _Naar Sol
gaar ned_. Wederom is het de wereld der muziek, waarin de vrouw en de
vriend des huizes elkander ontmoeten. De vrouw is schuldig. En haar man,
een dokter, doorziet haar. Maar geen woord komt over zijn lippen. Hij
wil zekerheid hebben, en deze verschaft hij zich op eene wijze, die haar
het leven kost. Zoo heeft hij zelf justitie gehouden. Het kost hem zijn
levensvreugde en zijn werkkracht; hij verzinkt in doodsche melancholie.
Maar de eer van zijn huis heeft hij gered.
Het is karakteristiek voor den optimistischen dichter, die zoo gaarne
alle dingen ten beste leidt, dat hij daartoe in dit geval geen kans
heeft gezien, maar geen anderen uitweg vond dan een gewelddadigen dood.
Waar geen fundament is, zoo meent hij, daar kan geen gebouw staan.
Nogmaals schildert hij den twijfel in een zijner laatste werken _Naar
Jernteppet falder_ in een der talrijke parallel loopende vertellingen
van de ervaringen van een aantal menschen, die samengepakt op een
oceaanstoomboot voor den tijd van negen dagen aan gelijksoortige
lotswisselingen blootstaan. De belangstelling is hier geheel
geconcentreerd op hetgeen in de echtelieden omgaat. Den vriend leeren
wij zelfs niet kennen. Man en vrouw bevinden zich met hun kind aan
boord; de man wil in de nieuwe wereld zijn horizont verbreeden, nieuwe
kennis opdoen, naar het heet. Maar de kennis, die hij zoekt, is kennis
van het gemoed zijner vrouw. Wat gaat er in haar om? Wat verbergt zij
voor hem? De reis brengt geen verlichting, noch inzicht; iederen dag
neemt de spanning toe. Ook de vrouw houdt het niet uit; zij vergaat van
angst, als zij haar man ziet. De lezer weet niet, of zij schuldig is;
wanneer de man spreekt, gelooft hij het; wanneer de vrouw spreekt,
gelooft hij het niet. Dan komt er een oogenblik van gevaar, waarin het
schip dreigt onder te gaan. Vrouwen en kinderen worden in de booten
geladen; voor de mannen is geen plaats. Op dit moment komt voor den dag,
wat er in de menschen steekt. Een arme dominee ontpopt zich als een
weggeloopen kassier, een gelukzoeker, die zich een dag te voren met eene
rijke Amerikaansche verloofd heeft, stoot haar van zich, daar hij meent,
zich beter te kunnen redden, als hij alleen is. Maar mevrouw Arna Angell
weigert, in de boot te gaan. Zij heeft haar man verloren, terwijl hij
bij haar was,--thans wil zij in haar laatste oogenblik hem bezitten en
met hem sterven. Dat is echter de wetenschap, die Dr. Angell zocht; nu
kan hij naar zijn land terugkeeren, en nu voor het eerst spreekt hij
tegenover haar uit, dat _zij_ het is, aan wie hij getwijfeld heeft. De
twijfel vindt zijn einde, zonder dat man en vrouw een enkel woord
daarover met elkaar wisselen, zonder dat een rekening wordt opgemaakt.
De nabijheid van den dood heeft beiden voor elkander geopenbaard; het
gevaar is de rechter geweest; wat leugen is, is ondergegaan; wat
waarheid was, stond tot nieuw leven op. Een fijne, romantische gedachte
in een geheel modern kleed.
Een mindere rol speelt in Lie's werken de ontrouw van den man. Slechts
één tooneelstuk, _Lystige Koner_, is op dit motief opgebouwd. De
behandeling is gansch anders dan die van het vorige geval. Hier wordt
niet geschilderd, hoe de vrouw twijfelt, maar welke verandering bij haar
plaats heeft, wanneer haar liefdedroom door de ongevraagde bekentenis
van den man, dat hij ontrouw is geweest, verstoord is. De man neemt het
er niet zoo nauw mee en wenscht, dat ook zij de zaak niet zwaar zal
opvatten, en aan dat verzoek voldoet zij; zij wordt eene vrouw, met wie
het gemakkelijk is te leven. Maar de innigheid is weg.
Dieper heeft Lie dit onderwerp niet behandeld. Een andere ondeugd echter
is het, die bij vele van zijn mannen op den voorgrond treedt, namelijk
de zelfzuchtige hardheid. Een heele galerij van huistyrannen heeft hij
geschilderd, onder wier gevoellooze hand het familieleven verkwijnt.
Zulke zijn: de Kaptein in _Familien paar Gilje_, Mads Foss in _En
Malstrøm_, de directeur in _Onde Magter_. In zulke families vinden wij
huismoeders, die tot sloven geworden zijn, zooals 'Ma' in _Familien paa
Gilje_, misschien het meest treffende voorbeeld van dit type, dat de
Noorsche litteratuur kent. In zulke gezinnen heerscht een atmospheer van
gedruktheid, waarvan ook de kinderen het offer worden.
Bij een dichter van het familieleven als Jonas Lie neemt uiteraard de
vraag, wat er onder de omstandigheden, die hij beschrijft, van het jonge
geslacht wordt, een eerste plaats in. Weer treft het ons, dat de
dichter, in plaats van over de verhouding tusschen ouders en kinderen
eene theorie gereed te hebben, de zaak van verschillende zijden kan
zien. Het is zeker geen toeval, dat de latere werken zulke andere
beelden te zien geven dan de vroegere. In den beginne ontstaan er bijna
altijd conflicten door eene soms verschoonbare, maar toch altijd af te
keuren bekrompen heerschzucht der ouders of van één van beide. Bij de
jongens kan de strijd loopen over de beroepskeuze, bij de meisjes gaat
het meest om het huwelijk. De jongen, die zich verzet, kan niet zelden
een eigen weg zoeken; bij het meisje is de kans geringer, maar in elk
geval is haar levensgeluk er mee gemoeid. Alles is echter verloren,
wanneer zij zwak zijn en toegeven. In _Rutland_ wil de jongen naar zee.
De vader, die de bezwaren van het zeemansleven bij ervaring kent, wil
dat niet toestaan; de jongen loopt weg, wordt een flink zeeman en
verzoent zich later met den vader. Dit is het gunstigste verloop. In
_Familien paa Gilje_ moeten de dochters uitgehuwelijkt worden, omdat dit
de eenige wijze is, om hen te verzorgen; in _En Malstrøm_ is het nog
erger; hier dienen zij, om de schulden van den vader af te doen; in
_Kommandørens Døtre_, waar de moeder de drijfkracht in huis is, is het
de eerbied voor conventie, die aan het geluk der kinderen in den weg
staat. Het zijn al te gader ouderwetsche milieu's, dat wil zeggen, in
die dagen ouderwetsch, thans nog slechts bij hooren zeggen bekend,
waarin denkbeelden heerschen, die in strijd komen met een modernen
drang, om zelf de smid van zijn geluk te zijn.
Maar weldra toont Lie, dat hij ook oogen heeft, waarmee hij de excesses
van dezen drang kan zien. De vrijheid wordt losbandigheid; de wil wordt
niet geoefend, en er komt een geslacht op van veeleischende kinderen
zonder plichtbewustzijn, voor wie brave ouders alles offeren. Zulk een
gezin is dat van Dr. Baarwig in _Niobe_.
De verhouding der standen in de maatschappij, een geliefkoosd onderwerp
van de letterkunde dier dagen, wordt door Jonas Lie zelden of nooit tot
hoofdthema van een boek gemaakt, en geen enkel maal heeft hij zijn pen
misbruikt, om de klassen der bevolking tegen elkander op te hitsen, Hij
zelf behoort tot de hoogere klasse, maar sedert zijn kindsheid heeft
hij met menschen uit zeer verschillenden kring omgegaan, en zoo heeft
hij vroeg gezien, dat de tegenstelling tusschen arm en rijk slechts een
der vele tegenstellingen van het leven is. Ook zijn romans bewegen zich
onder menschen van iederen rang, en zij toonen, dat hij overal thuis is.
Er is in deze boeken dan ook nooit sprake van een principiëele
vijandschap tusschen de standen. Ook dit hangt ongetwijfeld met eigen
ervaringen samen. Hij heeft reeds in het milieu, waar hij opgroeide,
gezien, dat een goede verstandhouding mogelijk en voor beide partijen
heilzaam is. Niettemin heeft hij oog gehad voor het onrecht, dat de
sterkere den zwakkere kan aandoen, maar ook hier wacht hij zich voor een
schildering uitsluitend in wit en zwart. Twee van zijn romans kan men in
dezen zin 'maatschappelijke' romans noemen, te weten _Livsslaven_, uit
de eerste periode, en _Majsa Jons_, een van zijn rijpste werken.
_Livsslaven_ is de geschiedenis van den onechten zoon eener dienstbode,
die het nu eenmaal moet ontgelden, dat hij niet wettig geboren is, en
niettegenstaande alle pogingen, om zijn roer recht te houden, tot
misdaad wordt gedreven. Hier komen inderdaad rijke menschen voor, die
daaraan mee schuldig zijn. Maar zij zijn niet de eenige; niet minder
wordt de man geplaagd door zijn klassegenooten. Het boek is dan ook meer
een--nog eenigszins sentimenteele--poging, om meegevoel met den
onschuldig-schuldige te wekken, dan een pleidooi in den strijd der
standen. Veel belangrijker is de historie van _Majsa Jons_, het
naaistertje, dat inderdaad in de koopmansfamilie, waar zij haar oogen
bederft, erg gemaltraiteerd wordt en ten slotte uit overwegingen van
familiepolitiek gedwongen wordt te trouwen met een schoenmaker, dien zij
niet liefheeft. Maar ook hier valt het sterkste licht niet op het
onrecht, dat zij lijdt, maar op den kleinen roman, dien zij beleeft in
de vriendschap met een armen student en op de resten van blijmoedigheid,
die zij uit de schipbreuk van haar leven redt.
Zoo toont Jonas Lie zich overal als een 'humaan' dichter in den edelen
zin van het woord. Hij heeft menschen bestudeerd en getracht, eene
verklaring te vinden voor hun doen en laten, voor hun wonderlijkheden,
ook voor hun misstappen. Hij beoordeelt hen niet summarisch naar de
vraag, of zij ouderwetsch of nieuwerwetsch, rijk of arm zijn, of zij tot
deze of die politieke partij behooren. Hij vraagt alleen, of zij een
fond van levenswaarheid bezitten, en wanneer dit het geval is, moet het
al heel gek loopen, als er niet ergens een uitweg voor hen is. Verliezen
zij één ding, dan vinden zij mogelijk iets anders. Want er is veel,
waarvoor het waard is, te leven. In dezen zin is Lie een echt optimist.
Een eigenaardige tegenstelling met de talrijke romans uit het
familieleven en de maatschappij vormen de vier en twintig kleine
vertellingen, die in de jaren 1891-92 onder den titel 'Trold' in twee
bundels verschenen. Deze toonen, dat de fantast, waarmee Jonas Lie in
zijn jeugd te kampen had, wel ondergehouden, maar niet ondergegaan is.
Zij doen het meest denken aan de spookhistoriën uit _Den Fremsynte_.
Maar tusschen het oudere werk en de jongere vertellingen liggen vele
jaren van reflexie. Voor Lie hebben de duivels van het volksgeloof nu
ook een symbolische beteekenis gekregen. Zij beteekenen de elementaire
natuurkracht, zoowel buiten als in den mensch. Zoo vinden wij naast
elkaar staan stukken als _Moskenæsstrømmen_, waarin natuurkrachten
gepersonificeerd zijn, zonder dat de mensch met hen in aanraking komt,
_Bylgja_ en _Kværnkallen,_ die de mystieke indrukken schilderen, welke
de mensch van de overmachtige natuur ontvangen kan, en zulke als _Hauk
og Hadding_, waarin de menschelijke hartstocht de ongetemde duivel in
den mensch is, die hem tegen beter weten in beheerscht. In dezen vorm
speelt het trold ook wel in de romans een rol, al wordt het niet met
name genoemd. Als een daemonische tweede persoon in den mensch,
onafhankelijk van zijn wil, treedt het alleen op in den hierboven kort
besproken roman _Dyre Rein_. Interessant is in dit licht ook de korte
novelle _Østenfor Sol og vestenfor Maane_, waar tusschen de
hoofdstukken, die de eigenlijke vertelling inhouden, korte stukken
voorkomen met beelden uit het dierenleven en den strijd op leven en
dood, die in die wereld wordt gevoerd. Zóó, meent de dichter, is het ook
onder de menschen. De cultuur legt over het geheel een vernis, maar
daaronder woont het dier, het trold, de duivel. De hoogste inspanning is
noodig, om dezen te overwinnen. Hoe dat gelukken kan, kan men op die
talrijke plaatsen in zijn boeken lezen, waar liefde sterker blijkt dan
egoïsme. Hier onderscheidt Lie zich van sommige jongere schrijvers, die
de cultuur als leugen beschouwen en het als de hoogste wijsheid--en
moraal--proclameeren, het trold zijn gang te laten gaan.
Dat Jonas Lie in den prozaroman den kunstvorm heeft gevonden, die voor
hem het best paste, blijkt niet alleen uit zijn talrijke praestaties van
den eersten rang op dit gebied, maar ook uit de vergelijking met zijn
overige productie. Zijn tooneelstukken _Grabows Kat, Lystige Koner,
Lindelin, Wulffie & Cie_, ofschoon niet van belang ontbloot, staan
verre bij zijn romans achter. En ook zijne werken in verzen, _Faustina
Strozzi_ en twee bundels gedichten, toonen wel gemak van versificatie,
maar zelden die macht van uitdrukking, die ontzag inboezemt. Zij leveren
echter eene niet onbelangrijke bijdrage tot de kennis van des dichters
persoon.
Een der merkwaardigste verschijnselen aan den Noorweegschen litterairen
hemel der periode, die ons hier bezig houdt, is Al.L. Kielland geweest,
zoowel door het comeetachtige van zijn verschijnen en zijn verdwijnen,
als door zijn stijl, die zoo sterk afwijkt van wat men in Noorwegen voor
en na hem te zien heeft gekregen. Kielland stamt uit eene rijke
koopliedenfamilie te Stavanger; hij werd in 1849 geboren, bezocht het
gymnasium zijner geboortestad, werd op twintigjarigen leeftijd student,
nam het leven schijnbaar gemakkelijk en wekte geen bijzondere
verwachtingen. Hij verliet de universiteit in 1871, vestigde zich als
advocaat zonder praktijk, kocht een pannenbakkerij en trouwde. In dien
tijd begon hij ijverig de nieuwe Deensche letterkunde te lezen, en hij
reisde daarop in 1878 naar Parijs, na kort te voren een paar kleine
schetsen in een courant te hebben geschreven. In 1879 beginnen zijn
werken in boekvorm los te komen, eerst een paar kleine stukken,
_Novelletter_, dan romans, in één adem door (daartusschen enkele
tooneelstukken): _Garman og Worse_ (1880), _Nye Novelletter_ (1880),
_Arbeidsfolk_ (1881), _Else_ (1881), _Skipper Worse_ (1882), _To
Novelletter fra Danmark_ (1882), _Gift_ (1883), _Fortuna_ (1884), _Sne_
(1886), _Tre Par_ (blijspel 1886), _Bettys Formynder_ (blijspel 1887),
_Sanct-Hansfest_ (1887), _Professoren_ (blijspel 1888), _Jacob_ (1891),
eindelijk een bundel kleinere opstellen _Mennesker og Dyr_ (1892), een
overdruk van oudere artikelen. Dan is het uit; Kielland geeft het
voornemen te kennen, niet meer te schrijven, en hij houdt zich daaraan.
Dit plotselinge ophouden, nog meer dan het plotselinge begin, toont, dat
Kielland eigenlijk niet bezat, wat men wel de dichterroeping noemt, den
inwendigen drang, om zich te uiten, om iets schoons voort te brengen. En
nog minder de ijdelheid, om zich een naam te maken. Zeer groote gaven
had hij, maar om hem tot dichter te maken, was er nog een ding noodig.
Hij moest iets op het hart hebben, dat hij behoefte gevoelde, te zeggen.
Toen hij dat zou gaan doen, bleek het, dat hij de gave had. En hij
gebruikte haar. Toen hij gezegd had, wat hij te zeggen had, zweeg hij.
Met andere woorden: Kielland was een tendentiedichter, en de tendentie
was voor hem het eerste. Maar hij had zoo'n goed verstand, dat hij wel
begreep, dat men in een kunstwerk meer kan zeggen, en in elk geval met
een kunstwerk meer blijvends kan bereiken dan met een courantartikel. En
hij bleek plotseling zoo knap te zijn, dat hij kunstwerken maken kon.
Dit was een verrassing, misschien even groot voor hem zelf als voor het
publiek.
Wat had Kielland dan te zeggen? Dat, wat een modern dichter in 1880 te
zeggen had,--kritiek op de maatschappij. Opgegroeid is hij in een kleine
Noorweegsche stad, met weinig geestelijke ressources. In de beste
kringen is hij daar omgegaan; de horizont dier kringen reikte niet
verder dan plaatselijke belangen en amusement van geringe waarde. In
Kristiania leeft hij daarop als student insgelijks in hoogere kringen.
En wat de poëten ook ten nadeele van het Kristiania dier dagen mogen
gezegd hebben, de gezichtskring was er toch ruimer dan in Stavanger.
Naar zijn geboorteplaats teruggekeerd, moet de jonge man met het scherpe
verstand en den beweeglijken geest zich beëngd gevoeld hebben. Hij zoekt
geestelijk voedsel in de nieuwe litteratuur, die in de laatste jaren van
Denemarken uitging, en zijn tegenzin tegen zijn omgeving neemt toe. Hij
moet in verzet komen; hij moet op reis, en hij moet schrijven. Hij wil
het nieuwe licht, dat voor hem is opgegaan, voor anderen doen schijnen,
en hij wil de omgeving, waarin hij zich bekneld gevoelt, aan de kaak
stellen. Zoo worden al zijn romans schilderingen van Stavanger.
En zijn kunst? In Parijs heeft hij zich opgehouden. Daudet en Zola heeft
hij gelezen. Hij maakt den piquanten stijl der nieuwere Fransche
romanschrijvers tot den zijnen. Voor het eerst treedt in Noorwegen een
schrijver op, wiens meest kenmerkende eigenschap elegantie is.
In hoeverre Kielland zich van den beginne af bewust geweest is, dat
hetgeen hem het diepst bewoog, niet de kunst maar een tendentie was, is
moeilijk te zeggen. De vreugde over het plotseling ontdekte talent en de
bijval, die hem terstond gewerd, hebben ongetwijfeld den kunstenaar
gewekt, en in vele zijner werken ziet men ook succesvolle pogingen, om
zich in de stof te verdiepen en aan de personen, die hij schildert, ook
waar zij hem niet sympathiek zijn, recht te laten wedervaren. Op den
duur wordt dit minder. Hij geraakt gewikkeld in persoonlijke conflicten.
In het Storting wordt een strijd gevoerd over de vraag, of hem
dichter-salaris toekomt, en hij lijdt een neerlaag op grond van zijn
anti-religieuze denkbeelden, waarbij hij op schandelijke wijze als
onzedelijk wordt gedisqualificeerd, een auteur, die nooit een enkele
onzedelijke bladzijde geschreven heeft. Hij wordt verbitterd, en zijn
boeken krijgen steeds meer het karakter van strijdschriften met een zeer
persoonlijk adres[19]. Maar toch blijven het geniale werken vol geest en
satyre. Zij logenstraffen de theorie, die in haar algemeenheid ook niets
dan een populaire phrase is, dat tendentie en kunst niet kunnen
samengaan. Eindelijk breekt de inhoud den vorm, en de dichter geeft er
de voorkeur aan, wat hij nu nog te zeggen heeft, direct te zeggen in
artikelen in de Stavanger courant, waarvan hij een tijd lang (in 1889)
redacteur is[20]. Dan vindt de strijd een oplossing, waarin hij de
overwinning behaalt. Hij wordt burgemeester van Stavangar. Nu kan hij
voor zijne denkbeelden werken, zonder te schrijven. En hij legt de pen
neer.
Het zal uit het bovenstaande duidelijk zijn, dat Kielland's werken
sommige elementen bevatten, die hen stempelen tot litteratuur van den
dag. Dit is daar het geval, waar de tendentie zich al te breed maakt.
Maar daartegenover staan weer blijvende elementen. Dikwijls verheft
Kielland zich tot eene objectiviteit, die hem in staat stelt, niet
uitsluitend wit en zwart te schilderen. Daarbij komt eene dubbelheid in
zijn eigen natuur hem ten goede. Hij is democraat door theorie, maar
aristocraat door geboorte en opvoeding, en zijn karakter is niet
plebeïsch, maar voornaam. Zóó is hij in staat, in _Garman og Worse_ een
der fijnste schilderingen te geven van het leven in eene voorname
familie in eene kleine Noorweegsche stad, en ook het verschil in de
verhoudingen, waarin zulk eene familie in zijn tijd en dertig jaar
vroeger leefde, begrijpelijk te maken. Zoo dringt hij in _Skipper Worse_
diep door in het leven van de piëtistische secte der Haugianen. In
andere boeken ontbreekt de objectiviteit, maar men moet niet vergeten,
dat objectiviteit niet de eenige deugd is. Ook Vondel was niet
objectief, en toch is hij Nederlands grootste dichter. Er is ook macht
van overtuiging, kunst van uitdrukking, meesterschap over de taal,
suggestieve kracht,--en eindelijk esprit. Deze gaven bezat Kielland in
hooge mate. Boeken als _En Sankt-Hansaften_ en _Jacob_ kan men
beschouwen als lyrische gedichten in proza. De figuren hebben soms iets
van caricatuur, maar zij zijn daardoor te duidelijker, en zij getuigen
toch van zulk een menschenkennis, dat zij voor ons blijven leven, ook al
deelen wij des dichters politieke overtuigingen niet in alle opzichten.
En de afstand in tijd, die het toevallige doet wegvallen, zal het
daardoor gemakkelijker maken, Kielland's kunst te waardeeren. Wel zal
die afstand ook eene schifting meebrengen; dit proces is trouwens reeds
in vollen gang.
In de aaneengesloten reeks van Kielland's romans is een samenhangende
gedachtengang. Ik weet dezen niet beter mede te deelen dan door een
verkorte weergave van hetgeen ik hierover in 'De Gids' van Mei 1897
schreef. De omgang met arbeiders in de dagen toen hij bezitter en
directeur eener pannenbakkerij was, is zeker de oorzaak, dat in zijn
eerste boeken het arbeidersvraagstuk op den voorgrond treedt. De
intrigue van _Garman og Worse_ berust op de tegenstelling tusschen de
deftige rijke familie Garman met haar resten van achttiende-eeuwsche
beschaving en haar trots en de verdierlijkte bevolking van "West end".
Een verzoenend element is hier Jacob Worse, wiens grootvader zich van
dienaar tot compagnon van consul Garman opgewerkt heeft, en die door
zijn huwelijk met Rachel Garman het sedert verbroken compagnieschap der
firma's herstelt. Dezelfde tegenstelling keert terug in _Arbeidsfolk_,
maar te scherper en bijtender, daar een verzoenende gedachte hier
ontbreekt; de personen, die de toenadering der standen
vertegenwoordigen, worden uit de maatschappij gestooten. Doch weldra
verruimt zich des schrijvers gezichtskring. Bij het constateeren van het
bestaan eener kloof tusschen rijk en arm blijft hij niet staan, maar de
vraag doet zich aan hem voor: wat is daarvan de oorzaak? En in verband
daarmee deze andere: wat kan men doen, om de kloof te dempen?
Voorloopig wendt hij zijn opmerkzaamheid vooral aan de eerste vraag. En
hij schrijft eene psychologie van de misdaad. Dat armoede tot misdaad
voert, werd in _Garman og Worse_ reeds aangeduid. In _Else_ zien wij
het gebeuren. Wij maken kennis met de erfelijke praedispositie tot
lichtzinnigheid en al de misdaden in haar gevolg, die de arme op de reis
door het leven meekrijgt, en die zich te lichter ontwikkelt, naarmate de
uiterlijke omstandigheden gunstiger zijn en daarmee de verzoeking
grooter wordt.
Van den hedendaagschen arme wendt Kielland zich tot de vroegere
generatie, en hij schrijft _Skipper Worse_. De vergelijking voert tot
het besluit, dat de afstand vroeger veel geringer, de verstandhouding
beter was. Worse's: "Wij komen laat, mijnheer de consul, maar wij komen
goed", waarmee Worse zijn reeder begroet, en waarmee hij ook het leven
uitzeilt, teekenen den ondergeschikte, voor wien de zaak van den patroon
de zijne is. En consul Garman toont zich bij voortduring een even
degelijk als fijngevoelig patroon. Hoe is die verhouding zoo veranderd?
Voor een deel is dit toe te schrijven aan verscherpte concurrentie, die
voor alle standen den strijd om het bestaan moeilijker maakt. Maar ook
de opkomst van nieuwe machten in de maatschappij is daaraan schuld.
Kielland schildert tegenover de wel trotsche, maar ook loyale familie
Garman een stand van rijken, welks bloei in den tijd van Skipper Worse
nog in zijn aanvang was, maar in Kielland's dagen reeds een groote
plaats innam, de opkomelingen, die de weelde niet kunnen dragen. Het
zijn zij, wier vaders en grootvaders om den geloove bespot werden, de
Haugianen, ijverige, godsdienstige menschen, door werkzaamheid tegen de
verdrukking in tot welstand gekomen. Maar naarmate de welstand toeneemt,
verandert godsdienstzin langzamerhand in huichelarij, spaarzaamheid in
geldgierigheid. Het zijn zij, bij wie de zucht naar den penning door
lange ontbering erfelijk is geworden, en die deze zucht behouden,
wanneer zij in levensomstandigheden komen, die vrijgevigheid tot plicht
maken. Nog één geslacht verder, en men leeft in groote huizen en zit aan
een welvoorzienen disch; de oude zuinigheid openbaart zich alleen nog
maar in hardheid tegenover den arme.
Als Kielland tot de jongere generatie terugkeert, doet zich het
vraagstuk der opvoeding voor. Daaraan hebben wij _Gift_ (Vergif) te
danken. _Gift_ is Kielland's bijdrage in den strijd over de school. Men
kan er zeker van zijn, dat zijn kleine Marius, die conjugeerende sterft,
de zaak van het Latijn meer kwaad gedaan heeft dan menig betoog. Maar
polemiek tegen het Latijn is slechts ééne zijde van het boek. De auteur
verheft vóór alles zijn stem tegen de opvoeding, die het karakter doodt
door opvulling van het geheugen met nuttelooze kennis, door het eischen
van onvoorwaardelijke gehoorzaamheid in de jaren, waarin juist het
zelfstandig oordeel bezig is te rijpen, door het aanwenden van
ouderlijken invloed, om den jongen man een huichelachtige
geloofsbelijdenis te laten afleggen, die zijn verstand in het aangezicht
slaat en voor zijn gemoedsleven geen beteekenis heeft.
De vraag der opvoeding gaat Kielland na ter harte; dit is wel mee de
oorzaak, dat hij op _Gift_ twee vervolgen geschreven heeft. Het eerste
heet _Fortuna_. De schooljongen uit _Gift_, Abraham Løvdal, die bij zijn
confirmatie zoo'n mooi gouden horloge, maar nog mooier lessen in
levenswijsheid van zijn vader kreeg, treedt hier als man op. Slecht is
hij niet, verkwistend is hij niet, geldgierig is hij niet; hij is alleen
maar karakterloos. Als zijn vader gelden, die aan anderen behooren, en
waarvoor hij, Abraham Løvdal, persoonlijk verantwoordelijk is, in zijn
windhandel steekt, wordt Abraham, zonder een woord tegen te spreken,
zijn medeplichtige. En als het onweer losbarst en de stad in zak en
assche is, komt de schuld in de eerste plaats op Abrahams hoofd neer.
Alle ergernis concentreert zich in haat tegen dien eenen misdadiger, die
de kas der armen niet gespaard heeft. Maar Abraham gaat met vader en
vrouw ter kerk en beijvert zich, om er nederig uit te zien.
Eene voortzetting van _Fortuna_ is _Sankt-Hans Fest_. Maar daartusschen
ligt een boekje, dat in den gedachtengang een overgangslid vormt. Naast
de school werd in _Gift_ de kerk geschetst als een der machten, die de
zelfstandigheid in den mensch dooden en hem tot een kruipenden egoïst
maken. De logica van zijn gedachtengang en zijn persoonlijke ervaringen
brengen nu den dichter er toe, een hoofdaanval op de staatskerk en hare
dienaars te richten. Op de school volgt de confirmatie, op _Gift_ en
_Fortuna_ volgt _Sne_.
_Sne_ is een oorlogsverklaring. Het boek brengt den strijd tusschen oud
en nieuw van de stad naar het platteland, naar het heiligste der
heiligen--de dorpspastorie. Daar zit de sterke predikant van den ouden
stempel, wiens dagbladartikelen den zondaar doen sidderen als zijn
preeken en bij hem zelf het geloof wakker houden, dat hij aan de
geestelijke beweging van zijn tijd deelneemt. Gevreesd is hij meer dan
bemind; gerespecteerd als een afgod. Het gezin is gehoorzaam en
bescheiden; stil gaat de vrouw door huis; _zijne_ hooge gedachten kan
zij niet volgen; maar zij zorgt, en zij is onrustig, als er niets te
zorgen valt. Daar zit hij--en wordt weerstaan door een jong meisje, dat
van theologie even weinig begrip heeft als van gehoorzaamheid, de
verloofde van zijn zoon. En het voorwerp van hun twist is hij--Johannes,
die niet kan gelooven, wat zijn vader gelooft, die tegen den spot der
spotters niet is opgewassen, maar evenmin tegen den sterken wil van
zijn vader, die Gabriële liefheeft en droomt van een verzoening tusschen
het oude en het nieuwe. Het is eene tweede uitgave van Abraham Løvdal.
Zulk een verzoening houdt Kielland voor onmogelijk. Maar hij gelooft ook
niet aan een snelle overwinning van nieuwe gedachten in zijn land. Alle
reactionnaire machten slaan de handen ineen, om de opkomst van iets
nieuws met geweld tegen te houden. En het gevolg is een doodsche
stilheid, een rust als die des grafs.
Dat is de gedachte, die _Sankt-Hans Fest_ beheerscht. Kielland laat hier
de geheele maatschappij, waarin hij leeft, nog eens de revue passeeren
en resumeert. Daarom treden personen uit verschillende romans op:
Abraham Løvdal, Morten Kruse, bankchef Christensen uit _Gift_ en
_Fortuna_, Thomas Randulf, een nakomeling van een der vrienden van
schipper Worse, de jonge Garman, die aan _Garman og Worse_, de familie
With, die aan _Else_ herinnert. Een ijzige luchtstroom waait ons te
gemoet. Een troepje jonge lieden, die het proza, dat als een laag
schimmel de stad bedekt, verdriet, doen een vergeefsche poging, om tegen
Sankt-Hansavond een vroolijk feest voor de geheele stad te organiseeren.
De bankchef en de dominee vereenigen zich, om het plan te doen
mislukken, terwijl de burgemeester, die zijn medewerking had toegezegd,
zich uit de voeten maakt, en al wat de aanleggers van het feest
bewerken, is het ontslag van den beste hunner uit zijne betrekking en
eene algemeene verslagenheid over hun zonde bij die stedelingen, die
zich lieten verleiden, om naar wereldsch vermaak te verlangen. Maar de
victualiën, die voor het feest bestemd waren, gaan naar een samenkomst
van vrome lieden, die dominee Kruse ten voordeele van zijn blinden
georganiseerd heeft.
In _Sanct-Hans Fest_ is als het ware eene essentie van Kielland's
sarcasme. De kortheid maakt het boek te scherper. Al wat in zijn
vroegere romans aan bitterheid aanwezig was, is hier gecondenseerd en
geëxtraheerd tot een enkelen druppel. Het is het _mene tekel_ over eene
leugenachtige maatschappij, die haar moed en daarmee haar behoefte aan
vreugde verloren heeft.
In _Jacob_ wordt dan eindelijk getoond, hoe zulk een samenleving de
gemakkelijke prooi wordt van den eersten den besten gewetenloozen
indringer. Er bestaat een afstand tusschen boeren en stedelingen, die in
Noorwegen nog grooter is dan elders. Die kloof te overbruggen, is het
streven van vele hervormers geweest, en men heeft het middel gezocht in
het brengen van de hoogere cultuur, die de stad meent te hebben, naar
het platteland. Maar in den gedachtengang, waarin Kielland geraakt is,
ziet hij die vraag in een ander licht. Thans vraagt hij, wat het
onvermijdelijk gevolg is, wanneer de cultuur der stadsbevolking verloren
gaat. De stedeling, zoo antwoordt hij zich zelf, daalt in zulk een geval
niet tot het niveau van den boer, maar daarbeneden. Want terwijl datgene
verloren gaat, wat hem in de oogen van de plattelandsbevolking tot een
wezen van ander vleesch en bloed maakte, mist hij de taaie
vasthoudendheid, de toomelooze geldgierigheid en de volslagen
ongevoeligheid voor scrupules van den laatste. En wat de
schijnheiligheid betreft, de nauwelijks tien jaar oude modehuichelarij
van den stedeling is in de verte niet opgewassen tegen de door
langdurige verdrukking geoefende huichelarij van den boer.
_Jacob_ is de geschiedenis van een self-made man. Als gelukzoeker komt
Tørres Snørtevold naar de stad. Geleerd heeft hij ongeveer niets; de
eenige vrucht van het genoten onderwijs, die voor hem niet verloren
gaat, is een onbeperkte bewondering voor den aartsvader Jacob, die zoo
heerlijk iedereen weet te bedriegen, zijn vader, zijn broeder, zijn oom,
en die zoo vast op Gods hulp rekenen kan. Jacob wordt zijn ideaal.
Evenals zijn held, gelukt het ook hem, de schatten van zijn meester te
bemachtigen. Nu heeft hij macht, en deze gebruikt hij, om de stad uit te
zuigen. Hij maakt zich meester van al, wat in de stad te verdienen
valt, zoodat eindelijk de winkeliers niet meer wagen te adverteeren, om
zijn aandacht niet te trekken. Met zijn macht stijgt zijn aanzien.
Tørres wordt lid van het Storting, en hij getuigt: "ja het was hem zelfs
een genot, het in deze zaal te mogen belijden, dat hij niet verder
gekomen was--neen voorwaar, dat was hij niet!--hij was niet verder
gekomen dan tot den nederigen grond van het kinderlijk geloof, en hij
zou er God om bidden, dat hij nooit verder komen mocht."
Als Tørres eindelijk de vrouw bemachtigt, die hij reeds als winkeljongen
met begeerige oogen heeft aangezien, besluit hij, zijn zoon Jacob te
noemen, en hij zelf wil hem leeren, dien naam te dragen.
Kielland legt er den nadruk op, dat het verlies van cultuur, dat ik
hierboven noemde, de voorwaarde is voor een succes als dat van Tørres.
In de dagen van consul Garman ware zoo iets eene onmogelijkheid geweest.
Met ronde woorden spreekt hij deze meening uit: "Zoo lag de maatschappij
bloot voor de laagste kracht. Was ieder geestelijk bezit behalve 'de
belijdenis' tot nul gereduceerd, dan bleef er niets dan het geld over.
En op dit doel: geld in den zak en 'de belijdenis' op de tong stuurde
het roer boven en de stroom beneden aan." En Tørres denkt er ook zoo
over: "de eeuwige waarheid lag juist in het kinderlijk geloof, en alle
wijsheid van de wereld woog niet op tegen den kleinen katechismus, en
dien kende hij--ha! ha! ha!--hij moest om zich zelf lachen.
Daar had hij opgezien tegen Gustav Krøger en mijnheer Hamre en anderen,
die dat alles gelezen hadden, wat in de boeken stond, en per slot van
rekening waren dat niets dan vrijdenkers, die voor de hel bestemd waren,
en die in de maatschappij niet los hoorden te loopen."
Dit is het eindstandpunt, dat Kielland in zijn laatsten roman bereikte.
Toch is hij geen pessimist. Hij is een toreador; het sarcasme is zijn
lans, en hij weet te treffen.
Een ander zeer bekend, maar niet zeer vruchtbaar schrijver, die tot de
groep Lie--Kielland behoort, is Kristian Elster. Zijn meest bekende werk
heet _Farlige Folk_ (Gevaarlijke Menschen) (1881).
Tot de naturalistische schrijvers der periode behoort Amalie Skram, die
in 1882, dus slechts één jaar na Kielland, met haar eersten roman
optrad. Het is haar minder te doen om het debat over maatschappelijke
problemen dan om natuurgetrouwe schildering van menschen, waarbij de
gedachte op den voorgrond treedt, dat karakter en handelingen der
menschen evenals hun ervaringen door uit- en inwendige omstandigheden
bepaald zijn. Zij geeft duistere beelden van het alledaagsche leven en
daalt daarbij diep in details af. Van haar romans noemen wij _Constance
Ring_ (1885) en een samenhangende reeks van vier lange vertellingen,
samen eene familiegeschiedenis uitmakende: _Sjur Gabriel_ (1887), _To
Venner_ (Twee Vrienden) (1887), _S.G. Myre_ (1890), _Afkom_
(Nakomelingschap) (1898).
In dit verband moet een boek genoemd worden, dat als kunstwerk niet hoog
geschat wordt, maar dat toch groote beteekenis gehad heeft door de
aandacht, die het getrokken heeft, en door den invloed, dien het op de
litteratuur der eerstvolgende jaren geoefend heeft. In 1885 wekte Hans
Jæger opzicht met zijn roman _Fra Kristiania Bohemen_. Men kan dit boek
rekenen tot de problemen-litteratuur, in zooverre als er een
maatschappelijk vraagstuk, het geslachtsleven, in behandeld wordt. Er
wordt ook een oplossing aan de hand gedaan door de aanbeveling der vrije
liefde. Maar wat het boek van andere uit denzelfden tijd onderscheidt,
is het sterk persoonlijke element, waardoor het half tot lyriek wordt,
en wel tot een noodkreet van het individu, dat de maatschappij
aanklaagt, de schuld te dragen aan zijn ellende. Deze toon was in die
dagen ongewoon en verwekte niet weinig aanstoot. Daar kwam bij, dat de
schrijver in zijn mededeelingen al te duidelijk was geweest, zoodat
sommige zijner personen te herkennen waren. En eindelijk werkte ook wel
mee, dat het boek door afwezigheid van kunst den indruk maakte van
schandaalschrijverij, waaraan het trouwens ook niet geheel vreemd was,
daar het niet een mislukt kunstwerk was, maar het den schrijver
heelemaal niet om kunst te doen was, maar om aandacht te vragen voor
hetgeen hij te zeggen had over een maatschappelijken noodtoestand. Hier
heeft men dus in tegenstelling met de romans van Kielland te doen met
een geval, waarin de tendentie zoozeer de overhand heeft, dat het boek
daardoor geheel buiten het kader der kunstwerken valt. Maar nu deed de
regeering het domste, wat eene regeering in zulk een geval kan doen: zij
legde beslag op het boek en liet den schrijver tot gevangenisstraf
veroordeelen. Dit heeft aanleiding gegeven tot groote opschudding. Er
werd heftig gediscussieerd, en er ontstond een heele bohême-litteratuur.
Vermoedelijk zou deze toch wel gekomen zijn, daar de tijd er rijp voor
was, maar waarschijnlijk zou de strijd een minder heftig karakter hebben
aangenomen. Wij hebben echter geen reden, om er over te klagen, want de
zedelijkheidsdiscussie heeft aanleiding tot meer dan één kunstwerk
gegeven. Wij zullen deze discussie hieronder nog in een ander verband
ontmoeten. Maar Jæger's boek heeft ook nagewerkt. De neiging tot
schildering van het geslachtsleven in zijn abnormale vormen bij sommige
schrijvers, die omstreeks 1890 optreden, houdt ongetwijfeld verband met
_Fra Kristiania Bohemen_. Hier is Jæger's roman misschien minder een
voorbeeld dan een voorbode, een teeken van iets, dat in opkomst is. Ook
zijn onverbloemde persoonlijke verhouding tot de stof wijst naar het
aankomend individualisme.
Hans Jæger heeft later nog meer boeken geschreven, die insgelijks een
zeer subjectieven geest ademen, maar die minder indruk gemaakt hebben.
Over geslachtelijke afdwalingen handelt ook _Syk Kjærlighet_ (Zieke
Liefde) van 1893. Zijn laatste boek _Anarkismens Bibel_ is van 1910. Hij
behoorde tot de ongelukkigen zonder stuur, te onafhankelijk, om zich in
de maatschappij te schikken, niet sterk en begaafd genoeg, om
hemelstormers te worden.
Wanneer wij aan Arne Garborg in dit hoofdstuk de laatste plaats geven,
ofschoon hij in beteekenis een der allereersten is en ook chronologisch
tot de ouderen behoort, is de reden deze, dat zijn allerbelangrijkste
werken toch tot een jongere periode behooren en ook een anderen geest
ademen. Ook bij andere dichters, die een langen tijd van productie gehad
hebben, vinden wij in verschillende tijden verschillende denkbeelden.
Maar bij geen heeft een zoo sterke omslag en daarbij vernieuwing plaats
als bij Garborg. Men kan hier precies de grens aangeven tusschen de
werken, die tot de eene, en die tot de andere groep behooren.
Garborg (geb. 1851) is een boerenzoon uit het landschap Jæderen, het
achterland van Stavanger op Noorwegens westkust. In het eerste hoofdstuk
van zijn roman _Fred_ (Vrede) geeft hij eene prachtige beschrijving van
het sombere landschap en den invloed daarvan op de bevolking. Dat stuk
slaat tevens den toon aan, waarin des dichters jeugd gestemd is geweest.
Engte van horizon, die het verlangen schept, geestelijke boeien te
breken, en te gelijk een religieusiteit, die wel weerstand kon wekken,
maar toch diepten bevatte, die den man, nadat hij zich vrijheid
verschaft had, weder tot zich trokken.
De jonge Garborg heeft het leven op Jæderen leeren voelen op eene
exceptioneele wijze. Toen hij acht jaar oud was, werd zijn vader
aangetast door eene zielsziekte, nauw samenhangend met de piëtistische
geestesgesteldheid der bevolking, een vrees voor hel en duivel, die hem
bewoog, de zijnen met geweld tot God te willen voeren, maar die vrouw en
kinderen van hem vervreemdde, tot hij, overweldigd door het gevoel, dat
hij door God verworpen was, een einde aan zijn leven maakte. In deze
zware ervaringen zijner kindsheid ligt het uitgangspunt van een groot
deel van des dichters latere productie.
Als kind genoot hij slecht onderwijs, maar hij vulde het aan door een
vroege en uitgebreide lectuur. Op 16-jarigen leeftijd is hij
schoolmeester in de 'omgangsskole' (een school bij de menschen aan
huis), twee jaar later aan eene volksschool; kort daarop doet hij
pogingen, een blad uit te geven, twee en twintig jaar oud gaat hij, met
vijf rijksdaalders in zijn zak, naar Kristiania, bezoekt Heltberg's
'fabriek', legt het examen af, om student te worden, en leeft van toen
aan voor de pers. Van 1879 tot 1887 was hij revisor bij de rekenkamer,
maar hij verloor dien post, toen hij door zijn boeken ergernis gaf.
Sedert heeft hij, afgezien van een dichter-salaris, dat hij later
ontving, van zijn pen geleefd.
Van zijn zestiende jaar af heeft Garborg geschreven, in den beginne
meest courantartikels. Hij trok vroeg de aandacht; in 1873 kreeg hij een
uitnoodiging, om aan het hof te verschijnen. Deze sloeg hij af,
zeggende, dat hij wel geen republikein was, maar, nog niet wetende,
welke overtuiging hij later zou koesteren, liever geen verplichtingen
wilde maken.
De eerste vertelling van grooteren omvang, die Garborg schreef, heet
_Ein Fritenkjar_ (Een Vrijdenker) (1878). Het boek is, gelijk de titel
toont, als de meeste boeken van Garborg, in landsmaal geschreven. Het is
nog een zeer onrijp werk. Maar het opent een blik in het zieleleven van
den jeugdigen schrijver. Het is een pleidooi voor de vrijheid in het
religieuze denken, een der dingen, die in die jaren op het programma
der nieuwe richting stonden. De hoofdpersoon, een man die zich van
kerkgeloof heeft vrijgemaakt, heeft daarom allerlei vervolgingen te
doorstaan. Zijne vrouw verlaat hem; zijn kind wordt hem ontnomen; hij
ziet zich genoodzaakt, het land te verlaten, en als hij als oud man
terugkeert, treft hij zijn zoon aan als een orthodox, ketterjagend
predikant, die daarop bij zijne groeve--want de man overleeft dit
weerzien niet--eene donderende rede tegen het ongeloof houdt. Voor den
schrijver beteekent dit zeer schematische boek een omkeer en tevens een
preciseering van zijn denkbeelden. Toen hij het schreef, was het pas
twee jaar geleden, dat hij zelf zich aan gelijke onverdraagzaamheid had
schuldig gemaakt.
In 1876 was aan Georg Brandes, die naar Kristiania kwam, om propaganda
voor vrijheid in denken te houden, op grond van zijne meeningen het
gebruik van een locaal in de universiteit geweigerd. Garborg had deze
weigering verdedigd. Thans staat hij aan de andere zijde. Wat hem dreef,
was voorshands niet een dogmatische overtuiging, maar een afkeer van
onverdraagzaamheid. Hij neemt het op voor de vrijheid van denken en
spreken, die hij in het orthodoxe Noorwegen van 1878 bedreigd ziet. En
ofschoon het woord 'vrijdenker' in den titel van het boek te verstaan is
in den zeer gebruikelijken zin van 'iemand, die met het Christendom
gebroken heeft', is de dichter toch op weg, in den vrijdenker iemand te
zien, die vrij denkt. Interessant is in dit licht een woordspeling, die
hij 13 jaar later in _Trætte Mænd_ tweemaal maakt, waar hij twijfel
oppert, of de vrijdenkers wel een vrijdenker onder zich zouden dulden.
Hij heeft in den tusschentijd kennis gemaakt met de leerstelligheid der
andere partij.
Van gansch andere beteekenis is het volgende boek van Garborg:
_Bondestudentar_ (Boerenstudenten) (1883). Het dient wel in de eerste
plaats, om aan zekere gedachten uitdrukking te geven, maar het is niet
meer een schema, maar een stuk leven, dat de dichter kent. De vraag, die
hier gesteld wordt, is, wat het is, een karakter te zijn, en de
schrijver illustreert dit aan een zwakkeling. Zwakkelingen kent de
Noorsche litteratuur sedert Ibsen in grooten getale, maar wij hebben er
hier een van zeer bijzonderen aard, reeds door het milieu, waaruit hij
stamt. Wat den kunstvorm betreft, is het boek modern, dus
naturalistisch. Maar het is veel te persoonlijk, om een
programma-kunstwerk te heeten. De schrijver geeft de werkelijkheid en
geeft details, maar zooals hij ze geeft, kan hij het alleen.
Wat Garborg hier te zeggen heeft, wortelt ten deele in persoonlijke
ervaring. Gelijk hij, zoo is de held van den roman, Daniël Braut, een
boerenzoon, die uit zijn sfeer gerukt wordt, om lid van eene hoogere
maatschappelijke klasse te worden. Het boek schildert de zedelijke
mislukking van die poging. Wel brengt Daniël Braut zijne studie ten
einde, maar de bedoeling der romantisch gestemde weldoeners, die hem
steunden, namelijk een verjonging van Noorwegen tot stand te brengen,
door gebruik te maken van de frissche krachten, die, naar zij meenden,
in het landvolk leefden, lijdt hierop schipbreuk, dat, wat er ook aan
karakter in Daniël Braut mag geweest zijn, geheel ondergaat in den
strijd, om in het leven te blijven, tot hij zijn privaat doel, lid te
worden van een bevoorrechte klasse, zal hebben bereikt. Dat het zoo zal
afloopen, is trouwens van de eerste bladzijde af te zien. In het huis
van Daniëls vader wordt iederen morgen godsdienstoefening gehouden. Daar
zingt men een psalm, waarvan de inhoud is een waarschuwing tegen het
zorgen voor den dag van morgen, immers:
"God geeft den zijnen kleeren en brood,
terwijl zij zachtelijk slapen."
Daniël begrijpt niet, hoe het, indien het psalmvers de waarheid zegt,
mogelijk is, dat men zoo hard op het land moet werken, en hij ontdekt
een hinderlijke tegenspraak tusschen de woorden van den hymne en de
uitspraak: "die niet werkt, zal niet eten." Tot het voor hem opgaat, dat
de ware zin der psalmwoorden te zoeken is in de uitdrukking "de
zijnen". "De zijnen",--dat zijn de burgemeester en de commissaris van
politie en de dominee. Aan hen geeft God kleeren en brood, terwijl zij
zachtelijk slapen. Hoe heerlijk dan, tot "de zijnen" te behooren. Dat
wordt het ideaal van Daniël Braut. Daar er dus van den beginne af in
Daniël geen roeping is, kan er ook geen man uit hem groeien, en dit
blijkt in iederen nieuwen kring, dien hij binnentreedt. Overal is hij
misplaatst; hij heeft geen overtuiging; slechts uiterlijkheden kan hij
zich aanwennen. Zoo wordt hij tot een huichelaar.
In de kunst van vertellen en schilderen heeft Garborg hier zijn volle
rijpheid bereikt. En blijvende cultuurhistorische waarde heeft deze
roman door de levendige schildering van personen en milieu's uit
Kristiania, die ten deele vóór zijn tijd liggen, maar die hij toch met
een exactheid weergeeft, alsof zijne berichten op autopsie berustten.
Zoo treedt op een studentenfeest Vinje op en houdt een toespraak, die
men voor echt zou aanzien. Een zeer vermakelijk historisch portret is
dat van Heltberg, den man van de 'studentenfabriek', dien wij hierboven
reeds bij herhaling ontmoet hebben. Garborg heeft wel de 'fabriek'
bezocht, maar hem persoonlijk niet meer gekend. Met het oog op de
dubbele beteekenis der figuur--als schepping van Garborg en tevens als
den tijdelijken geestelijken helper van zoovele mannen, die in
Noorwegen beteekenis gehad hebben--deelen wij een paar staaltjes uit een
schooluur mee.
"Vandaag kreeg hij den mooien wandelstok van mijnheer Presler in handen
en ging zitten 'spelen'. Den stok gebruikte hij als strijkstok, en met
de andere hand speelde hij op een denkbeeldigen vioolhals, alsof het
prachtigste dansstuk ging. En dan zong hij.
'Amo-amas-amat-amamus-amatis-amant!' De jongens mee, allen die zich
ernstig konden houden. 'Zullen wij hem nog eens nemen?--och ja.
Amo-amas-amat! amamus-amatis-amant!' Maar als de jongens het alleen
moesten klaarspelen--de oude zat maar te 'accompagneeren'--dan ging het
mis. 'Nee, nou moet ik weer meedoen', zei hij, en weer ging het aan den
gang. En toen dat ook niet hielp, smeet hij den 'strijkstok' neer, kneep
zich met twee vingers vast in den neus en las _amo_ met een stem en een
gezicht, dat de jongens het uitbrulden."
Er wordt vertaald.
"Een ander kwam voor, en het ging beter. Maar toen zij wat verder
kwamen--er stond: _nisi, quanta vi civitates libertatem expetunt, tanta
regna reges defendant_--, toen zat hij vast, hij nam _tanta_ bij
_regna_. Toen raakte de oude warm. Hoor, mijn beste Halvor Mosebø! Als
je op een weg liep en daar eerst een dame tegenkwam, en dan een student,
en dan een varken, en je vond vlak daarop een mooie zijden parasol op
den weg liggen, zou je dan met de parasol naar het varken gaan en
zeggen: met uw permissie, hooggeschatte, u hebt zeker uw parasol
verloren?--Neen, Halvor, zoo dwaas was je niet. Je liep, wat je kon, tot
je de jonge dame inhaalde, en dan bukte je en maakte je lief: neem mij
niet kwalijk, Mejuffrouw, maar u hebt zeker uw paraplu verloren! Ja
zeker deed je dat, Halvor. Maar hier ga je met de parasol naar het
varken, neemt _tanta_ bij _regna_, omdat _regna_ het naast bij staat.
Maar _tanta_ hoort bij _vi; quanta vi, tanta vi_, Halvor Mosebø!"--De
jongens lachten, maar zij bleven er bij. En zij vergaten zulke 'lessen'
niet licht.
Daniël Braut is evenals Tørres Snørtevold in Kielland's _Jacob_ een
boerenjongen, die tot stadsmensch wordt. Beiden slagen in het
materiëele, maar brengen het zedelijk niet ver. In karakter verschillen
zij zeer. Maar nog grooter is het verschil in de wijze, waarop zij
behandeld zijn. Tørres is de boerenlummel, zooals de stadsman hem ziet.
Daniël Braut wordt door een der zijnen geoordeeld. Daarom is Tørres een
caricatuur, terwijl het lot van Daniël Braut ons tragisch voorkomt.
Misschien was er iets van hem geworden, wanneer men hem rustig in zijn
natuurlijken kring had gelaten.
In een paar volgende werken keert Garborg tot de problemenlitteratuur
terug. Maar wat in _Bondestudentar_ gewonnen was, is niet verloren; het
probleem wordt niet abstract behandeld en ook eigenlijk niet opgelost,
maar tot het bewustzijn der lezers gebracht door de realistische
schildering van een reeks levende personen.
_Mannfolk_ (1886) is Garborg's belangrijkste bijdrage in de discussie
over het zedelijkheidsvraagstuk. De aanleiding was een kabaal, dat
groote dimensies had aangenomen, en waarover hierboven reeds iets is
gezegd. Bjørnson had het land in rep en roer gebracht met zijn zeer zwak
tendentiedrama _En Hanske_ (Een Handschoen), gevolgd door de brochure
_Engifte og Mangegifte_ (Zij, die met één vrouw en die met vele vrouwen
trouwen). Hij laat hier een meisje met haar verloofde breken, wanneer
zij verneemt, dat hij vóór haar eene andere heeft bemind. Bij het
afscheid werpt zij hem een handschoen in het gezicht. Het was een snelle
oplossing van het vraagstuk, maar geen afdoende. Intusschen bewerkte de
schrijver door lezingen en andere samenkomsten, dat er discussie
ontstond. Men was vóór of tegen; in het openbaar meest vóór. Toen
verscheen Hans Jæger's hierboven besproken boek en werd
geconfisceerd. Niet veel beter ging het kort daarna met een roman van
Kristian Krogh _Albertine_; ook hiervan werden de exemplaren door de
overheid opgehaald.
Nu treedt Garborg in het strijdperk, en wel tegen het bazuingeschal van
Bjørnson. Eerst steekt hij er den draak mee in een zeer vermakelijke
korte vertelling _Ungdom_ (Jeugd) (1885); dan volgt _Mannfolk_, waarin
de zaak ernstig behandeld wordt. Hier leert men een reeks jonggezellen
kennen, voor een deel de meest begaafde in de hoofdstad, menschen, die
het ook aan goeden wil niet ontbreekt, maar die nu eenmaal voor het
huwelijk niet gedisponeerd zijn, hetzij om de sociale en oeconomische
eischen, die het stelt, hetzij om de slavernij, waarmee het hen
bedreigt, vooral wanneer zij denken aan al die vrouwen met weinig
ervaring, weinig ontwikkeling, veel pretentie en al hun Bjørnsonsche
idealen. Zij meenen, dat liefde in het dagelijksch leven ondergaat, en
levenslange gebondenheid is hun een gruwel. Maar de groote Pan is toch
ook in hen, en de behoefte aan een intiem samenzijn met het andere
geslacht is niet zwakker dan bij meer regelmatige naturen. Zij leven
dan, zoo goed als zij kunnen, en komen daar rond voor uit.
Maar de jeugdige Laurits Kruse is verdeeld tusschen de aardsche en de
hemelsche liefde. De eerste geldt de dienstbode van zijn huisheer, de
tweede eene moderne dame, die niet aarzelen zou, hem een handschoen in
het gezicht te werpen, indien al zijn gangen haar bekend waren. Hij kan
noch van de eene, noch van de andere afzien,--en zoo blijft hem dan
niets anders over dan huichelen. Met het dienstmeisje leeft hij als man
en vrouw, krakeelt hij ook als man en vrouw; haar kind sterft, en het is
hem een pak van het hart; maar tot de schoone Dagny richt hij zijne
zuchten in poëtische oogenblikken. Als zij zich eindelijk over hem
ontfermt en te gelijk een getuigenis omtrent zijne reinheid verlangt, er
aan toevoegend, dat zij dezen eisch slechts pro forma stelt, daar zij
van hèm zeker is, dan luidt zijn antwoord: "ik kan naar waarheid zeggen,
dat de vrouw mij ongenaakbaar is geweest". En even later knikt hij
resoluut: "De waarheid moet ons heilig zijn".
Hoe denkt Garborg nu over de zedelijkheidsvraag? Hij erkent, dat er veel
is, dat beter anders ware, maar de oorzaak zoekt hij niet in de
verdorvenheid der mannen, maar in de maatschappelijke verhoudingen,
vooral in de bemoeizucht van kerk en staat, voorts in de oeconomische
toestanden; niet minder echter in de opvoeding der vrouwen, die vele
ongeschikt maakt tot blijvende levensgezellin, dikwijls juist van de
beste mannen. Meer echter dan reinheid, die volstrekt niet altijd een
teeken van zedelijkheid is, beteekent oprechtheid, en vooral moed, want
deze is de bron van oprechtheid. Laurits, de tegenhanger van Daniël
Braut, wordt een leugenaar, omdat hij den moed tot waarheid mist.
Garborg zou aan zijn boek niet uitsluitend vreugde beleven. Het
verlangen naar martelaarschap ontbrak niet. Hij wendt tot de overheid
het verzoek, dat ook zijn boek in beslag zal worden genomen. Hij meent
daar recht op te hebben. Maar de regeering, die door vroegere
confiscatiën den tegenstand slechts aangewakkerd had, zag van dien
maatregel af. Een andere straf wachtte den onvoorzichtigen schrijver.
Toen het volgend jaar de betrekking van revisor aan de rekenkamer
opnieuw moest vervuld worden, liet men den schrijver van _Mannfolk_
schieten en veroordeelde hem tot hongerlijden.
Garborg trekt zich terug in een kleine houten woning, weinig meer dan
een hut, aan het meer Savalen in het Østerdal, en weldra treedt hij in
het huwelijk. Zijne bruid, Hulda Bergersen, behoorde tot zijn
bewonderaars, en zijne armoede was voor haar eene aantrekkelijkheid te
meer.
Het verblijf op Kolbotten--zoo heet Garborg's woning in het
Østerdal--heeft hij beschreven in een idyllisch boek, _Kolbottenbrev_
(Brieven van Kolbotten), dat een intiem beeld geeft van het samenleven
van het echtpaar in eenzaamheid, armoede en vrijheid. Overigens stammen
uit deze periode nog een paar werken, die denzelfden geest van oppositie
en onafhankelijkheid ademen, dien wij reeds als belangrijksten factor
in Garborg's vroegere geschriften ontmoetten. Van deze noemen wij nog in
het voorbijgaan _Hjaa ho Mor_ (Bij Moeder thuis) (1889), een tegenhanger
van _Mannfolk_. Ook dit boek behandelt bezwaren van het geslachtsleven,
maar ditmaal van de zijde der vrouw. In een brief aan zijn biograaf
geeft hij te kennen, dat Hulda hem zooveel materiaal geleverd heeft, dat
het boek bijna is op te vatten als een gemeenschappelijk werk. Een
pleidooi voor de vrije liefde, waarvoor dit boek veelal verklaard wordt,
kan men het eigenlijk niet noemen. Eer is het een pleidooi voor een
verstandiger opvoeding, waardoor het jonge meisje minder met
vooroordeelen gevuld en haar oordeel des onderscheids gescherpt wordt.
Maar zijn waarde ontleent het aan de voortreffelijke karakterstudie. Dit
blijkt thans na 30 jaar, nu het zijn actualiteit verloren heeft en toch
met dezelfde, misschien met zuiverder belangstelling gelezen kan worden,
dan toen het voor het eerst het licht zag.
Interessant is ook het een jaar vroeger verschenen tooneelstuk
_Uforsonlige_ (Onverzoenlijken). Het is geïnspireerd door politieke
gebeurtenissen van den dag. De dichter toont zijn radicaal standpunt.
Maar het stuk is niet een inleg voor een partij; wat het schilderen wil,
is de demoraliseering van het karakter door de politiek. Een
partijaanvoerder laat zich vinden tot een compromis, en al de
'onverzoenlijken' vinden, de een wat vroeger, de ander wat later, dat
het het beste is, het beginsel te laten varen voor 'hoogere
consideratiën'. Eén man die dat niet begrijpen kan, mist zijn brood. De
meesten geven eerst in luide woorden hun verontwaardiging te kennen, en
slaan dan om.
Wanneer wij Garborg weer ontmoeten, is hij een gansch ander man
geworden.