3. _Het hooggespannen Idealisme_.

In 1834 had Welhaven gevraagd, wat de herinnering aan een groot

voorgeslacht baat, wanneer zij niet tot eigen daden aanspoort. In de

jaren 1860-70 zouden dergelijke tonen klinken, maar nog scherper en nog

meer op den man af. Een bijzonder geluid zouden zij krijgen door

politieke gebeurtenissen, die de tegenstelling tusschen droom en

werkelijkheid in een pijnlijk licht zouden stellen.

De romantiek had de poëzie ver van de werkelijkheid weggevoerd. Den

helden uit de oudheid kon men de eigenschappen toedichten, die men

wilde. Men kon hen laten bezield zijn door groote hartstochten en groote

gedachten; zelfs hun misdaden konden het gevolg zijn van gebreken, die

nu eenmaal met groote karakters onafscheidelijk verbonden waren. Ook de

maatschappij, waarin zij geleefd hebben, behoorde tot het verleden; de

dichters konden die vormen, zooals zij wilden. Maar voor dichters, die

niet geheel in eene fantastische wereld leefden, lag de vergelijking met

de werkelijkheid voor de hand. En wanneer men daartoe overging, waren

verder twee dingen mogelijk. Of men bracht het oude type korter bij dat

van den eigen tijd en dempte zoodoende de kloof. Zóó deden eigenlijk van

den beginne af die poëten, voor wie de oudheid slechts costuum leverde.

Op deze wijze was het mogelijk, de romantiek voort te zetten. Maar dan

was het ook niet veel meer dan een spelletje. Of men legde den maatstaf

der geïdealiseerde helden aan den eigen tijd aan, en men kwam tot een

veroordeeling van dezen. Dezen weg is Ibsen gegaan. _Dat_ hij hem ging,

ligt in zijn aanleg en in de natuurlijke ontwikkeling van het

geestesleven; de romantiek moest haar tegenstelling voortbrengen. De

wijze, waarop hij hem gegaan is, is in hoofdzaak door de gebeurtenissen

van 1864 bepaald.

Een gewichtige stap in de nieuwe richting heeft Ibsen echter reeds in

1862 gedaan; reeds _Kærlighedens Komedie_ toont de beginnende reactie

tegen de romantiek, die in _Brand_ en _Peer Gynt_ wordt voortgezet.

'Reactie' is slechts tot op zekere hoogte het juiste woord. De kritiek

geldt niet de schildering van ideale personen, maar het goede geloof,

dat de werkelijkheid aan die schildering beantwoordt. Idealist, als

Ibsen is, houdt hij nog de geïdealiseerde personen voor de normale,

maar hij plaatst hen in het milieu van zijn tijd en toont in het

conflict, dat hierdoor ontstaat, wat de tijd te kort schiet. Falk en

Svanhild, Brand zijn romantische figuren in hoogste potentie, maar

geplaatst in een nieuw daglicht,--dat van heden. Van des dichters

standpunt is het begrijpelijk, dat Brand op het verwijt, dat hij ziek

is, antwoordt: "Neen, gezond en frisch, als de pijnboom op de hoogte,

als de jeneverstruik op den heuvel; maar het is het zieke geslacht van

den tijd, dat behoefte heeft, om genezen te worden." Pas in _Peer Gynt_

laat Ibsen de ideale figuur los en stelt daarvoor den met volksromantiek

gevulden droomer in de plaats. Deze drie stukken vormen zoodoende een

overgang van het historisch-romantisch drama naar het met _De Unges

Forbund_ beginnende realistische drama. Van ééne zijde vertegenwoordigen

zij het uiterste standpunt der romantiek, van de andere zijde, door den

achtergrond, dien de werkelijkheid vormt, het begin van het realisme.

In de ontwikkeling van Ibsen, als geheel beschouwd, vormen de drie

genoemde stukken een overgangslid. Maar door hun monumentale beteekenis

vormen zij een zelfstandige groep. Zij hebben ook gemeenschappelijke

kenteekenen in gedachteninhoud en in vorm. Hun gemeenschappelijke

gedachte ligt in de vraag: "wat wordt er van het ideaal in eene

maatschappij van halve menschen?" In het realistisch drama draait de

dichter later de vraag om en laat haar luiden: "wat wordt er van

menschen zonder ideaal?" Wat den vorm betreft, hebben de drie drama's

gemeen, dat zij in overeenstemming met de verheven stemming in verzen

geschreven zijn. Met den overgang naar het realistisch drama gaat Ibsen

tot de taal van het gewone leven, het proza, over.

Omtrent de directe aanleiding tot het schrijven van _Kærlighedens

Komedie_ (De Comedie der Liefde) weten wij niet veel. Er wordt een zeker

verband aangenomen met den roman _Amtmandens Døtre_ van Camilla Collett

(1855). Deze begaafde vrouw was opgekomen tegen het conventie-huwelijk

vóór het huwelijk uit liefde. Ook op eene andere wijze bestaat er, naar

het schijnt, een samenhang tusschen Camilla Collett en _Kærlighedens

Komedie_. In de jaren, toen de vijandschap tusschen haar broeder

(Wergeland) en Welhaven het heftigst woedde, bestond er een innige

vriendschap tusschen haar en Welhaven. Deze vriendschap, die niet tot

een verbinding geleid heeft, schijnt Ibsen bekend te zijn geweest, en

Camilla uit zich ook over Ibsen's drama op eene wijze, waaruit blijkt,

dat zij daarbij aan haar jeugdgevoelens denkt. (Zie hierover Mathilde

Schjøtt in haar opstel over Camilla Collett).

Bij Ibsen is niet alleen de conclusie, maar ook de vraag, die gesteld

wordt, eene andere. De vraag is niet, hoe een huwelijk het best terecht

zal komen, door liefde of door een ander middel, maar hoe er van de

liefde wat terecht zal komen. En het antwoord luidt: niet door het

huwelijk. En wanneer men goed toeziet, dan zijn hier de maatschappelijke

conventies, die als moordenaars der liefde worden aangevoerd, nog niet

eens haar ergste vijanden. Tegen dezen zouden Falk en Svanhild het nog

opgenomen hebben. Maar het is de begeerte, het is het eeuwige samenzijn,

het zijn de eischen, die de partijen onherroepelijk op den duur aan

elkaar gaan stellen, waarop ten slotte het sterke gevoel schipbreuk moet

lijden. Door deze gezichtspunten is _Kærlighedens Komedie_ niet

uitsluitend een maatschappelijke satyre, maar een diep menschelijk

gedicht. Falk en Svanhild worden zich bewust, dat ook hun gevoel, hoe

sterk ook, toch tegen het leven niet bestand zal zijn; maar hun liefde

langzaam te zien sterven, daarvoor huiveren zij. Liever moet zij jong en

frisch sterven en daardoor naar een hoogere sfeer worden overgebracht.

Zij kiezen den eenigen uitweg, die hun van hun ideaal standpunt

overblijft,--zij besluiten, van elkander te gaan en elkander in de

herinnering te bewaren--'voor de eeuwigheid te winnen', heet het

hier,--liever dan hun liefde in het leven te zien ondergaan. Zij doen

dit echter niet klagend, maar dankend: "Nu kan ik je _blij_ missen voor

dit leven", is de afscheidsgroet.

Het spreekt wel van zelf, dat _Kærlighedens Komedie_ niet verstaan, en

dus ook niet vriendelijk ontvangen werd, en dat over de moraal van het

stuk heel wat dwaze oordeelvellingen zijn uitgesproken. Als recept voor

de practijk is het ook zeker niet van algemeene bruikbaarheid, maar dat

was ook ongetwijfeld niet de bedoeling van het drama, en de moralisten

behoeven niet te vreezen, dat Falk en Svanhild veel navolgers zullen

vinden. Het is niet alleen door idealisme gedragen, de gedachte is ook

volkomen consequent doorgevoerd, en eene machtige poëzie maakt hier

natuurlijk, wat in het leven althans zelden voorkomt. In macht van

poëtische uitdrukking is hier een hoogtepunt bereikt.

_Kærlighedens Komedie_ is echter niet alleen een hoog-romantisch

gedicht, het is ook eene scherpe satyre. Tegenover Falk en Svanhild,

wier liefde als een vuurpijl de lucht in gaat en in scheiding haar

hoogtepunt bereikt, worden een aantal andere paren geplaatst, van

verschillenden leeftijd: jong-verloofden, lang verloofden, lang

gehuwden, eene weduwe. In deze menschen wordt de liefde, zooals zij zich

in de maatschappij openbaart, bespot. Nuchterheid, bezorgdheid voor het

dagelijksch brood, gebrek aan moed, aan vreugde, aan poëzie,--ziedaar

de verwijten, die allen treffen. Falk onttrekt zich aan dit gild der

vrijenden en huwenden, en hier valt hij aan het einde met zijn dichter

samen. Een studentenquartet komt, om Lind op te halen, die met hen de

bergen in zou gaan. Maar Lind is nu verloofd, wat een tante aanleiding

geeft, om te zeggen: "zoodat jullie begrijpen kunt, dat hij in het groen

niets te zoeken heeft." In plaats van Lind gaat Falk mee. Als de

studenten klagen, dat zij nu hun tenor missen, verschijnt Falk en zegt:

"dien zing ik in het koor van Noorwegens jeugd."

De tenor uit het quartet is de dichter, naar wien het jonge Noorwegen

reeds luistert. Hij bezit een instrument met dubbelen klankbodem, "één

hoog, voor de vreugde van het leven, en één, die beneden trilt, diep en

lang."

Gansch anders is de stemming in _Brand_. Maar tusschen _Kærlighedens

Komedie_ en _Brand_ ligt het jaar 1864, dat op eene heel andere wijze de

werkelijkheid naar voren bracht dan de waarneming, dat de liefde niet

altijd tot den jongsten snik bewaard blijft, dat doet.

Wij moeten ons de stemmingen voor den geest brengen, die sedert ca. 1850

ten opzichte van Denemarken heerschten. De tegenstelling tusschen de

ultra-patriotten en de vrienden van Denemarken, die omstreeks 1830 in

den strijd tusschen Wergeland en Welhaven tot uiting was gekomen, was

van karakter veranderd. De volksromantiek had de Denenvrienden tot een

bij uitstek nationale partij gemaakt, en van de andere zijde hadden vele

patriotten van de oude soort hun vaderlandsch gevoel onder zekere

reserves tot de broedervolken uitgestrekt, en zoo was dan het

Skandinavisme geboren. Anti-Deensch was men nog, waar het er op aankwam,

een overwegenden invloed van Deensche instellingen tegen te gaan. In de

zaken, bij voorbeeld, die het theater betroffen, hebben Ibsen en

Bjørnson, beide anders groote vrienden van Denemarken, heftig gestreden

voor het bevorderen van Noorsche kunst en het weren van Deensche

tooneelspelers. Op gelijke wijze was men op bepaalde punten--al zulke,

die het bestuur van het land aangingen--anti-Zweedsch. Maar deze dingen

beschouwde men bij voorkeur als interne geschilpunten, die niet

meetelden, wanneer de familie der 'broedervolken' tegenover vreemden

kwam te staan. Hier trok men één lijn en stelde men zich ook voor, als

één man te staan. Naast het bijzonder-Noorweegsch patriottisme

ontwikkelde zich dus zeer sterk een Skandinavisch patriottisme; slechts

eene kleine minderheid, die in die jaren niet zeer luid sprak en

waarnaar nog minder geluisterd werd, wees de toenadering tot Denemarken

en Zweden van de hand. In de beide andere landen ontwikkelden zich in

die jaren gelijksoortige gevoelens, en deze werden versterkt door de

gebeurtenissen in naburige landen, met name de sterke machtsontwikkeling

van Pruisen, waarvan men gemeenschappelijke gevaren duchtte. Met het

ideaal van Noorwegens zelfstandigheid lieten deze gevoelens zich

vereenigen in de voorstelling van drie zelfstandige staten, die elkander

naar buiten zouden steunen, terwijl zij hun onderlinge betrekkingen in

vrijheid zouden regelen. Het enthousiasme voor het Skandinavisme uitte

zich in feestelijke bijeenkomsten zooals de hierboven (p. 40) genoemde

studentensamenkomst te Upsala in 1856, waarbij Bjørnson tegenwoordig

was.

Toen kwam het jaar, waarin de broederlijke gevoelens de vuurproef zouden

doorstaan. In 1864 begon Pruisen den oorlog tegen Denemarken. Ofschoon

Karel XV den wensch koesterde, het aangevallen land te hulp te komen,

werd door de regeeringen in Stockholm en in Kristiania anders besloten,

en het Noorsche Storting hield zich rustig. In het Studentenverbond

echter besloot men, een adres aan de Deensche studenten te zenden, ten

einde uitdrukking te geven aan meegevoel.

Deze houding van Noorwegen heeft op Ibsen een diepen indruk gemaakt en

de pessimistische stemming doen rijpen, die in _Brand_ tot uiting komt.

Wij kunnen in Ibsen's werken, vooral in gedichten, de stemmingen nagaan,

waarmee hij de gebeurtenissen gevolgd heeft. Reeds werd er hierboven op

gewezen, dat in _Kongsemnerne_ de gedachte aan een in broederschap

vereenigd Skandinavië herkend kan worden in Hakons groote

koningsgedachte. Maar er bestaan ook veel directer aanduidingen. Reeds

in 1849 schreef Ibsen naar aanleiding van den eersten Sleeswijkschen

oorlog een 'oproep aan de Noorsche en Zweedsche broeders' onder den

titel _Vaagner, Skandinaver!_, waarin onder anderen gewezen wordt op het

gevaar, dat ook hen bedreigt (Efterladte Skrifter I, 31). In 1851 bracht

hij Denemarken hulde in een gedicht ter gelegenheid van een

Deensch-Noorsch studentencongres (_For Danmark_, Efterladte Skr. I, 87).

In 1863 riep hij in een welsprekend gedicht, _En Broder i Nød_, zijn

landgenooten op, om de zijde van Denemarken te kiezen, voor het te laat

is. Dan valt de slag, en Ibsen verlaat Noorwegen. Een gedicht van 1864

uit Rome: _Troens Grund_ (De Grond van het Geloof) bericht op

sarcastische wijze van een ervaring op die reis. De dichter had, zoo

zegt hij, zijn oproep (d.i. _En Broder i Nød_) over zijn volk

geslingerd; hij ging op reis. In de kajuit converseerden de passagiers

over den val van Dybbøl, over de jonge Noorsche vrijwilligers.

Inderdaad, van één was een neef weggeloopen, een ander miste zijn

handelsbediende; men had dus belang bij de zaak. Op de sofa zat een

oude dame, flink en ferm; velen troostten haar of spraken bezorgdheid

uit over haar eenigen zoon. Maar vol vertrouwen knikt zij; over _hem_ is

zij gerust. De dichter bewondert haar en vindt, dat zijn volk toch nog

leeft in het geloof der vrouw. Tot het blijkt, wat de grond van haar

zekerheid is. Haar zoon was krijgsman in het Noorsche leger.

Interessant is het gedicht _Til de Medskyldige_ (Aan de Medeschuldigen),

een inleidende groep strofen bij de fragmenten van den epischen

_Brand_,--een voorstudie voor het drama, dat denzelfden titel

voert,--die na Ibsen's dood het licht zagen. Hier ontmoeten wij een

positieve breuk met de nationale romantiek. 'Medeschuldig' noemt hij

zijn landgenooten; de ware schuldigen echter zijn de dichters, is hij

zelf ook. Het volk was dood, maar de dichters hebben het lijk met

bloemen getooid en gedaan, of het levend was. In den nacht van het heden

hebben zij gezongen over den dag van het verleden, maar zij hebben

verzuimd, deze vraag te stellen:

"Kan den med Rette tage Arvens Skat,

som fattes Haanden, der skal Arven løfte?"

(Kan hij met recht den schat van het erfgoed zich toe-eigenen, die

de hand mist, welk het erfgoed moet opnemen?)

Niet alleen de gedachte is van Welhaven; ook de woorden herinneren

direct aan deze verzen uit Norges Dæmring:

"Ti Glandsen, der i Ahne-Hallen brænder,

kan ei fortabes, er en hellig arv,

der falder renterig til Folkets Tarv,

naar det kan hæve den med voxne Hænder!"

(Want de glans, die brandt in de hal der voorvaderen, kan niet

verloren gaan, is een heilig erfgoed, dat rentegevend het volk ten

goede komt, wanneer dit het met volwassen handen kan opnemen).

In de situatie en in de stemming bestaat echter dit verschil, dat

Welhaven in 1834 zich ergerde over leege blufferij, terwijl de daden nog

op zich laten wachten, maar de hoop uitspreekt, dat het eenmaal anders

zal worden. In 1864 is het Noorweegsche volk werkeloos gebleven, waar

handeling vereischt werd. Ibsen verklaart het volk voor dood. Het zou

lang duren, voor Ibsen de indrukken van 1864 kon vergeten. Pruisen

blijft voor hem het land van bruut geweld. In 1870 laat hij zich

daarover scherp uit in zijn _Ballonbrev til en svensk dame_, waaruit ik

alleen deze twee verzen citeer:

"Thi mod skønhed hungrer tiden,

Men det ved ei Bismarck's viden."

(Want naar schoonheid hunkert de tijd; maar dat weet Bismarck's

wijsheid niet).

En nog eenmaal geeft hij zeer scherp lucht aan zijn gevoelens in 1872

naar aanleiding van eene rede van Bjørnson. Ook deze dichter had de

gebeurtenissen van 1864 met spanning gevolgd. Ook hij had aansporingen

uitgezonden, om Denemarken te hulp te komen, en na den val van Dybbøl

klaagde hij: _Da Norge ikke vilde hjælpe_. In 1870 was men in

Skandinavië zeer gespannen. Men wachtte van eene Fransche overwinning

herstel voor Denemarken. De eerste berichten omtrent Duitsche

overwinningen wilde men niet gelooven. Maar toen Frankrijk verslagen

was, kwam Bjørnson tot de overtuiging, dat men 'de signalen moest

veranderen'. En hij werd Pangermanist. Pangermanisme was slechts een

verbreed Skandinavisme, datgene, waarop men af moest sturen, was een

zelfstandig Noorwegen in Skandinavië en een zelfstandig Skandinavië in

een groot Germanië. Hij ging zoover, daarover in Kopenhagen voordrachten

te houden. Deze omslag van Bjørnson, door hem zeker eerlijk bedoeld,

maar van weinig inzicht getuigend, veroorzaakte een levendigen

pennestrijd. Ibsen nam daaraan tegen zijn gewoonte deel en schreef

_Nordens Signaler_ (later opnieuw uitgegeven in Samlede Værker X, 567),

een gedicht vol vlijmenden spot:

"Der er omslag ivente! klem paa med talerne!

Vejrhanen paa fløjen har forandret signalerne."

(Er is omslag te wachten! Zet door met de toespraken! De weerhaan

op den vleugel heeft de signalen veranderd).

_Brand_ verscheen in 1866. Wie dit gedicht leest, zonder de invloeden

te kennen, waaronder het ontstaan is, zal niet terstond bemerken, dat de

Sleeswijksche oorlog daarvoor een zoo overwegende beteekenis gehad

heeft. Wel bevat 'Brand' nog een aantal directe toespelingen; vooral de

monoloog in het vijfde bedrijf is hier en daar tamelijk doorzichtig.

Maar het drama zou niet de beteekenis voor de wereldlitteratuur hebben,

die het heeft, indien de dichter het niet boven de gebeurtenissen van

den dag verheven had. Het stuk speelt in Noorwegen, en de menschen,

waarmee Brand te doen heeft, zijn Noorweegsche menschen, maar gelijke

ervaringen had Brand overal kunnen opdoen. Brand is een idealist

pur-sang, en hij wil de menschen in zijne omgeving tot idealisten maken,

die als hij alles offeren aan een denkbeeld. Hij geraakt met allen in

conflict en wordt uitgestooten. Dat het conflict van religieuzen aard

is, is in zeker opzicht bijkomstig; immers het is niet de keuze van het

ideaal, maar de trouw daaraan, waarover het stuk loopt. Er zijn

personen, die trekken geleverd hebben voor de figuur van Brand. Maar dit

betreft toch het uitwendige. Toevallige gebeurtenissen als deze, dat de

predikant Lammers de staatskerk verliet, zijn niet de diepere grond voor

het ontstaan van Brand. Evenmin als Agnes haar ontstaan er aan te

danken heeft, dat Ibsen eens in werkelijkheid getroffen is door een

repliek, die hij later aan Agnes in den mond legt. Een reden, om Brand

tot een religieuzen held te maken, is zeker wel geweest, dat het

religieuze leven in Noorwegen zulk een rol speelde, dat men uit zoo vele

monden de phrases kon hooren, waarmee Brand ernst maakt. Er was zeker

geen gebied, waar de tegenstelling tusschen woord en handeling met meer

klem kon worden duidelijk gemaakt, dan het religieuze.

Brand is een heele persoonlijkheid, en hij maakt op echt Ibsensche wijze

zijn ideaal tot werkelijkheid. Niet door ook maar één proseliet te

maken, maar door voor dat ideaal te leven en zijn leer met zijn dood te

bezegelen. Wat hij zoekt, is Gods genade, maar hij is overtuigd, dat

deze alleen door offers te verkrijgen is. Brand's laatste verzoeking,

nadat de menigte hem met steenen verdreven heeft, bestaat in het visioen

van Agnes, die hij verloren heeft. De verschijning wil hem overtuigen,

dat zijn strijd vergeefsch is, dat hij haar terug zal krijgen, wanneer

hij afziet van zijn eisch: 'alles of niets'. Maar hij erkent in het

visioen een list van Satan, en hij wijst het terug. Nu eerst kan hij

weenen en juichen; nu klinkt, wanneer de lawine hem bedekt, de mystieke

stem: 'Hij is deus caritatis'.

Ibsen zegt in een zijner brieven (Breve I, 254), dat _Kærlighedens

Komedie_ een voorlooper van _Brand_ is. Hij heeft op deze plaats het

oog op de kritische zijde van beide stukken en zegt, dat hij in het

eerste geschilderd heeft 'de in onze sociale verhoudingen heerschende

tegenstelling tusschen de werkelijkheid en den idealen eisch in alles,

wat liefde en huwelijk aangaat'. Uit den samenhang blijkt, dat in

'Brand' dezelfde tegenstelling op religieus gebied wordt

aangetoond,--natuurlijk niet in de hoofdpersoon, maar in de overigen.

Maar de samenhang bestaat ook in de levensopvatting en

karakterontwikkeling der helden. Brand's 'eeuwig bezit men slechts het

verlorene' herhaalt Falk's 'nu heb ik je voor dit leven verloren, maar

ik heb je gewonnen voor de eeuwigheid'. Slechts is de uitdrukking nog

praegnanter geworden. De kristalliseering der gedachte tot woorddiamant

heeft plaats gehad.

Op _Brand_ volgt in 1867 _Peer Gynt_. Nog heeft Ibsen met zijn volk niet

afgerekend. Ditmaal echter zendt hij niet een boetepredikant onder hen,

maar hij voert het volk zelf ten tooneele in één typischen representant.

Peer Gynt is niet een Noorweger, maar het Noorweegsche volk, zooals de

dichter het ziet. Zijn voornaamste eigenschappen zijn neiging tot

grootspraak en karakterloosheid. Hij redeneert veel over het begrip,

'zich zelf te zijn', maar in zijn devies heeft hij, zonder het te

bemerken, achter het woord 'zelf' het woord 'genoeg' geschreven. Hij is

zich zelf genoeg, een egoïst in plaats van een persoonlijkheid. Zijn

levenswandel getuigt daarvan, en daarom wordt ook aan het einde

verklaard, dat hij zich zelf heeft uitgewischt. De hoofdoorzaak van

zijne geestelijke lamheid is gebrek aan gevoel voor de werkelijkheid.

Hij is een fantast, die leugen en waarheid niet onderscheiden kan. Dit

komt van zijne opvoeding; zijne moeder heeft hem opgevoed met sprookjes,

die gebruikt werden met hetzelfde doel, waarmee een ander brandewijn

gebruikt,--om de zorgen te vergeten. Hier wordt de romantiek

rechtstreeks veroordeeld als de geestesrichting, die het Noorweegsche

volk in een droomwereld heeft doen verdwalen. (Men vergelijke het

hierboven geciteerde gedicht: 'Aan de Medeschuldigen').

In gelijke mate als van _Brand_ geldt van _Peer Gynt_, dat de dichter de

stof boven den strijd van den dag verheven heeft. Het nationale geeft de

toonsoort aan, waarin het stuk gestemd is, maar het menschelijke

overweegt; in _Peer Gynt_ kan ieder zich zelf terugvinden. De grootere

afstand in den tijd van de dingen, die den dichter ontstemd hadden,

heeft ook zekere verzachting meegebracht. De spot is scherp, maar het

beteekent toch al een verandering, dat er gespot en niet gevloekt wordt.

Naast den spot treedt ook--in tegenstelling met _Brand_ een element van

meegevoel op. Daaraan hebben wij te danken, dat Peer Gynt een levend

individu is geworden. Misschien is dit wel de hoofdverdienste van het

dichtwerk. Hierover zou veel te zeggen zijn; ik moet mij echter beperken

en verwijs daarom naar hetgeen ik hierover in 1919 in het tijdschrift

Neophilologus geschreven heb.

Het is treffend, dat dit stuk, waarin Ibsen voorgoed afscheid neemt van

de romantiek, in zeker opzicht het meest romantische van al zijn drama's

is. Het wemelt er van onwerkelijke wezens, van figuren uit de

sprookjeswereld, heksen, trold, dovregubben en zijn dochter; doode

voorwerpen als het standbeeld van Memnon, de sphynx van Gizeh zijn tot

personen gemaakt; inwendige stemmen krijgen gedaante. Het is, of de

dichter er vermaak in geschept heeft, met al deze figuren, voor hij ze

vaarwel zeide, nog eens naar hartelust te sollen. Ook het metaphysische

slot is zoo onwerkelijk mogelijk. Van beteekenis is het, dat al deze

wonderlijke figuren nog iets anders beteekenen, dan wat zij schijnen.

Een trold is alleen voor het uiterlijk de reus uit het volksgeloof, in

waarheid beteekent hij den egoïst; Memnon is de wijsheid der eeuwen, die

aan Peer Gynt raadselen opgeeft; de vreemde passagier is het ontwakend

geweten. De weg van romantiek naar realisme voert hier over symboliek en

allegorie.

Noorwegens Letterkunde in de Negentiende Eeuw · 第 26 / 44 题