2. _De historiseerende Romantiek_.

In de romantiek vertoont zich naast de neiging tot het populaire, die in

zooverre ook een historisch element bevat, als men in het volk den

drager eener historische traditie ziet, ook eene voorliefde voor de

historie in meer eigenlijken zin, die hierin bestaat, dat men aan

historische persoonlijkheden zijn aandacht schenkt. In Denemarken treden

beide richtingen in het begin der eeuw op; dezelfde dichter, die meer

dan allen de volksoverlevering cultiveerde, Øhlenschläger, heeft ook tal

van historische drama's geschreven. Ook in Noorwegen ligt er geen groote

afstand tusschen de eene en de andere groep van verschijnselen, maar de

bloeitijd is niet geheel dezelfde, en het geheel valt later dan in

Denemarken. In 1830 schreef H.A. Bjerregaard[14] een historisch drama

_Magnus Barfods Sonner_ (De zonen van M.B.), en reeds vroeger had

dezelfde dichter in lyrische en vertellende gedichten een nationalen

toon aangeslagen. Deze gewrochten behooren tot de periode van den

nationalen bombast; verdere beteekenis hebben zij niet. Alleen verdient

zijn gedicht _Sønner af Norge_ van 1820 genoemd te worden, dat het

nationale lied van het land geweest is, tot het door Bjørnson's _Ja, vi

elsker dette Landet_ werd vervangen.

In de periode, die daarop volgde, is A. Munch (geb. 1811) de

vruchtbaarste schrijver geweest. Hij heeft gedichten, vertellingen en

drama's geschreven. Zijn eerste verzameling is van 1836, zijn laatste

omvangrijke werk van 1880. Zijn bloeitijd valt in de periode van

1850-1864. Van de meesten zijner tijdgenooten onderscheidt hij zich,

doordat zijn horizont ruimer is. Hij heeft historische studiën gemaakt;

hij heeft gereisd. Zijn onderwerpen ontleent hij niet zelden aan de

geschiedenis, en daarbij gaat hij ook buiten het eigen land. En hij

waagt zich bij herhaling aan het drama. Hij heeft een gemakkelijken

stijl en eene gemakkelijke versificatie. Maar hij mist origineele

gedachten en psychologische diepte, en hij werkt volgens recepten. De

romantiek vindt, dat een held uit de oudheid mooi is;--een

liefdesgeschiedenis met wraak is ook mooi; onze dichter meent nu, dat

eene verbinding van die twee dingen dus de dubbele hoeveelheid

schoonheid moet bezitten. Zoo schrijft hij dan in 1837 zijn eerste drama

_Kong Sverres Ungdom_ (De Jeugd van Koning Sverre), waarvan de inhoud

deze is, dat de koning, die een meisje in den steek gelaten heeft, door

haar op listige wijze tot wanhoop wordt gebracht, wanneer zij door eene

intrigue weet te bewerken, dat zij voor zijne oogen vermoord wordt. Een

historischen achtergrond heeft dit avontuur niet, en in het bekende

karakter van koning Sverre is ook niets, dat aanleiding geeft, om hem

zoo'n afgrijselijke meisjesgeschiedenis toe te dichten; het avontuur kon

dan ook even goed met Andreas Munch gebeurd zijn als met koning Sverre.

Maar door dezen historischen naam krijgt de sentimenteele fabel een

historisch tintje. Het is slechts uit de litteraire armoede van den tijd

te verklaren, dat Munch een tiental jaren over den Noorschen parnassus

een soort heerschappij oefende. In meer dan één genre had hij volstrekt

niemand naast zich. Munch is echter oud geworden en heeft het ongeluk

gehad, zijn roem te overleven, ofschoon hij tot het laatst is

doorgegaan, het eene boek na het andere uit te geven. Hij stierf in 1884

op 73-jarigen leeftijd.

De jongere generatie liet Munch niet met rust. Reeds zijn aan de

Engelsche geschiedenis ontleende tragedie _William Russel_ (1857) werd,

ofschoon het publiek verrukt was, door de kritiek met zeer gemengde

gevoelens ontvangen. Ibsen prees het stuk in een uitvoerige bespreking

(Saml. Værker X, 381), maar de later beroemde historicus Ernst Sars,

toen jong student, was van een ander oordeel, en dat oordeel is

merkwaardigerwijze ook door Ibsen vereeuwigd in _Kærlighedens Komedie_,

waar hij een bekrompen dame, Frøken Skære, haar verontwaardiging laat

uiten over een student, die zóó laag, zóó onbeschoft, zóó gemeen was, om

zelfs _William Russel_ te critiseeren. Het stuk wordt hier dus

voorgesteld als de norm van het schoone bij een geslacht van geestelijke

plebejers.

Nog grooter tegenspoed had Munch met de tragedie _Hertug Skule_, die in

1864 het licht zag. Want het ongeluk wilde, dat kort te voren Ibsen's

_Kongsemnerne_ was verschenen, waarin dezelfde Skule de held was. De

vergelijking was doodend;--hiermee had het aanvoerderschap van Munch in

de Noorweegsche letterkunde een einde.

Het historisch drama is dus in Noorwegen ouder dan de volksromantiek in

al haar schakeeringen. Wanneer het toch zijn hoogtepunt later bereikt

dan deze, dan is de oorzaak, dat het eene latere plaats inneemt in de

ontwikkeling van den dichter, in wien zoowel het lyrisch als het

historisch drama culmineeren. Onder zijn handen krijgt het historisch

drama stijl en wordt het tot een psychologisch drama.

Stijl ontleenen deze stukken aan Ibsen's studie van de sagalitteratuur.

Ook voorgangers hadden stoffen aan de saga's (dat zijn oud-IJslandsche

vertellingen, deels van historischen inhoud) ontleend. Zoo stamt bij

voorbeeld de stof voor Munch's _En Aften paa Giske_ uit Snorris Oláfs

saga helga[15]. Maar het was Munch alleen te doen om de fabel en om de

nationale namen; de wijze, waarop de personen met elkander spreken, is

die van den eigen tijd. Ibsen heeft den stijl der saga bestudeerd en

zijn eigen stijl er naar gevormd. Het korte, het karakteristieke, het

persoonlijke staat op den voorgrond. De replieken vallen zóó, dat niets

meer en niets minder gezegd wordt dan dat, wat voor de situatie en met

het oog op het karakter der personen van beteekenis is. De weekheid der

voorgaande periode verdwijnt; in de plaats daarvan treedt eene

kernachtige uitdrukking, zoo rijk aan inhoud, als zij kort van vorm is.

Wanneer men den sagastijl laat gelden als het kenmerk van Ibsen's

romantisch-historische drama's, dan behooren twee drama's, wier stof

insgelijks aan de geschiedenis ontleend is, daartoe niet of in minder

mate. _Catilina_ valt geheel buiten het kader; het is de eerste uiting

van den onafhankelijken dichtergeest bij een jong man, die nog geen tijd

gehad heeft, om een richting te kiezen. De keuze der stof is hier het

gevolg van de omstandigheid, dat hij voor het examen Sallustius las; het

jonge genie wist uit die examenopgave nog een stuk poëzie te halen.

Uiteraard is het stuk in hoofdzaak lyrisch, maar ook de lyriek is niet

die van de romantiek, maar van den jeugdigen oproerling. Bij alle gebrek

aan rijpte heeft dit stuk een wonderlijke bekoring behouden.

_Fru Inger til Østraat_ (geschreven 1854, uitgegeven 1857) staat korter

bij de volgende stukken. Maar de stijl is nog niet zóó gevormd, en de

ontwikkeling der karakters en gebeurtenissen is nog niet zoo natuurlijk

en consequent. Door de opeenhooping van verschrikkelijkheden krijgt men

den indruk, dat de dichter onder den invloed van het--insgelijks

romantische--gruweldrama geweest is. Vergissingen en domheden spelen bij

de ontknooping een grootere rol, dan de dichter hun later zou gunnen.

Maar kleur van tijd en plaats zijn aanwezig, en de karakters zijn scherp

geteekend. Het nieuwe drama is in aanmarsch.

De twee duidelijkste vertegenwoordigers van het genre zijn _Hermændene

paa Helgeland_ (1857) en _Kongsemnerne_ (1864). Van deze beteekent het

tweede het hoogtepunt. Vele jaren later heeft Ibsen nog één historisch

drama geschreven, maar dit behoort niet meer geheel in den hier

bedoelden zin tot de romantiek, en het neemt door zijn wereldhistorische

en diep-menschelijke beteekenis een aparte plaats in Ibsen's productie

in.

De stof voor _Hermændene_ en _Kongsemnerne_ is aan de Noorsche oudheid

ontleend. In een enkel opzicht vormt _Hermændene_ nog een overgang van

het lyrische drama naar het historische. Het conflict van het stuk stamt

niet uit de geschiedenis, maar uit de romantische litteratuur der

middeleeuwen; het is de fabel van Brynhild in haar verhouding tot den

man, dien zij heeft, en den man, voor wien zij bestemd was, zooals de

_Volsungasaga_ die meedeelt, welke hier met grootendeels andere namen

wordt opgedischt. De _Volsungasaga_ behoort niet tot de beste saga's,

vooral stilistisch is veel op haar aan te merken, maar zij gebruikt stof

uit de Edda, en zóó gaat _Hermændene_ in laatste instantie terug op eene

stof, die in de oudheid lyrisch en episch bezongen is in gedichten, die

met de latere volkspoëzie punten van aanraking hebben. Het conflict is

ook van gelijken aard als dat, dat reeds in het lyrische drama _Gildet

paa Solhoug_ behandeld was. Wanneer desniettegenstaande _Hermændene_ met

recht tot een ander genre geteld wordt dan _Gildet paa Solhoug_, dan is

de oorzaak geheel gelegen in de wijze van behandeling, in den stijl.

Maar de stijl is dan ook niet die der _Volsungasaga_, maar die der

historische saga, met wier studie de dichter zich in den tusschentijd

had beziggehouden. De heldin en de helden zijn gevormd naar het

voorbeeld der IJslandsche familiesaga's, der _Egilssaga_, der

_Njálssaga_,--en hier is de stijl een andere dan in de _Volsungasaga_.

Men kan dus met recht zeggen, dat in _Hermændene_ de familiesaga in

dramatischen vorm herleeft. De namen Sigurd en Gunnar stammen uit de

_Volsungasaga_, maar Gunnar gelijkt meer op een anderen Gunnar, die in

de _Njálssaga_ voorkomt, dan op den zwakkeling, die, wanneer men op het

schema der vertelling afgaat, zijn voorbeeld is.

En dan toont de dichter hier voor het eerst de ijzeren consequentie,

waarmee hij de geschiedenis ten einde voert. Interessant is ook uit dit

gezichtspunt eene vergelijking van het slot van _Gildet paa Solhoug_ met

het slot van _Hermændene_. In het lyrisch drama, dat door stemmingen

beheerscht wordt, is de oplossing nog in den alledaagschen zin

bevredigend. De eenige man, die het leven verliest, is de nietswaardige

Bengt; de ongelukkige vrouw zoekt vrede in een klooster; de onbedorven

jeugd, die in den strijd is meegesleept, ontkomt aan de gevolgen en wint

het geluk. In _Hermændene_ is de hartstocht een stormwind, die alles

wegvaagt, vriend en vijand, en ook voor de geteisterde vrouw is de dood

de eenige uitweg. Naast een vierjarig kind blijft van iedere partij één

man in leven; deze sluiten vrede en zoeken te zamen nieuwe avonturen op.

Op geheel andere wijze is _Kongsemnerne_ (De Kroonpretendenten) een

historisch drama. Hier zijn zoowel de stof als het coloriet aan de

geschiedenis ontleend. En het zijn niet de psychologisch interessante,

maar historisch onbeteekenende familietwisten, die den inhoud vormen,

maar gebeurtenissen, die voor het wel en wee van Noorwegen gedurende

langen tijd beslissend geweest zijn. Althans in de oogen van Ibsen. Want

hij maakt de hoofdpersonen tot dragers van eene gedachte. Het is, van

die zijde gezien, de eenheid van Noorwegen, waarover _Kongsemnerne_

handelt. Tot nu toe stond het ééne landschap tegenover het andere, en de

geschiedenis van het land bestond uit een aaneenschakeling van twisten

tusschen gewesten; koning Hakon is geroepen, daaraan een einde te maken

en de Noorweegsche stammen te vereenigen tot opbouwenden arbeid. Harald

Hárfagri had Noorwegen tot een _rijk_ gemaakt; nù moet het een _volk_

worden. Skule representeert den ouden tijd, Hakon den nieuwen. Maar als

Hakon deze gedachte heeft uitgesproken, wordt Skule daardoor als

bezeten; hij wil het nu zijn, die haar realiseert. Doch niet hij is

daartoe geroepen; men kan niet de gedachte van een ander tot de zijne

maken; voor Skule blijft na een vergeefschen opstand niet anders over,

dan te sterven voor de groote koningsgedachte, waarvoor het hem niet

gegeven is, te leven.

Hier is een perspectief, hier is een horizont, ruimer dan de

Noorweegsche letterkunde nog gezien had. Hoe komt de dichter aan dit

perspectief? Doordat hij de oudheid ziet in het licht van zijn eigen

tijd. Niet, dat hij gedachten, die in zijn tijd leefden, zonder meer

naar de oudheid overbracht, maar met behulp van het heden tracht hij

door een analogiebesluit het verleden te verstaan. Het Skandinavisme was

opgekomen; het bevatte eene nieuwe gedachte van eenheid. De dagen, die

kwamen, zouden de Skandinaviërs tot broeders maken, gelijk Hákon

Hákonsson Noorwegen tot een volk had gemaakt. Die gedachte was toen zoo

nieuw als de andere thans, en thans kon men de ongeloovigen op de dagen

van Hákon wijzen, gelijk Hákon Skule wijst op de dagen van Harald

Hárfagri. Het nieuwe broederschap was in feestelijke samenkomsten

beklonken. Reeds naderde de dag, waarop het op de proef zou worden

gesteld, Pruisen maakte zich gereed, om Denemarken te overweldigen.

Welke houding zou Noorwegen aannemen? Ibsen verwacht, dat de daden, die

op de woorden moeten volgen, niet zullen uitblijven. Zijn oproep:

_Vaagner_ (wordt wakker), _Skandinaver_! getuigt er van.

En toch, niettegenstaande dit idealisme is niet Hakon, maar Skule de

interessantste figuur van het drama. Want _Kongsemnerne_ is niet alleen

een tijdgedicht--het is ook een psychologisch-philosophisch gedicht.

Skule is de twijfelaar en als zoodanig een beeld van ééne zijde van den

dichter. Skule gevoelt eene roeping, en tegelijk twijfelt hij aan zijne

roeping; in den strijd met dien twijfel gaat hij ten gronde. Waar is

zijn schuld? De dichter plaatst een vraagteeken. Koning Hakon houdt over

hem de lijkrede: 'Skule was Gods stiefkind op aarde'. Dat wil wel

zeggen, dat God geen rekenschap van zijn daden geeft, en zoo doet het

denken aan de harde leer van den pottenbakker, die vaten tot oneer

noodig heeft. Daardoor is Skule een voorlooper van Keizer Juliaan, den

grooten twijfelaar, die uitverkoren schijnt te zijn, om door zijn

tegenstand het Christendom te prikkelen en tot overwinning te brengen,

en zelf daarbij onder te gaan.

Een tijdvak van negen jaren scheidt _Kongsemnerne_ van het geweldigste

van Ibsen's historische drama's: _Kejser og Galilæer_. De romantische

droomen lagen achter den rug; de dichter heeft reeds met zijn volk

afgerekend; hij is gereed, om uit den vreemde, waar hij zich ophoudt, de

reeks moderne drama's (_nutidsdramer_) te openen, die aan de letterkunde

van een nieuw tijdvak haar karakter zal geven, als hij inhoudt[16], om

nog eenmaal zich in een historisch onderwerp te verdiepen en figuren uit

de oudheid in een dramatisch werk tot ons te laten spreken. Maar ditmaal

geldt het niet Noorwegen, maar de menschheid, en de strijd is niet die

van een hertog tegen een koning, maar van een keizer over het machtigste

wereldrijk tegen zijn bestemming. Er bestaat ongetwijfeld een nauwe

verwantschap tusschen hertog Skule en keizer Juliaan. Maar Juliaan is de

meest tragische figuur. Want bij hem nog meer dan bij Skule wordt de

lezer tot de overtuiging gedreven, dat hij voorbestemd is geweest, om te

dwalen. Juliaan heeft een roeping. Van den beginne af komen stemmen tot

hem, die hem zeggen, dat hij 'het rijk' moet bevestigen. Maar welk rijk

dat is, weet hij niet. Hij zoekt het bij den God der Christenen, maar

het gaat hem als Kaïn; zijn offer wordt niet aangenomen. Hij zoekt dan

bevrediging in de scholen der wijsheid, maar hij ontvangt steenen voor

brood. In de mystiek echter hoopt hij licht te vinden. Daar leeft de

verwachting van een derde rijk, waarin de tegenstelling tusschen de

idealen der oude wereld en van het Christendom zal zijn opgeheven, en

waar een nieuwe Messias heerschen zal. De mysticus Maximus ziet in hem

dien verwachten Messias. De Christenen van hunne zijde vestigen hun hoop

op Juliaan en verlangen, dat hij hun Godsrijk ter overwinning zal

voeren. Juliaan wordt door twijfel heen en weer geslingerd. Maar in de

ure des gevaars, als zijn leven afhangt van een snel besluit, is hij

gedwongen den teerling te werpen. Om zijn leven te redden, moet hij zich

tot keizer laten uitroepen, moet hij het verbond breken met den

Galileër, die hem verbiedt, tegen zijn vorst op te staan. Er is hier een

tegenspraak in zijn leven. Om den eisch, dien de Galileër aan hem

persoonlijk stelt, te kunnen vervullen, moet hij leven, moet hij keizer

zijn; om te leven en keizer te zijn, moet hij tegen den Galileër

opstaan. Zoo bindt Juliaan dan te gelijk met den strijd tegen den

wettigen keizer ook dien tegen den Galileër aan. In naam herstelt hij

het heidendom; inderdaad wil hij het derde rijk stichten. Maar juist

deze strijd is het, waardoor hij het Christendom tot de overwinning

voert. Vóór dien tijd heerschte het Christendom in het uitwendige; het

was een wereldsche macht, maar ook alleen een wereldsche. Het verkeerde

in een toestand van zedelijk verval zonder weerga. Nauwelijks echter

begint de vervolging, of het heft zich uit zijn toestand van vernedering

op tot een nieuwe zedelijke hoogte, en Juliaan wordt het instrument,

waardoor dit doel bereikt wordt. Hij verliest den strijd tegen den

Galileër, maar zijn roeping heeft hij vervuld; het rijk, d.w.z. het

Godsrijk van het Christendom heeft hij bevestigd. Hij is een vat tot

oneer geweest, door den pottenbakker daartoe bestemd. Daarom zegt de

mysticus Maximus in de slotscene tot Basileus van Caesaraea: "Jullie God

is een verkwistende God; hij verbruikt vele zielen." Alleen Makrina

spreekt een zwak woord van hoop op vertroosting uit: "Verdwaalde

menschenziel,--_moest_ je dwalen, dan zal het je zeker ten goede

gerekend worden op dien grooten dag, wanneer de geweldige op de wolken

komt, om het oordeel uit te spreken over de levende dooden en de doode

levenden!"

Deze voorstelling van de beteekenis van de roeping, waarop het groote

drama in hoofdzaak is opgebouwd, is een band, die _Kejser og Galilæer_

direct aan _Kongsemnerne_ bindt. De voorstelling van de roeping is niet

geheel dezelfde gebleven. Men kan zien, dat het een probleem is geweest,

waarin de dichter zich jaren lang bij herhaling verdiept heeft. In

_Kongsemnerne_ is het begrip toch meer met Hakon verbonden dan met

Skule. Het is schoon, een roeping te hebben; Skule, die haar niet heeft,

wenscht die van Hakon te stelen. Wie ze heeft, dien vervult zij met

blijdschap. In de tusschenliggende stukken wordt het woord niet genoemd,

maar het begrip is toch aanwezig. In _Brand_ treedt de roeping op als

een eisch, die verschrikken kan. In _Peer Gynt_ is sprake van twee

wijzen, waarop een ziel zich kan photographeeren, positief en negatief;

in beide gevallen is het beeld aanwezig. Maar er wordt ook gesproken van

een mogelijkheid, dat een ziel zich uitwischt. Dat wil dan wel zeggen,

dat zij haar roeping verzaakt. In _Kejser og Galilæer_ blijven alleen de

twee eerste mogelijkheden over. Onttrekken kan de geroepene zich niet.

Dat hij zijn roeping vervult, is een noodzakelijkheid; onzeker is

alleen, hoe hij het doen zal, vrijwillig of gedwongen. Voor het

resultaat is dit hetzelfde, want de gang der historie laat zich niet

dwingen; voor den persoon zelf echter is dit een vraag van leven of

ondergang. En zelfs hier kan het gebeuren dat hij geen keus heeft; hij

kan geroepen zijn, om de booze handeling te doen, waaruit het goede

voortkomt. De 'roeping' krijgt zoodoende het karakter van noodlot, en

zóó wordt zij vastgemaakt aan de leer der uitverkiezing in haar

wreedsten vorm. Daarom is Juliaan, evenals Kaïn en Judas, een martelaar

voor de ontwikkeling, en daarom zegt Maximus, dat wanneer de

menschelijke geest zijn erfdeel weer in bezit zal hebben genomen, voor

deze drie martelaars een zoenoffer zal worden aangestoken.

Zóó ziet een philosophisch extract uit _Kejser og Galilæer_ er uit. Het

stuk zelf is heel iets anders. Het is een beeld van den geweldigsten

kamp, die misschien in de oudheid is uitgestreden, een kamp tusschen

levende menschen, levende scharen, gedreven door een machtig fanatisme.

Jaren van studie heeft de dichter noodig gehad, om de oude maatschappij

zóó in zich op te nemen, dat hij haar levend reproduceeren kon.

Levend--en stervend. Want het is een oude maatschappij, die sterft, eene

nieuwe, die opkomt, beide gerepresenteerd door tallooze krachten, die op

elkander inwerken, en uit wier samenspel de grootsche tragedie van

Juliaan's ondergang voor den dag komt. Al die uiteenloopende krachten

heeft Ibsen weten bijeen te houden en te laten samenwerken tot de

schitterendste effecten die de dramatische litteratuur van de wereld

kent.

Bij het schrijven van _Kejser og Galilæer_ had Ibsen meer historisch

materiaal, om op te bouwen, dan bij _Kongsemnerne_, en dit kan een der

oorzaken zijn, dat men nog sterker werkelijkheidsindrukken krijgt dan

bij het oudere drama. Ook was de dichter in den tusschentijd een ander

geworden. Zelf laat hij zich in een brief aan Daa van 23 Febr. 1873,

kort voor het verschijnen van _Kejser og Galilæer_, aldus uit:

"Overigens is er in het karakter van Juliaan, gelijk in het meeste van

wat ik op rijper leeftijd geschreven heb, meer, dat in den geest

doorleefd is, dan ik lust heb, het publiek mee te deelen. Maar het is te

gelijk geheele, volkomen realistische poëzie; ik heb de figuren voor

mijn oogen gezien in het licht van den tijd,--en wil hopen, dat de

lezers hetzelfde doen." In den zin, waarin de dichter hier het woord

opvat, is zijn gedicht zeker realistisch, maar dat geldt ook van de

stukken uit zijne romantische periode. In een lateren brief (aan

Brandes, 16 Oct. 1873), zegt hij, dat het stuk meer onder den invloed

der tijdsomstandigheden geraakt is, dan hij zelf heeft gedacht. Indien

het juist is, wat Henrik Jæger (Norsk Lit. hist. II, 673) vermoedt--en

tot op zekere hoogte is het nauwelijks te ontkennen--dat in de

teleurstelling van Juliaan, die het 'derde rijk' wilde stichten maar

slechts er toe kwam, het tweede rijk te bevestigen, een reflex is van de

teleurstelling van den dichter, die in de jaren vóór 1870 een nieuwen

tijd wachtte en nu zag, dat 1870 niet den tijd van de vrije, sterke

persoonlijkheid, maar dien van den geuniformeerden en gedisciplineerden

staatsburger had gegrondvest, dan is ook in deze wijze, om de oudheid

in het licht van den eigen tijd te zien, eene sterke overeenstemming met

de wijze, waarop de grondgedachte in _Kongsemnerne_ ontstaat onder den

invloed van politieke idealen van den tijd, waarvoor de dichter warm

was. Dit laatste van Ibsen's historische drama's is dus door sterkere

banden aan vroegere historische drama's verbonden en heeft daarmee meer

gemeen dan met de eerstvolgende stukken, die zich met maatschappelijke

problemen bezighouden.

Bjørnson heeft een heele reeks historische drama's geschreven: 1856

_Mellem Slagene_ (Tusschen de Gevechten), 1858 _Halte-Hulda_, 1861 _Kong

Sverre_, 1862 _Sigurd Slembe_, 1864 _Maria Stuart i Skotland_, 1872

_Sigurd Jorsalfar_ (Sigurd de Jeruzalem-reiziger). Bovendien behoort tot

de historiseerende romantiek de gedichtencyclus _Arnljot Gelline_

(1870). Afgezien van _Maria Stuart_ vallen al deze werken binnen het

kader der Noorweegsche geschiedenis. Een eigenaardig punt van

overeenstemming met de ontwikkeling van Ibsen's kunst bestaat hierin,

dat de beide eerste stukken tot eigenlijke stof

eene--gefingeerde--gebeurtenis uit het private leven hebben, terwijl pas

de volgende zich met historische persoonlijkheden bezig houden. In

_Mellem Slagene_ treedt wel is waar koning Sverre op, maar slechts als

deus ex machina in een rol, die zeker den historischen Sverre slecht

zou gepast hebben,--hij moet den vrede stichten tusschen twistende

echtelieden; feitelijk handelt het stuk over de gedeeldheid van een man

tusschen de plichten over zijn vrouw en over zijn vorst. _Halte-Hulda_

maakt alleen daardoor aanspraak op den titel 'historisch drama', dat de

handeling gezegd wordt, in de 13e eeuw te geschieden. Het conflict is

hier van gelijken aard als in _Hermændene_, en het is hier gelijk daar

de invloed der saga-litteratuur, die werkzaam is geweest. Neemt men in

aanmerking, dat de tijdsafstand tusschen _Hermændene_ en _Halte-Hulda_

nog geen jaar bedraagt, dan blijkt het wel, hoe op een bepaald oogenblik

de saga zich van de geesten had meester gemaakt. Haar te volgen, was de

natuurlijke taak van een dichter. Daarna wendt ook Bjørnson zich tot het

publieke leven, dat--wanneer men een stof uit de oudheid

kiest,--natuurlijk geconcentreerd is in de vorsten. Dit is de lijn, die

men bij beide dichters kan volgen, van de familiesaga, die minder de

stof levert dan wel een wijze van behandeling aangeeft, naar de

koningensaga, aan welke nu ook de stof zelf ontleend wordt.

Maar bij deze uiterlijke overeenstemming tusschen de beide dichters

blijft het. Overigens is de gelijkenis tusschen de historische drama's

van Ibsen en van Bjørnson niet groot. Vergelijkt men Bjørnson's

historische drama's met die van een vroegeren tijd, dan is er wel een

groote afstand. Bjørnson had levendigheid van geest en een groot lyrisch

talent. Hij verstond ook een stuk gemakkelijk in elkaar te zetten; hij

had altijd wat op het hart en wist, hoe hij dat zou meedeelen. Ook een

dialoog kon hij in gang houden. Maar een eigenlijk dramatisch dichter

heeft hij noch in deze periode, noch later getoond te zijn. In Noorwegen

wordt dit over het algemeen niet erkend; zijn groote populariteit, die

hij aan andere eigenschappen dankt, staat hier aan een onbevangen

oordeel in den weg. Om een dramatisch dichter van blijvende beteekenis

te zijn, miste hij de allereerste eigenschap, namelijk diepere

menschenkennis. Hij had kennis van de psychologie der massa; deze wist

hij te bewerken en te beheerschen, en op de redenaarstribune waren

weinigen tegen hem opgewassen. Maar gecompliceerde karakters verstond

hij niet, en daarom vallen zijn figuren zoo plat uit. De

individualiseering ontbreekt. De hoofdpersoon is in den regel

oppervlakkig gekarakteriseerd, de bijpersonen soms heelemaal niet, en

zoo is het dan dikwijls moeilijk, bij de lectuur deze laatsten van

elkander te onderscheiden, en het kan in deze historische drama's

gebeuren, dat men tegen het slot in de personenlijst moet nazien, wie de

man is, die spreekt. De handelingen dezer personen maken daarom ook

dikwijls een willekeurigen indruk; men ziet de noodzakelijkheid niet

in. Ik zal mijn oordeel toelichten aan _Sigurd Slembe_, het stuk, dat

doorgaat voor het beste van Bjørnson's historische drama's. Uitwendig

heeft de held eenige gelijkenis met Skule in _Kongsemnerne_. Als deze

tracht hij zich door misdaad een weg te banen tot den troon. Hij heeft

ook veel reden, om met zijn lot ontevreden te zijn. Zijn verzoek, om

zijn aanspraken, hierin bestaande, dat hij een zoon van een vroegeren

koning is, te mogen bewijzen, is beantwoord met een gevangenneming. Wel

trachten zijn vrienden den zwakken koning te bewerken, dat hij hem

vrijlaat, maar de vijanden zijn hun voor, en ternauwernood ontsnapt

Sigurd aan den dood. Nu besluit hij dan, den koning te vermoorden. Van

dat besluit is de lezer of toeschouwer geen getuige; men krijgt dus niet

precies te weten, wat er in hem is omgegaan, maar in den grond is een

toeval--de grootere haast van de vijanden--de oorzaak, dat Sigurd

misdadig wordt. In het leven zal zoo iets dikwijls voorkomen, maar een

psychologisch drama wordt er niet interessanter door, wanneer de

hoofdhandeling door een toeval bepaald wordt, en al de rhetorica, die

Sigurd besteedt om te vertellen, dat hij zijn hartstocht jaren lang

bedwongen heeft, overtuigt ons niet, dat wie zegt, zich zelf zoo goed

meester te zijn, ook niet had kunnen wachten, tot hij zich met zijn

vrienden beraden had, wat nu te doen stond, voor hij sluipmoordenaar

werd. Vooral, wanneer wij in aanmerking nemen, dat dezen hem

gewaarschuwd hebben, dat zij hem niet verder zullen volgen dan tot de

grens van recht en onrecht. Zoo gebeurt dan ook, en Sigurd is terstond

onmogelijk geworden. In het volgende bedrijf vinden wij hem nu

consequenterwijze als balling onder de Lappen. Maar in het vijfde

bedrijf heeft hij weer een groote vloot bij zich, grootendeels uit Denen

bestaande. Hoe hij daaraan komt, wordt niet duidelijk, en evenmin,

waarom deze helpers hem weer verlaten, voor zij ook maar één pijl

verschoten hebben. Dat is ruwe stof uit de historie; wanneer deze echter

gebruikt zal worden in een drama, dat niet den twist tusschen Noorsche

vorsten en Deensche wikingen behandelt, maar waarvan Sigurd Slembe het

eenige middelpunt is, dan verwacht men, dat er tusschen Sigurds misdaad

en die vlucht van zijn nieuwe bondgenooten eenig verband zal bestaan.

Van zulk een verband blijkt niets, en die vlucht der Denen is hier dus

willekeur, al behoort zij ook honderdmaal tot de geschiedenis.

Maar Bjørnson is het ook niet te doen om noodzakelijkheid in de

ontwikkeling eener handeling. Bjørnson is niet een steller van vragen;

daartoe weet hij veel te goed, hoe alles wezen moet. Hij is een

beantwoorder, of liever een doorhakker van de knoopen. Of Sigurd Slembe

anders had _kunnen_ handelen, daaraan besteedt hij niet veel aandacht;

het is hem genoeg, dat de man anders had _moeten_ handelen. Hij wil

verkondigen, dat wie langs den weg van misdaad een doel tracht te

bereiken, dat doel niet bereikt. Dat moet in zijn tooneelstuk uit een

exempel blijken. Dat is populaire moraal, en dat wil een

schouwburgpubliek gaarne zien.

Er wordt in Bjørnson's stukken ontzettend veel geredeneerd, en dikwijls

zeer lang. Maar de vele sententies, die verkondigd worden, zijn in den

regel de stokpaarden van den dichter, geenszins zulke, die men in den

mond van helden der oudheid in de gegeven situatie wachten zou. Soms

leest men dingen van grenzenlooze naïveteit. Ook hiervoor zal een

voorbeeld uit 'Sigurd Slembe' worden aangehaald. Den avond voor het

gevecht, waarin Sigurd de nederlaag lijdt, spreken de hoofdmannen van de

tegenpartij er met elkander over, of het nu te wenschen is, dat Sigurd

morgen zich dood vecht, of dat hij levend in hun handen valt, in welk

geval men hem zal kunnen dood martelen. Van dit onderwerp gaan zij over

op de karakteristiek van den man. Eén is er van meening, dat Sigurd zulk

een aard heeft, dat òf alle anderen moeten omkomen, òf hij. En deze man

eindigt aldus: "Maar dit geloof heb ik gekregen, dat het groote, dat

hier slechts stuksgewijze en strijdende geopenbaard werd, hiernamaals

vereenigd zal worden tot eene heerlijke bedoeling.--Vrienden, ik geloof

aan een leven na dit."

Dat "vrienden" vooral is teekenachtig voor den dichter. Het is, alsof

men Bjørnson onder kameraden een toast op het eeuwige leven hoort

uitbrengen.--Om het effect te verhoogen, kijkt Sigurd onder dit gesprek

om een hoekje. Als hij hoort, waar de mannen het over hebben, wordt hij

bleek als een lijk en trekt zijn hoofd terug. Men kan niet verwonderd

zijn, dat hij, den volgenden dag geen overwinning behaalt.

Bjørnson heeft, gelijk hij ergens zegt, zijne historische drama's

geschreven, om het Noorweegsche volk van een portrettengalerij van

voorvaders te voorzien. Deze was, meende hij, noodig, voor er plaats was

voor het 'nutidsdrama', waaraan hij reeds dacht. Hij heeft de belofte,

die in deze overweging ligt, gestand gedaan. Wij zullen hem ook in

hoofdstuk IV als dramatisch dichter ontmoeten. Maar het genoemde plan is

zeer programma-achtig, en daardoor is in de reeks weinig ontwikkeling.

Niet ieder stuk is voortgekomen uit een inwendigen drang, die den

dichter juist tot _die_ stof voerde. Hij hield er mee op, toen hij vond,

dat er genoeg waren.

Te zamen vormen deze stukken echter een belangrijke groep werken in de

zoo veelzijdige productie van Bjørnson.

Meer in overeenstemming met Bjørnson's talent is de gedichtencyclus

_Arnljot Gelline_. Ook hiervoor is de stof aan de geschiedenis ontleend.

Maar er is niet een drama uit geworden, maar een groep lyrische

gedichten. Over Arnljot Gelline vertelt de Olafssaga helga het volgende.

Koning Olaf de heilige zond eens boodschappers naar Jemtland, om

schatting te eischen. Zij werden slecht ontvangen en gevangen gehouden,

maar zij ontvluchtten en kwamen naar eene eenzame woning, waar een

gevaarlijk roover zich ophield, die, toen hij bemerkte, wie zij waren,

hen voorthielp. Hij gaf hun ski, om daarop onder zijn leiding naar de

grens van het landschap te vluchten; toen hij daarop bemerkte, dat zij

langzaam voortkwamen, zette hij hen achter zich op zijne ski, en hij

kwam niet langzamer voort, dan wanneer hij alleen was. Bij het afscheid

gaf hij hun een zilveren bord mee, met de opdracht, dat uit zijn naam

aan koning Olaf te geven. Die roover was Arnljot Gelline. Dezelfde man

treedt ten tweede male in het geschiedverhaal op op den avond voor den

slag bij Stiklestad, waarin koning Olaf omkwam. Hij meldt zich aan, om

den koning te dienen. Deze vraagt, of hij Christen is. Hij zegt, dat hij

wel van Witte-Krist gehoord heeft, maar hij is gewend, op zijn eigen

kracht te vertrouwen. Nu echter wil hij op den koning vertrouwen en zich

aan hem overgeven. Op wensch van den koning laat hij zich doopen; den

volgenden dag is hij een der eersten, die valt.

Arnljot Gelline is eene bijzonder belangwekkende figuur, zoowel om de

realistische schildering van een roover uit de weinig bewoonde streken

in een oud geschrift, als ook omdat in zijn gedrag de persoonlijke

betoovering, die van koning Olaf uitging, op zoo uitnemende wijze tot

uitdrukking komt. De naam van Olaf is voldoende, om bij den roover

sympathie voor zijn gasten te wekken, en bij den doop van Arnljot geeft

ook het vertrouwen op des konings persoon geheel alleen den doorslag.

Deze figuur maakt Bjørnson tot het middelpunt van een groep gedichten.

Hier smelten nu volksromantiek en historiseerende romantiek samen. Reeds

het eerste gedicht, waar Arnljot met zijn kameraden op ski door de

sneeuw schiet, stamt direct uit de saga, maar het knoopt tegelijk aan

bij het volksleven, zooals de dichter dat om zich heen zag. Op weinig

plaatsen is het duidelijker dan hier, dat het hedendaagsche Noorweegsche

volk hetzelfde is als dat der oudheid; het verleden en het heden worden

in zulk een gedicht tot één. Ook de figuur van Olaf den heiligen geeft

hij met warmte weer. Maar Bjørnson zou Bjørnson niet zijn, als hij niet

geprobeerd had, het verhaal mooier te maken, dan het was. De soberheid

der bekeeringsgeschiedenis staat hem, zooals te wachten was, niet aan.

Tevens moeten wij iets meer hooren over de misdaden van den roover;

vrouwenroof ligt voor de hand, meent de dichter, en deze geeft tevens

gelegenheid voor eene liefdesgeschiedenis. Bij de bekeering wordt de

beteekenis der nieuwe religie voor de ziel van den bekeerling--een zaak,

waarover de geschiedenis zwijgt--sterk op den voorgrond gebracht; de

persoonlijke verhouding tot den koning is echter niet voorbijgezien en

wordt in zeker opzicht nog wat aangedikt, als wij lezen, dat Arnljot

valt, terwijl hij den koning verdedigt, en dat het lijk van den koning

over dat van Arnljot komt te liggen. De bekeerde roover is de trouwste

van allen geworden. En over zijn gezicht ligt een glimlach.

Die glimlach is trouwens veroorzaakt door het visioen der geliefde, die

hij nu ontmoeten zal. Dit is zeer karakteristiek voor den dichter en

leert ons hem weer nauwkeurig kennen, ook in zijn begrenzing. De

vertelling uit de oudheid is voor hem toch eigenlijk ook hier niet meer

dan een kapstok, waaraan hij zijn eigen zeer muzikale lyriek ophangt,

maar in den geest der oudheid door te dringen, is hem hier evenmin

gelukt als in zijn drama's. Hij moet aan het verhaal, dat hem toch

gegrepen heeft, wat moderne sentimentaliteit toevoegen. Een liefde, door

misdaad verloren, maar na de bekeering in den dood teruggewonnen, is in

zijn oogen mooier dan de leukheid, waarmee in de oudheid een held zich

in religie, die als een zede wordt opgevat, wel naar den vorst wil

schikken, als hij dan morgen maar bij het gevecht mag zijn. Het is weer

de man uit de stad, die de kleeren van den buitenman heeft aangetrokken,

precies als in de boerennovellen.

Wil men het verschil zien, dan moet men met dezen glimlachenden Arnljot

Gelline, die in den dood het visioen van zijn geliefde ziet, eens het

verhaal vergelijken, dat de historiebronnen doen omtrent den dood van

een van Olafs helden in denzelfden slag bij Stiklestad. Het is zekere

Tormod, held en dichter. Tormod was door een pijl in den wand van het

hart getroffen. De pijl had weerhaken en kon niet verwijderd worden,

zonder den dood te veroorzaken. De schacht van den pijl was afgebroken,

en de punt was onder het vleesch bedolven. Tormod verzocht eene vrouw,

die doktersdiensten deed, de wond zoover open te snijden, dat men de

pijlpunt met een tang kon bereiken. Daarop trok hij zelf den pijl uit en

bekeek dien. Hij zag, dat er roode en witte vezels aan hingen, en zeide:

"Ik heb nog vet aan de wortels van het hart; ik had een goeden heer."

Daarmee stierf hij. Die menschen waren zich tot het laatste oogenblik

gelijk, en de behoefte, om aandoenlijke dingen te zeggen, kenden zij

niet. Hun glimlach op stervende lippen is er niet een van aandoening,

noch van visionnaire verrukking, maar van zelfbeheersching.

Het is wel gezegd, dat Bjørnson de zwijgzaamheid der Noorwegers ontdekt

en in de litteratuur gebracht heeft. Inderdaad spreekt hij er niet

zelden over. Maar betracht heeft hij ze niet.

En toch is _Arnljot Gelline_ een mooi gedicht, wanneer men er maar in

zoekt, wat er werkelijk in te vinden is: stemmingen van een aan

stemmingen rijken dichter.

Noorwegens Letterkunde in de Negentiende Eeuw · 第 24 / 44 题