Gelijk in het eerste hoofdstuk reeds meegedeeld werd, was de taal, die
in het begin der negentiende eeuw in Noorwegen geschreven werd, van
Deensch nauwelijks te onderscheiden. Sommige schrijvers mogen in
bescheiden mate woorden gebruikt hebben, die in het Deensch niet
gangbaar waren, deze afwijking was niet grooter, dan ook het geval kon
zijn, wanneer een gewestelijk schrijver woorden uit zijn dialect
aanwendt. De gesproken taal, ook voorzoover zij Deensch-Noorsch was,
stond verder van die van Denemarken af. De uitspraak en de accentuatie
waren Noorsch, en de algemeene woordenschat bevatte ook een zeker aantal
uitsluitend Noorweegsche woorden, die in de geschreven taal, waarvoor
het Deensch eenigszins de norm aangaf, niet gebruikelijk waren. De
sterke ontwikkeling van het nationale bewustzijn na 1814 bracht nu van
zelf mee, dat zich ook in de taal een streven naar zelfstandigheid
openbaarde, dat op den duur tot groote veranderingen zou voeren. Dit
streven toont zich in twee richtingen, die parallel gaan: de
vernoorsching van het Deensch-Noorsch en het scheppen van een eigen
geheel-Noorsche taal.
De eerstgenoemde beweging is uit den aard der zaak de oudste. Zij begint
met het hierboven genoemde opstel van J.A. Hjelm en de daardoor
geïnspireerde pogingen van Wergeland. Dan volgen de sprookjes van
Asbjørnsen en Moe, die een blijvenden invloed gehad hebben. De
vernoorsching betreft hier vooral den woordenschat en den stijl. Sedert
het midden der eeuw treedt ook de spelling op den voorgrond. Deze was
hier niet uitsluitend eene zaak van uiterlijk. De tot nu toe
gebruikelijke schrijfwijze gaf de Deensche uitspraak weer, die in
belangrijke punten verder van den ouden toestand was afgeweken dan de
Noorweegsche. De spelling drukte dus niet een klankstelsel uit, dat
verouderd was of daarvoor werd aangezien,--integendeel, zij gaf uiting
aan veranderingen, die men niet erkende, en de wijziging, die nu
gewenscht werd, bestond voor een belangrijk deel in archaïseering.
Wanneer men tot dusverre schreef _lade, rige, løbe_, dan sprak men
_late, rike, løpe_, met harde consonanten, die van ouds in deze woorden
gestaan hadden, en die het Deensch eener vroegere periode ook gekend
had. Men begint nu op deze wijze te schrijven en brengt door deze
archaïseering de spelling nader bij de uitspraak. En zoo deed men ook in
andere gevallen.
De wetenschappelijke leider van deze grammatische beweging was K.
Knudsen, die schreef _Haandbok i dansk-norsk Sproglære_ (1856). Tevens
werd de strijd tegen de vreemde woorden voortgezet. Hier is het
belangrijkste werk, van denzelfden schrijver _Unorsk og Norsk_(1879-81).
De andere taalbeweging, de Noorsch-Noorsche, begint in dezelfde jaren,
waarin Asbjørnsen en Moe optreden. Naarmate het platteland deel begon te
nemen aan het cultuurleven, ontstond de gedachte, dat Noorwegen
tweetalig is. Het verschil tusschen de taal van het platteland en van de
stad is hier niet hetzelfde als in andere landen, waar de schrijftaal en
de dialecten tegenover elkander staan als zusters, van welke ééne door
het gebruik eene bijzondere positie gekregen heeft. Hier is de algemeene
taal niet eene zuster, maar eene nicht der dialecten; zij stamt uit een
ander gezin, en haar gezag wordt daarom, zoodra men over die verhouding
gaat nadenken, minder bereidwillig erkend. Nu staan er mannen op, die
ontkennen, dat het Deensch-Noorsch Noorsch is, die deze taal
provincie-Deensch noemen, en die den eisch stellen van eene geheel
Noorweegsche, d.w.z. in Noorwegen geboren, taal voor Noorwegen.
De moeilijkheid, om aan zulk een wensch te voldoen, bestond niet
hierin, dat een geheel Noorweegsche taal niet bestond; zij was er, en
zij werd gesproken. Maar het ontbrak haar aan eenheid; zij leefde alleen
in dialecten, en de dialecten weken onderling sterk af. De eenige taal,
die in alle deelen des lands gehoord werd, was het Deensch-Noorsch.
Hetgeen te doen stond was, uit de dialecten eene taal te maken, die
autoriteit kon doen gelden, en deze te gebruiken als schrijftaal.
Dat dit gelukt is, is wel een der merkwaardigste dingen, die het
cultuurleven der negentiende eeuw heeft zien gebeuren. Wat men ook van
kunstmatige talen mag zeggen--deze kunstmatige taal is eene levende
geworden. Er dient echter bijgevoegd te worden, dat zij slechts tot op
zekere hoogte kunstmatig, en dat zij niet in alle opzichten levend is.
Zij is uit levende dialecten opgebouwd en heeft daarom niet de starheid,
die aan de schematische schepselen van een dorre berekening eigen is,
maar gesproken wordt zij eigenlijk nergens. Zij is een in verschillende
streken eenigszins uiteenloopende schriftelijke representant van de
eenheid der Noorweegsche dialecten.
Men moet de energie der menschen bewonderen, die dit tot stand gebracht
hebben. Maar niet alleen hun energie,--niet minder hun genie. Want het
verbazingwekkend succes, dat het landsmaal gehad heeft, is zeker voor
het grootste deel hieraan toe te schrijven, dat kort na haar ontstaan
een paar schrijvers van den allereersten rang het tot voertuig hunner
gedachten gemaakt hebben.
De schepper van het landsmaal is eigenlijk één man geweest, Ivar Aasen,
een boerenzoon uit Zuid-Møre (een landschap op de Westkust), die zijn
jeugd in groote armoede heeft doorgebracht en als zoovele beroemde
Noorweegsche schrijvers zich door ontberingen een weg heeft moeten
zoeken. Aasen was een grammatisch genie. Als autodidact kwam hij zonder
hulp van anderen tot de ontdekking, dat het dialect, dat hij sprak, de
voortzetting was van die taal, die eeuwen geleden in Noorwegen gesproken
_en geschreven_ werd, en die eene schoone letterkunde had voortgebracht.
Eerst schreef hij van dat dialect eene grammatica (1841); daarna stelde
hij zich een breedere taak, namelijk het bewerken eener spraakkunst van
de Noorweegsche volkstaal: _Det norske Folkesprogs Grammatik_ (1848, in
tweede uitgave van 1864 betiteld _Norsk Grammatik_), waarop een
woordenboek volgde: _Ordbog over det norske Folkesprogs_ (1850; later
_Norsk Ordbog_ 1873). Hierin is ook de woordenschat der andere dialecten
opgenomen. Nu ontbrak er nog maar aan, uit die dialecten eene algemeene
taal te scheppen, waarin wel het Westlandsch overwoog, maar toch ook uit
andere dialecten zou worden opgenomen, wat algemeen verstaan kon
worden. Zulk een taal heeft Aasen geschapen en in zijn geschriften
gebruikt. Anderen volgden zijn voorbeeld; er ontstonden vereenigingen
voor 'maalstræv' (_stræv_, het streven, werken voor iets), en het doel
werd op den duur, deze taal te maken tot de eenige, die in Noorwegen
burgerrecht had, en haar het Deensch-Noorsch te laten verdringen.
Het is natuurlijk gekomen tot een strijd tusschen de aanhangers van het
landsmaal en het bymaal ('stadstaal'). De invloed van dien strijd op het
bymaal is geweest, dat ook deze taal zich in een nog sneller tempo in
nationale richting ontwikkeld heeft, dan misschien anders het geval zou
zijn geweest. De tegenstelling is daardoor een gansch andere geworden
dan die, welke een paar tientallen jaren vroeger bestond in den boezem
van het toen alleenheerschende Deensch-Noorsch. De vraag was toen:
aansluiting bij Denemarken of eigen ontwikkeling? Thans willen beide
talen Noorsch zijn, maar de aanhangers van een van beide talen ontkennen
het Noorsch karakter der andere, terwijl die der andere (van het bymaal)
den nadruk leggen op het willekeurige, dat er in eene gemaakte taal is.
Van tijd tot tijd ontstaat een compromis; weldra ontbrandt de strijd dan
opnieuw. De taal, die de meeste concessies doet, is het bymaal; de
laatste concessie bestaat in een overeenkomst omtrent gelijkheid in
spelling voor de beide talen. Maar sommige flexievormen uit het
landsmaal zijn tegelijk toegelaten. Het landsmaal is van het project van
een man, die bij velen voor een zonderling doorging, geworden tot eene
taal, door de regeering erkend en beschermd, die in scholen onderwezen
en van vele kansels en in meer dan één theater gehoord wordt.
De ontwikkeling van het landsmaal is gegaan in de richting van nader
aansluiting aan de gesproken taal. De blik van Aasen was door zijn
taalhistorische studiën in hooge mate gericht op het Oudnoorsch. Hij
heeft eene voorliefde voor oude vormen, en ofschoon hij de levende taal
wil gebruiken, steunt hij niet alleen voornamelijk op die dialecten, die
het meest van de oude taal bewaard hebben, dat zijn de Westlandsche
dialecten, maar hij heeft ook een neiging tot archaïseeren, die
voornamelijk is toe te schrijven aan den invloed van de groote
autoriteit dier dagen, den historicus P.A. Munch. Zelf gebruikt hij het
landsmaal in zijne gedichten, maar zoowel door uitsluitend gebruik in
poëzie als door de genoemde archaïstische tendenties behield deze taal
een aristocratisch karakter. De eerste, die haar in proza gebruikte, was
Aasmund Vinje, over wien hieronder gesproken wordt. Dit beteekent tevens
een eerste poging tot democratiseering van het landsmaal; het moet de
gewone schrijftaal voor het volk worden. Tegen het uitsluitend gebruik
van Westlandsch dialect kwam daarna Fjørtoft op, een politiek schrijver
van zeer radicale richting. Hij wil, dat ieder zich eenigszins naar zijn
dorpsdialect zal richten, en dat door het op deze wijze ontstaande
contact der dialecten op den duur een gemeenschappelijke taal zal
ontstaan. Zelf schreef hij in zijn blad _Fram_ (1871-73) een dialect uit
Zuid-Møre, maar met elementen uit het Oostlandsch en het Nordenfjeldske
(de streek ten Noorden van het Dovrefjeld). Ook andere richtingen deden
zich gelden. Den sterksten invloed heeft Arne Garborg gehad door de
groote uitbreiding zijner boeken. Zijn taal is ook in hoofdzaak
Westlandsch, maar al wat archaïstisch is, laat ook hij vallen. Zijn taal
is het voorbeeld voor vele jongere schrijvers. Volkomen eenheid is
echter in het landsmaal nog niet bereikt.
Maar wel is de macht en het prestige dier taal aanhoudend toegenomen.
Sedert 1889 is het een verplicht onderwijsvak in de kweekscholen voor
onderwijzers; sedert 1892 wordt het ook in de volksscholen onderwezen en
is aan de gemeenteraden overgelaten, of de school leerboeken in
landsmaal of in bymaal zal gebruiken, en sedert 1897 worden
wetsvoorstellen in beide talen ingediend.
Een der merkwaardigste dichters, die Noorwegen gekend heeft, in sommige
opzichten wel de origineelste van allen, is Aasmund Vinje geweest. Zijn
originaliteit hangt samen met de bijzondere omstandigheden, waaronder
hij zich ontwikkeld en geschreven heeft. Er is in zijn leven een
tegenstelling, die op zijn denken inwerkt, eene, die bij een aantal
Noorweegsche schrijvers en dichters bestaat, maar misschien bij geen
ander zoo groote proporties aanneemt als bij hem. Hij is de zoon van een
_husmand_, d.i. een kleinen boer, die op een _plads_ (kleine
boerenwoning, in tegenstelling met boerderij) woont. In armoede is hij
opgegroeid; de beste jaren van zijn jeugd heeft hij den arbeid van een
boerenknecht verricht. Tot de studie komt hij langs den volgenden weg.
Zijn vader is soldaat geweest en wil den jongen tot elken prijs van den
krijgsdienst vrijhouden. De eenige wijze, waarop een onbemiddeld man,
die zich niet met geld kan vrijkoopen, hieraan kan ontkomen, is, dat hij
den staat als schoolmeester dient. Daarom wordt den knaap met zoo gering
mogelijke kosten de kennis bijgebracht, die hij daartoe noodig heeft.
Verder is hij aan zich zelf overgelaten. Maar zijn lust, om te leeren,
is zoo grenzenloos, dat hij in een oogwenk heeft opgestoken, wat op den
cursus, dien hij volgen moet, te halen is, en nu werkt hij zich al
hongerend omhoog op de geestelijke ladder, tot hij, wat kennis betreft,
tot de bekwaamste mannen van het land behoort. Die kennis echter
vervreemt hem van de klasse, waaruit hij is voortgekomen, maar zij
bewerkt niet, dat hij in eene andere klasse wordt opgenomen, en er
ontstaat in hem een tweespalt. Door geboorte en natuurlijke sympathie is
hij een man van het volk; door zijn ontwikkeling is hij
geestesaristocraat, althans gedurende een lange periode van zijn leven.
Hij gevoelt zich in geen enkele maatschappelijke klasse thuis en wordt
in geene klasse gewaardeerd. De menschen, met wie hij van gelijken
oorsprong is, gevoelen den afstand in levensopvatting, die gevolg is van
het aangeleerde; van diegenen, met wie hij door zijn lectuur in nader
aanraking zou kunnen komen, scheiden hem niet alleen natuurlijke
sympathieën, maar ook al dat, wat uit boeken niet geleerd kan worden.
Maatschappelijk bruikbaar is hij niet, en dat juist mede ten gevolge van
zijn deugden. Immers, de sterke geestelijke ontwikkeling, die hij ook op
rijper leeftijd blijft doormaken, is oorzaak, dat hij ieder oogenblik
zijn meeningen verandert, ook op zulk gebied, waar het voor een eer
geldt, eene vaste overtuiging te hebben. Daar hij zich gaarne op
politiek gebied beweegt, bezorgen deze veranderingen van overtuiging hem
aan alle zijden vijanden. Hij bezit ook niet de gave, om zich op andere
wijze bemind te maken; hij is onhandig en mist de eerste beginselen van
goede manieren. Zelfs eten kan hij niet zóó, dat hij geen aanstoot
geeft. In zijn oordeel over personen en zaken is hij volkomen
subjectief, en hij bedenkt zich geen oogenblik, om op alle tijden en
plaatsen met dat oordeel voor den dag te komen, ook daar, waar hij door
zulke openhartigheid zich zelf slechts schaden kan. Zoo is hij dan tot
eenzaamheid gedoemd, en zóó geschiedt het, dat, wanneer al eens een deur
voor hem geopend wordt, het in den regel niet lang duurt, alvorens hij
daarbuiten gezet en de deur weer gesloten wordt. Een korten tijd heeft
hij een ondergeschikte betrekking op een regeeringsbureau bekleed. Toen
deed hij een heftigen aanval op de regeering--en werd ontslagen.
Vinje gevoelde zich in het leven ter zijde gezet, en van zijn standpunt
niet zonder grond. Hij was zich bewust, dat hij veel meer kennis bezat
dan vele anderen, die goed betaalde ambten bekleedden, en dat hij
gedoemd was, gebrek te lijden, omdat hij het niet over zich kon
verkrijgen, een blad voor den mond te nemen. Een diepe bitterheid kon
zich van hem meester maken. Maar deze kwam in strijd met zijn aangeboren
optimisme, met zijn onmiddellijk natuurgevoel, met zijn niet te schokken
geloof aan vooruitgang. Zoo kreeg Vinje den dubbelen blik op het leven,
die voor hem zoo karakteristiek is; zoo komt hij er toe, tegelijk de
lichtzijde en de schaduwzijde te zien. Hij wordt een ironicus en een
humorist.
Het is moeilijk, in weinige woorden te zeggen, waarin de beteekenis van
Vinje gelegen is. Het oordeel zal verschillend zijn, naar gelang men let
op de onderwerpen, waarover hij geschreven heeft, of op zijne meest
bijzondere gave. Vinje had eene groote veelzijdigheid van belangstelling
en eene uitgebreide kennis, en hij heeft over tal van dingen geschreven.
Maar als kunstenaar had hij een beperkt en eenzijdig talent, en hierin
is de eigenlijke eenheid van zijn persoon te zoeken.
Het grootste deel van Vinje's geschriften is in de jaren 1858-1870
verschenen in een blad, dat hij zelf uitgaf en bijna geheel alleen
gevuld heeft, _Dølen_ ('De Dalbewoner'). Hij schreef daarin over alle
denkbare zaken. Vinje was behalve dichter vooral populair philosoof; hij
had echter ook groote kennis van litteratuur, van natuurwetenschappen,
van oeconomie, landbouw, politiek en nog vele andere dingen.
Een eigenlijk man van de wetenschap in den zin van een zelfstandig
onderzoeker was hij niet, maar evenmin was hij een popularisator van
wijsheid van anderen, want hij had op alle dingen een eigen blik, en
wanneer hij, wat uiteraard dikwijls het geval was, zakelijk niets nieuws
had te zeggen, dan sloeg hij toch een eigen toon aan, dan verbond hij
toch met de wijsheid uit de tweede hand een eigen gevoelsinhoud, en het
zijn die gevoelsinhouden, die stijl, die eigenaardige combinaties, die
humor, die maken, dat hij zoo vermakelijk is, en die aan zulke
geschriften een blijvende beteekenis geven. De bedoeling dier
geschriften was, de verlichting te brengen, waaraan de Noorweegsche
plattelandsbewoner in zoo hooge mate behoefte had, en die hij nu
toegediend kreeg door een van zijn allernaasten, die hem door en door
kende. _Dølen_ werd dan ook veel gelezen; de geestige toon trok aan.
Maar betalen deed men niet of slecht, en bij herhaling heeft het blad
moeten ophouden bij gebrek aan bedrijfskapitaal. Na verloop van eenige
maanden, wanneer men hem dood waande, stak _Dølen_ dan plotseling weer
het hoofd op.
Maar in hooger mate dan populair philosoof en verbreider van nuttige
kennis was Vinje dichter. Dat blijkt reeds uit hetgeen hierboven gezegd
is over de ware beteekenis van zijn populaire geschriften. Niet altijd
komt de dichter voor den dag. Wanneer Vinje niet in de stemming was, kon
hij dor en soms vervelend schrijven. Maar geraakt hij op dreef, dan
tintelen zijne geschriften van geest. Onder zijne prozaïsche werken
staat hier bovenaan _Ferdaminni_ (Reisherinneringen), een boek, dat
eerst stuksgewijze in _Dølen_ is verschenen. _Ferdaminni_ is de
beschrijving van een tocht naar Trondjem, dien de schrijver in 1860
maakte, om de kroning van koning Oscar bij te wonen. Vinje vertelt hier
op frissche wijze van land en volk. De conceptie doet denken aan Heine's
Reisebilder, met name aan de Harzreise; wij vinden hier bovendien
dezelfde ontvankelijkheid voor indrukken van de natuur, dezelfde
verrassende sprongen van geest. Maar Vinje's boek is rijper; men kan
zien, dat het door een man van ervaring geschreven is, en dat zijn
geestigheid minder de vrucht is van jeugdige opgewondenheid en overmoed
dan van den dubbelen blik, waarop hierboven reeds de aandacht gevestigd
werd.
Een eigenschap, waardoor Vinje zich van zijn tijdgenooten in hooge mate
onderscheidt, is zijn uitgesproken realisme. Dit kan onder meer blijken
uit de kritiek, die hij in 1859 schreef op Bjørnson's _Arne_ (de tweede
dorpsvertelling). Die kritiek heeft vele gebreken, maar in één verwijt
heeft de geschiedenis hem recht gegeven, namelijk hierin, dat Bjørnson
de boeren niet goed kende en hun gevoelens toedicht, die aan de
stadsmenschen van dien tijd ontleend zijn. Vinje stond in die dagen met
dat oordeel alleen. Wel moet hier in aanmerking genomen worden, dat
Bjørnson's boeren en Vinje's boeren niet dezelfde menschen zijn. Het
verschil tusschen een rijken boer, die eene hoeve bezat, en een
_husmand_, tot wier klasse Vinje behoorde, was misschien even groot als
dat tusschen een stadskoopman en een arbeider, maar toch vormen de
boeren, groote en kleine, tegenover ambtenaren, waartoe ook de
predikanten behooren, uit wier stand Bjørnson is voortgekomen, een kring
met bijzondere kenmerken, en deze kende Vinje. De groote boeren zag hij
niet met vriendelijke oogen aan; misschien heeft hij ze ook niet altijd
billijk beoordeeld, maar wanneer hij in _Ferdaminni_ en elders hun
zwakke zijde laat zien, dan geeft hij toch werkelijkheidsbeelden en geen
romantiek.
Overigens was litteraire kritiek niet het fort van Vinje, en dit is ook
zeer begrijpelijk. Vinje was subjectivist en mensch van stemming; wat
hem sympathiek was, kon hij waardeeren; ontbrak de sympathie, dan
ontbrak ook het vermogen, om te verstaan. Op eigenaardige wijze is dit
onder anderen gebleken in zijn uitingen over Ibsen's _Brand_. In de
dagen, toen hij zich pas in Kristiania ophield, heeft hij een korten
tijd met den toen nog jeugdigen Ibsen samengewerkt. De beide dichters
hadden elkander leeren kennen in Heltberg's studentenfabriek, die in
dien tijd door iedereen bezocht werd, die student wilde worden en niet
den gewonen weg wilde of kon gaan. Zij hebben toen in het jaar 1851 te
zamen met nog een derden man, Botten Hansen, een blad uitgegeven, dat
eerst naar eene vignetteekening den naam _Manden_ (De Man) kreeg en
later omgedoopt is tot _Andhrimnir_ (de naam van den kok in Valholl).
Dit blad was een navolging van het Deensche blad _Corsaren_, dat door
Goldschmidt werd uitgegeven. De jonge mannen lieten zich daarin op
harcelleerenden toon uit over de maatschappij en alles, wat daarin
omging. Hun satyre lieten zij los en zij oefenden zich, voorzoover
oefening nog noodig was, in een vrij gebruik van den mond. De uitgevers
ontmoetten elkander alleen in dit negatieve doel, om kritiek te oefenen.
Bij gebrek aan positieven inhoud legde Andhrimnir het na negen maanden
af. Ibsen ging toen als theaterregisseur naar Bergen, en een geestelijke
toenadering heeft later niet meer plaats gehad. En wederzijdsche
waardeering was er ook niet. In _Peer Gynt_ ontmoeten wij Vinje als
Huhu, die naar Marokko gaat, om de zoo oorspronkelijke taal der
orangoetangs te spreken. Toen _Brand_ verscheen, heeft Vinje dit
dichtwerk bij herhaling besproken. Hij begint, met het te prijzen, maar
op een zeer wonderlijke wijze; hij vat het namelijk als een welgelukte
farce op. Het idealisme van Brand kan hij slechts als scherts verstaan.
"Hij is te razend krankzinnig, om ernstig te wezen," zegt Vinje. Een
paar maanden later (in den herfst van 1866) is ook deze lof te veel;
Vinje fulmineert nu tegen Ibsen, omdat hij onvriendelijke dingen over
Noorwegen gezegd heeft. Wanneer Vinje door hartstocht werd gedreven, kon
hij veel zeggen, dat hij moeilijk kon verantwoorden. Zijn vijanden
hebben niet nagelaten, in zijn kritieken op _Arne_ en op _Brand_
uitingen van afgunst te zien tegen twee jongere dichters, die door het
geluk zooveel meer begunstigd waren dan hij. Het is moeilijk, iemands
drijfveeren te kennen. Iedere menschelijke handeling, ook ieder oordeel,
is het gevolg van meer dan één oorzaak. Maar wanneer men vraagt, of die
hypothese van afgunst noodzakelijk is, om Vinje's houding te verklaren,
dan moet het antwoord ontkennend luiden. Vinje's hartstocht laat zich
begrijpen uit zijne geheele positie tegenover zijn tijd. Vinje stond
alleen, en hij meende alleen te staan met de waarheid. Waar sprake was
van litteratuur, daar was de vraag naar de waarheid in zijn oogen bijna
identiek met de vraag naar de taal. Vinje was met hart en ziel
landsmaalsman, en het succes van dichters, die het bymaal gebruikten,
kwam hem in zijn eenzijdigheid voor, een succes van het Deensch te zijn
tegenover het Noorsch. Wanneer nu zulk een dichter, die 'Deensch'
schreef, bovendien nog aan Noorwegen verweet, dat het Denemarken niet te
hulp was gesneld, dan moest een man van Vinje's geestesgesteldheid al
spoedig vinden, dat hij klappen verdiende in plaats van litterair
succes.
Men moet hier ook Vinje's onvermogen, om het idealisme te begrijpen, in
aanmerking nemen. Indien er iets is, wat hem zot moest voorkomen, dan is
het wel, dat iemand zijn leven geeft voor een denkbeeld, dat in de
practijk toch niet doorgevoerd kan worden. Bij al zijn eruditie is Vinje
zijn leven lang de respectlooze boerenjongen gebleven, die hij door
geboorte was. Een groot deel van zijn geestigheid berust op dat nuchtere
gebrek aan respect, maar dit brengt ook mee, dat hij niet ziet, dat er
dingen zijn, die boven zijn horizont uitgaan. Innig kan hij wezen, maar
voor het verhevene heeft hij weinig begrip, en een religieuze gedachte
is hem te abstract.
Van de andere zijde moet er hier de aandacht op gevestigd worden, dat,
wanneer men Vinje's uitvallen tegen Ibsen niet alleen opvat als
litteraire kritiek, maar ook als uitingen van een overtuiging omtrent
practische politiek, zij in een ander licht komen te staan. De dichters
konden gemakkelijk zeggen, dat Noorwegen aan Pruisen den oorlog moest
verklaren; de staatslieden dachten er anders over, en zeker niet zonder
grond. Maar onder de schoone geesten stond Vinje met zijn opvatting
alleen. Zijn afkeer van het tot het uiterste gedreven idealisme hangt
samen met zijn beter inzicht in de realiteit.
Vinje's belangrijkste levenswerk--men moge het prijzen of laken--is dat,
wat hij voor het landsmaal gedaan heeft. Hij heeft er voor
geijverd,--dat is één ding, maar vooral--hij heeft het gebruikt, en hij
heeft het zóó gebruikt, dat na hem niemand kan zeggen, de Noorweegsche
letterkunde te kennen, die niet ook landsmaal leest.
Als dichter toont Vinje dezelfde eigenschappen, die den prozaschrijver
kenmerken, subjectivisme en den ironischen dubbelen blik. Dikwijls
begint hij, met zich inderdaad of schijnbaar aan eene stemming over te
geven, tot aan het slot de schalk om den hoek komt kijken en de stemming
verstoort. Ook hierin herinnert hij aan Heine. Maar er zijn ook vele
gedichten, waarin ééne stemming tot uiting komt en tot het einde toe is
volgehouden. Als voorbeeld voor intieme schoonheid en innigheid moge de
zang aan Jotunheim (het groote bergland in het Westland) genoemd worden,
die opgenomen is in zijn gedichtencyclus _Storegut_.
Het ligt voor de hand, dat de begaafdheid van een dichter met de
hierboven beschreven eigenschappen in de eerste plaats lyrisch is.
Inderdaad zijn ook naast enkele prozastukken, vooral naast _Ferdaminni_,
Vinje's lyrische gedichten de beste voortbrengselen van zijn geest. Tot
de lyriek moet ook gerekend worden de zoo even genoemde cyclus
_Storegut_. Wat de compositie betreft, kan men _Storegut_ vergelijken
met _Arnljot Gelline_ of met Runeberg's _Fänrik Staals Sägner_: het is
een groep lyrische en tevens vertellende gedichten, gegroepeerd om een
historische persoon of gebeurtenis. Voortgang is er eigenlijk niet in
het gedicht; de opmerking is wel gemaakt, dat sommige stukken zeer goed
zouden kunnen gemist worden of op eene andere plaats staan, zonder dat
de werking van het geheel daardoor geschaad zou worden. Ook de
karakteristiek van Storegut gaat weinig in bijzonderheden; hij is sterk
en goedmoedig; hij heeft het dikwijls hard te verantwoorden, maar hij
kent ook oogenblikken van vreugde; hij komt door verraad van een
valschaard om. Maar de gedichten worden hierdoor bijeengehouden, dat zij
voor het meerendeel stemmingen van één persoon schilderen. En er zijn
ware meesterstukken onder.
Wanneer Vinje in andere litteraire genres zijn kracht beproeft, dan
schiet hij te kort, dan blijkt het, dat het hem zoowel aan psychologie
als aan inzicht in de eischen der compositie ontbreekt. Aan Vinje kan
men een onderscheid bestudeeren, dat dikwijls over het hoofd wordt
gezien, het onderscheid tusschen dichter en kunstenaar. Dichter was hij
in hooge mate, kunstenaar in zeer geringe. Onmiddellijkheid bezat hij in
dien graad, dat hij alleen daarom een genie mag heeten. Hij bezat ook
oor voor den klank van de taal. Maar hij bezat niet het overleg, het
inzicht in de eischen der kunst, dat noodig is, om eene stof zoo te
verdeelen, dat de onderdeelen tot hun recht komen. En hij had daartoe
ook niet het geduld. Wat hij schreef, drukte hij af; voor herzien bleef
geen tijd over. En het kan ook niet verwonderen, dat een dichter, zoo
subjectief als Vinje, die _Brand_ voor een farce aanziet, geen
psycholoog was. Het gebrek aan deze eigenschappen kon door geen
theoretiseeren over de kunst, waar Vinje zich somtijds, ofschoon op
wonderlijke wijze, aan overgeeft, worden vergoed. Vinje heeft een drama
geschreven, _Olav digre_, dat niet uitgegeven is, maar waarvan de
proeven, die zijn biograaf meedeelt, zoo verbijsterend zijn, dat men
zich afvraagt, hoe een dichter van dezen rang zulke platheden heeft
kunnen schrijven. De verklaring ligt hierin, dat hij ook zich zelf niet
kende en zich de grenzen van zijne gaven evenmin bewust was als de
grenzen der stijlsoorten. Dit hangt samen met zijne naïveteit, waaraan
wij ook zooveel moois te danken hebben. Het zijn zulke gebreken, die
aanleiding hebben gegeven, dat men Vinje den geniaalsten dilettant
genoemd heeft. Toch is dat oordeel niet geheel billijk, wanneer men let
op de zekerheid, waarmee hij binnen zijn grenzen het juiste treft.
Vinje heeft ook een satyrisch gedicht geschreven, dat niet voltooid is.
De stukken, die gereed waren, heeft hij in _Dølen_ uitgegeven. _Staale_
heet het gedicht. Het moet de meening illustreeren, dat een
onafhankelijk man, die zijn eigen weg gaat, in de maatschappij
mishandeld wordt. Dit zijn dingen, die in den dichter zelf zijn
omgegaan. Maar de wijze, waarop dat in beeld gebracht wordt, vereischt
toch weer compositie, en de schildering van maatschappelijke kringen
vereischt intieme kennis van die kringen, waarin Vinje weer te kort
schiet. _Staale_ is dan ook veel minder gelukt dan _Storegut_.
Een bijzondere plaats onder Vinje's werken neemt een boek over Engeland
in: _Bretland og Breterne_. Het is geschreven in den tijd, toen Vinje
nog de hoop had, een Europeesch schrijver te worden. Zijn gering succes
in Noorwegen schreef hij aan de kleine verhoudingen in het vaderland
toe. Hij reisde toen naar Engeland, om de Engelsche maatschappij te
bestudeeren, en tevens misschien met de heimelijke hoop, om daar voor
zich een weg te vinden. Zijn eindoordeel was niet gunstig; de
tegenstelling tusschen rijk en arm vond hij er erger dan in het eigen
land, en de menschen vond hij er niet beter. Hij heeft met den ransel op
den rug groote stukken van het land doorreisd en zich overal opgehouden,
waar hij maar toegang kon krijgen. Toen heeft hij zijn bevindingen
opgeschreven en zoo eene zeker niet objectieve, maar zeer belangwekkende
bijdrage gegeven tot de kennis der Engelsche maatschappij. Maar door
zijn onzacht oordeel heeft hij het Engelsche publiek afgestooten--de
Times liet zich zeer onvriendelijk uit--, en daarmee was zijn uitzicht
op succes in den vreemde afgesneden.
Over de blijvende beteekenis van Vinje is het laatste woord nog niet
gesproken. Tijdens zijn leven is hij onderschat, al had hij ook enkele
vrienden, die hem waardeerden, en al wist de menigte ook, dat hij een
dekselsche grappenmaker was. Zijn maatschappelijke gebreken zoowel als
zijn weifelende houding in politieke vragen, die door de tijdgenooten
niet werd begrepen, stonden hem in den weg. Na zijn dood is strijd over
hem geweest. Hij is diep verguisd, en hij is ten hemel verheven. Maar
bij het oordeel over hem heeft dikwijls een omstandigheid den doorslag
gegeven, die in dat verband ten onrechte op den voorgrond werd gebracht:
men heeft hem geprezen, omdat hij maalsman was, en men heeft hem
gelaakt, omdat hij maalsman was. De zaak is echter, dat hij maalsman was
uit overtuiging en dus als zedelijk persoon hiervoor lof verdient, dat
hij de zaak, waaraan hij zijn hart gegeven had, trouw gediend heeft.
Maar zijn beteekenis als dichter hangt niet hiervan af, welke taal hij
geschreven heeft, maar _hoe_ hij geschreven heeft, eerst in bymaal,
daarna--het meeste en het best--in landsmaal. Die beteekenis zal pas
algemeen gewaardeerd kunnen worden, wanneer de taalstrijd zoover zal
bedaard zijn, dat een oordeel zonder hartstocht mogelijk is. Bij velen
is dit thans het geval. Maar zoolang de uitersten der maalsmannen
voortgaan, aan de taal van Ibsen het recht te ontzeggen, Noorweegsch te
heeten en in Noorwegen gesproken te worden, zullen zij zelf verhinderen,
dat aan Vinje recht gedaan wordt. En dat is een verlies voor Noorwegen,
want Vinje is een der grootste dichters van dat land geweest.