1. _De volksromantiek_.

Omstreeks 1840 breekt voor de Noorweegsche poëzie eene bloeiperiode aan.

Het is de romantiek, die haar intocht houdt[4]. De vorige periode leefde

in denkbeelden, die stamden uit het tijdvak der verlichting en der

Fransche revolutie. Zij waren naar Noorwegen overgebracht en hadden daar

een patriotsche tint gekregen, maar zij verloochenden toch hun oorsprong

niet. Men sprak veel van de rechten van het volk, maar van hetgeen in

het volk zelf omging, droeg men toch geen kennis. Hierboven werd er

reeds op gewezen, dat de 'odelsbonde' wel geroepen geacht werd, om te

regeeren, maar dat men tegelijk overtuigd was van zijne diepe

onwetendheid. Deze te overwinnen was de eerste taak van wie het met de

toekomst van land en volk goed meende. Maar nu werd dit anders. De

romantiek vlucht uit de wereld naar den eenvoud en de stilte der natuur,

en daar ontdekt zij den boer, niet als nieuwen of toekomstigen

machthebber, maar als drager van oude tradities, die in haar oogen,

juist doordat hij met de cultuur niet in aanraking geweest is, een

frischheid en oorspronkelijkheid bezit, waaraan op het gegeven oogenblik

vóór alles behoefte bestaat. Nu wordt deze partij de nationale; wat zij

op het platteland in vertellingen en volksgeloof vindt, dat zijn de

krachten, die in het eigen volk leven, terwijl de denkbeelden, die onder

de vorige generatie het meest op den voorgrond traden, uit Frankrijk

geïmporteerd waren, en dus voor vreemd goed golden. Op deze wijze werden

de hekken van het patriottisme verhangen.

De belangstelling in volksoverleveringen was toch niet in Noorwegen

zelfstandig ontstaan. Het was een beweging, die over Europa gegaan was

en zelfs zeer laat Noorwegen bereikte. In Engeland was zij in de tweede

helft der achttiende eeuw begonnen; daarna was zij naar Duitschland

gekomen, waar men de zaak grondig had opgevat. Herder was begonnen met

studiën over volkspoëzie; deze hadden tijdgenooten aanleiding gegeven,

om òf de stof te gebruiken in eigen gedichten, òf den toon van het

volkslied aan te slaan. Daarop waren de verzamelaars gekomen, die niet

de stof gebruikten voor vrije bewerkingen, maar den nadruk legden op

getrouwe weergave van het overgeleverde (Grimm's Kinder- und

Hausmärchen, in minder mate Arnim en Brentano, Des Knaben Wunderhorn).

In het begin der eeuw bereikt de beweging Denemarken, waar vooral de

meest bekende dichter van den tijd, Øhlenschläger, zich van deze stoffen

meester maakt en tal van romantische gedichten in het licht geeft. En nu

is Noorwegen aan de beurt. Van den beginne af treden hier de beide

richtingen op, die in Duitschland op elkaar gevolgd waren, de opname van

stof en vorm door dichters, die er toch iets anders van maken, en de

getrouwe weergave der overlevering. Het geluk wilde, dat dit laatste

werk in handen kwam van menschen, die daartoe een buitengewone

bekwaamheid bezaten en dientengevolge verzamelingen tot stand gebracht

hebben, die voor het geestelijk leven van het geheele volk de grootste

beteekenis gekregen hebben en nog bezitten. Deze mannen zijn P.C.

Asbjørnsen en Jørgen Moe. Bij deze uitgevers van vertellingen sluit zich

als eerste uitgever van volkspoëzie M.B. Landstad aan.

Asbjørnsen en Moe hebben vele jaren besteed aan het verzamelen van de

stof en aan het zoeken naar den juisten vorm, waarin zij de vertellingen

zouden geven[5]. De groote moeilijkheid was gelegen in de taal. De

overlevering der vertellingen was in dialect, maar van een uitgave van

teksten in dialect kon in die dagen natuurlijk geen sprake zijn. Niet

alleen, omdat voor dialect geen belangstelling bestond, maar ook omdat

dialect voor ruw en lomp doorging, zoodat de vertellingen in dezen vorm

bij het meerendeel der lezers, die zij dan nog zouden vinden, aanstoot

zouden geven. En toch waren de uitgevers zich bewust, dat juist in de

bijzondere wijze van uitdrukking de poëzie dezer vertellingen gelegen

was. Zij hebben toen een tusschenweg gezocht. De stukken werden

uitgegeven in de officiëele taal, het Deensch-Noorsch, maar in stijl en

uitdrukking werd alles behouden, wat in die taal er maar even door kon,

zonder al te veel als een vreemd element gevoeld te worden. Dit is hun

zóó goed gelukt, dat hun boeken een populariteit verworven hebben, die

tot heden toe nog niet verminderd is. Daar deze boeken door iedereen

gelezen worden, hebben zij ook een zeer grooten invloed gehad op de

ontwikkeling der Noorweegsche litteraire taal. De vernoorsching van het

Deensch-Noorsch, waartoe Wergeland een aanloop genomen had, neemt van

deze boeken haar uitgangspunt. En deze beteekenis voor de taal hebben de

latere uitgaven behouden. Naarmate het lezend publiek onder den invloed

van een voortgaande ontwikkeling in de taal zich wende aan een meer

Noorsch getinten stijl, is ook de uitdrukking in de vertellingen telkens

nader gebracht bij de mondelinge overlevering, en hierdoor hebben die

boeken, in plaats van achteraankomers te worden, hun rang van

voorgangers behouden. Dit is een der verdiensten geweest van Moltke Moe,

den zoon van Jørgen, die op den door zijn vader ingeslagen weg is

voortgegaan.

De _Norske Folkeeventyr_ (Noorweegsche Volkssprookjes), die in 1841

verschenen[6], behooren tot het beste, wat men in de Noorweegsche

letterkunde lezen kan. De stof is, zooals men verwachten kan,

grootendeels internationaal, maar tegelijk is de wijze van vertellen zóó

eigenaardig, dat men hier een beter beeld van het volksleven krijgt dan

in de beste schildering van een dichter, die zijn eigen opvatting

meedeelt. Het is het volk, dat zich zelf schildert in dat, wat het

bewondert of soms ook verfoeit. Maar meer dan dat. De stijl heeft een

geheel eigen karakter en is veel kernachtiger, dan men anders in anonyme

litteratuur aantreft. De dialoog doet ons verstaan, dat Noorwegen groote

dramatische dichters heeft voortgebracht. Van zijn frischheid heeft het

werk tot op dezen dag niets verloren.

Een eenigszins ander karakter dan de _Folkeeventyr_ dragen twee andere

verzamelingen van Asbjørnsen, _Norske Huldreeventyr og Folkesagn_ (N.

Elvensprookjes en Volksverhalen), die in 1845 en 1848 werden uitgegeven.

Asbjørnsen treedt hier zelfstandiger op, en hij maakt den overgang van

romantiek tot realisme. Ofschoon het woord "eventyr"[7] in den titel

voorkomt, houden die boeken toch geen sprookjes in, maar mededeelingen

omtrent volksgeloof, grootendeels in concrete voorbeelden. Asbjørnsen

legt de verhalen in den mond van vertellers, met wie hij heeft omgegaan,

en zelf geeft hij eene omlijsting. Aanvankelijk is de schrijver nog

geheel bevangen in de natuurmythische verklaring van het bijgeloof, die

een dogma der romantiek was, en hij offert daaraan een groot deel van

zijn arbeid. Hiermee hangt samen, dat natuurschilderingen eene groote

plaats innemen. Maar allengs overweegt de belangstelling voor zijn

vertellers, en dezen en hun gesprekken geeft hij met groote trouw aan de

natuur weer. Ook de behandeling der taal is niet dezelfde als in de

Folkeeventyr; de menschen spreken hun eigen--Oostlandsch--dialect. Het

werk van Asbjørnsen opent zoodoende de reeks schilderingen uit het

volksleven, waaraan de Noorweegsche letterkunde zoo rijk is. Het verst

gaat in de richting van het realisme het stuk, dat den titel

_Plankekørerne_ (De Plankenvoerlui) draagt.

Asbjørnsen is hier zijn tijd ver vooruit; het zou nog circa 30 jaar

duren, voor anderen zijn voorbeeld zouden volgen. Het is echter

karakteristiek voor den tijd, dat deze vrije stijl in de Huldreeventyr

og Folkesagn alleen daar bestaat, waar Asbjørnsen aan zijn zegslieden

het woord geeft. In zijn eigen inleidingen heerscht een litteraire,

ingewikkelde stijl, zooals die toen in geletterde kringen werd mooi

gevonden. Daardoor valt het boek stilistisch uiteen. Maar aan dit gebrek

heeft het een deel van zijn onmiddellijk succes te danken. De

Folkeeventyr, die geen inleidingen van eigen maaksel hebben, en waaraan

ook Moe een groot aandeel heeft, zijn van het genoemde gebrek vrij.

In 1853 gaf Landstad uit _Norske Folkeviser_. Daarop volgde in 1858 een

kortere verzameling van Sophus Bugge: _Gamle norske Folkeviser_[8]. Deze

boeken zijn niet zóó algemeen geliefde lectuur geworden als de sprookjes

van Asbjørnsen en Moe. Eene tweede uitgave hebben zij niet beleefd[9].

Begrijpelijk is dit wel. Hier kon er geen sprake van zijn, de stof door

weergave in de algemeene taal meer toegankelijk te maken. De gedichten

konden natuurlijk slechts in het dialect, waaruit zij werden

opgeteekend, worden uitgegeven; wel heeft Landstad de taal

geärchaïseerd, maar hierdoor zijn de gedichten niet meer algemeen

toegankelijk geworden. Ook door andere oorzaken zijn zij moeilijk te

verstaan. De overlevering is veelal gebrekkig; vele plaatsen zijn reeds

voor de mededeelers niet helder geweest. De omvang der beide uitgaven is

veel geringer dan van die der sprookjes; blijkbaar was, reeds toen de

opteekening begon, van de volksliederen veel vergeten, terwijl de

sprookjes en sagen zich nog in levendigen bloei verheugden. Noorwegen

staat hier ver bij Denemarken achter, waar zooveel volksliederen in een

veel vroegere periode (de 16e eeuw) zijn opgeschreven.

Niettemin hebben de liederenverzamelingen, met name die van Landstad,

niet uitsluitend wetenschappelijke beteekenis gehad. Al zijn de

gedichten niet de lectuur van het groote publiek geworden, de dichters

hebben ze gelezen, en een tijd lang hebben zij op de poëzie in hooge

mate bevruchtend gewerkt. De invloed, die op deze wijze van Landstads

uitgave is uitgegaan, zal verderop in dit werk ter sprake komen.

Komen wij tot de zelfstandige dichters der romantiek, dan moet in de

eerste plaats, reeds om chronologische redenen, Welhaven genoemd worden.

Na de dæmringsfeide[10] zweeg hij tot 1839; toen gaf hij een bundel

_Digte_ uit. Later verschenen _Nyere Digte_ 1845, _Halvhundrede Digte_

1848, _Digte_ 1851, _Digte_ 1860, eindelijk nog _Sidste Digte_ (van 1860

tot 1866). Deze bundels houden de belangrijkste lyriek in, die de eerste

helft der eeuw heeft voortgebracht.

De bundel van 1839 toont nog geen sporen der romantiek, maar toch

ontmoeten wij daar een anderen Welhaven dan in 1834. Men kan den inhoud

naar de stof in enkele groepen verdeelen, en ieder van deze vindt haar

naaste verwanten in de volgende bundels; slechts komt er later een nieuw

element bij.

Vooreerst zijn er de mythologische gedichten. Deze knoopen, wat hun

gedachteninhoud betreft, aan bij den litterairen strijd der vorige

periode. Maar zij verwijderen zich verder van het moment van den strijd

en krijgen zoodoende een meer algemeene strekking; de inhoud wordt

lyrisch-philosophisch. Het kortst bij den strijd staat _Vidar_. _Vidar_

is de naam van een zoon van Odin, die in de Noorsche mythologie bij het

einde van de wereld het monster Fenrir zal verslaan. _Vidar_ was ook de

naam van een studentenverbond, waartoe Welhaven behoorde. De gedachte

van het gedicht is, dat men den strijd niet op zal geven, voor men het

monster, dat losgebroken is, dat is den tijdgeest, verslagen heeft.

De gedichten _Sisyphos, Glaukos, Goliath, Møkkurkalv, Nehemias_ (1839),

_Tantalos, Protesilaos, Kalchas_ (1845), _Herakles, Ganymedes,

Philoktetes_ (1860), drukken stemmingen uit, die hun uitgangspunt in het

voorgaande hebben, het bewustzijn, een mannelijke daad te hebben

verricht, onmisbaar te zijn, toch alleen te staan. Het gevoel van

eenzaamheid neemt toe; daarmee gaat gepaard een zich afwenden van de

wereld, een toon van religieuse resignatie. Er is ook hier een

merkwaardige analogie met de ontwikkeling van Ibsen's gedachtengang,

nadat hij in _Et Dukkehjem_ en _Gengangerne_ met de publieke opinie

slaags was geweest. Eerst komt een uiting van lust om den strijd voort

te zetten in _En Folkefiende_, dan de ontmoedigde verklaring, dat de

man, die de waarheid zegt, slechts onheil stichten kan, in

_Vildanden_[11].

Een andere belangrijke groep gedichten van Welhaven, insgelijks

vertegenwoordigd in de bundels van 1839 tot en met 1860, zijn de

liefdegedichten. Deze hebben een achtergrond in de werkelijkheid.

Welhaven heeft een meisje liefgehad, waarmee hij niet kon trouwen, omdat

hij geen geld en weinig vooruitzichten had. Zij hebben elkander blijven

liefhebben, van tijd tot tijd op straat een enkelen blik, een enkel

woord wisselend. Toen hij in 1840 een bestaan kreeg als lector aan de

universiteit, was het te laat; veertien dagen na zijn benoeming stierf

zij. Onder den invloed van stemmingen, die met deze gebeurtenissen

samenhangen, zijn de liefdegedichten ontstaan. Zij zijn weemoedig,

heffen de geliefde op in de sfeer der herinnering, en de liefde in die

der gevoelens van eeuwigheid, en zoo smelt de stemming dezer gedichten

samen met die der mythologische gedichten. Ook hier bestaat een

merkwaardige overeenstemming met Ibsen, voor wien de liefde pas wijding

voor het leven ontvangt,

"naar løst fra længsler og fra vild begær

den flyer til mindets aandehjem befriet"[12].

(Kærl. Komedie, Værker II, 261).

Vergelijk daarmee Welhaven's verzen:

"Hver en Fryd maa trylles om

til et Savn, som Sjælen freder;

Mindet kun et Held bereder,

der er Livets Eiendom"[13].

(Digte 1845. Værker II, 234).

Voornaam is deze poëzie. De dichter vertelt ons niet, hoe zijn geliefde

heet, en waar zij woont en hoeveel liever hij haar heeft, dan anderen

hunne geliefde hebben. En zijn smart toont hij ons niet met al haar

persoonlijke toevalligheid. Gelouterd in het bad der reflectie, komt zij

als schoon gevormde gedachte tot den lezer.

Sedert 1840 is Welhaven ook aangegrepen door de nationaal-romantische

beweging en staat hij als romantisch kunstdichter vooraan. Aan deze

beweging in verband met den lyrischen trek in den dichter hebben wij

Welhaven's natuurpoëzie te danken. De romantische vlucht van de stad en

de maatschappij voerde niet alleen naar de boeren en hun bijgeloof, maar

ook naar de natuur, naar bosch, veld, berg en heide, en men verbond deze

dingen, door de natuur te bevolken met de producten van het bijgeloof.

Zoo doen dan deze scheppingen der volksfantasie, als huldren, nøkken,

nissen, die thuis hooren in verhalen, zooals Asbjørnsen ze deed, hun

intree in de kunstpoëzie. Welhaven heeft in dit genre veel

natuurschilderingen en ook vertellende gedichten, romances, gedicht. En

ook hier verloochent zich de ernstige dichter niet, die nooit tevreden

was, voor hij het allerbeste geleverd had, waartoe hij in staat was.

Natuurlijk is er in deze wijze van dichten ook een element van mode. Aan

de menschen, die er mee begonnen, was het als zoodanig niet bewust. Want

zij legden in die mythische figuren een dieperen zin. Bij de navolgers

wordt dat licht manier, en een volgende periode heeft hiervan weer

genoeg gekregen. Maar daarnaar mogen wij de romantische poëzie van een

dichter als Welhaven niet beoordeelen. Hij opent de oogen van zijn

tijdgenooten voor de natuur; dat anderen, die na hem kwamen, daar ook

nog iets anders gevonden hebben, toont slechts, dat de nieuw gevonden

bron van poëzie een rijke was, die in de behoefte van meer dan één

geslacht kon voorzien.

Zoo is de dichter, die in 1831 en 1834 tegen den nationalen bluf optrad,

in een latere periode door de romantiek tot een nationaal man geworden.

Maar nationaal op een gansch andere wijze dan de patriotten der vorige

generatie.

Wat zijn kunstrichting betreft, laat zich bij Welhaven een zich

verwijderen van het realisme waarnemen. _Norges Dæmring_ is te gelijk

idealistisch en realistisch. Idealistisch is het gedicht door des

dichters hooge opvatting van het leven en zijn hoop op een toekomst voor

zijn land; realistisch is, tot op zekere hoogte althans, zijn

pessimistische werkelijkheidsschildering, ofschoon ook deze niet in

bijzonderheden afdaalt. Naarmate Welhaven meer eenzaam werd en zijn

troost in eeuwigheidsgedachten zocht, verwijderde hij zich van het

leven, en de huldre-romantiek werkte in deze richting mee. Er openbaart

zich hier in de romantiek zelf een tegenstelling tusschen twee

richtingen. Voor de eene--en dit is de richting der

huldre-romantiek--bevat het bijgeloof zelf diepere waarheden,--ook

Asbjørnsen heeft in zijne natuurmythische beschouwingen deze zienswijze

gehuldigd,--voor de andere zijn de ware objecten voor onze

belangstelling de dragers der bijgeloovige voorstellingen, dus menschen,

en deze richting loopt uit op menschenstudie en zoodoende op realisme

in den modernen zin. Het is dezen weg, dien Asbjørnsen in enkele stukken

gegaan is. Er ontstond zoodoende een nieuwe tegenstelling, die zich in

de volgende periode met kracht zou openbaren. Welhaven's idealisme wordt

voortgezet in de richtingen, die tot ca. 1870 domineeren, Asbjørnsen's

realisme in de denkbeelden, die dan plotseling aan alle zijden tot

doorbraak komen.

Deze tegenstelling werd in den beginne niet zoo sterk gevoeld; de punten

van aanraking treden sterker op den voorgrond dan de punten van

verschil. Welhaven heeft zich ook sterk geïnteresseerd voor de

verzamelingen van Asbjørnsen en Moe en ook wel raad gegeven voor de

behandeling der stof. Maar groot is zijn invloed niet geweest. Zijn

behandeling der taal was ook een andere. Hij is geen vriend van

populaire wendingen. En daarmee gaat zijn sympathie voor Deensche

letterkunde en taal gepaard. Zijn taal zelf is het meest Deensche

Noorsch van den tijd. Toch ondergaat hij onwillekeurig den invloed van

de stof, die hij uit de Noorsche tradities opneemt, en doet hij dus een

stap mede in de richting van de vernoorsching der taal, die gedurende de

geheele eeuw allengs tot stand kwam. Bij hem bestaat de Noorschheid

vooral in den stijl; de woordenkeus blijft in hoofdzaak Deensch.

In 1840 werd Welhaven lector,--later (1846) professor in de

philosophie, welk ambt hij tot 1868 bekleedde. Ofschoon hij over het

vak, waarin hij aangesteld was, geen werken van beteekenis heeft

nagelaten, heeft hij door de macht van zijn persoonlijkheid op het

jongere geslacht een sterken invloed geoefend. Als litteratuur-criticus

is hij vruchtbaar geweest; hier toont hij zich meer philosoof dan

historicus. Daarom geven zijn wetenschappelijke werken ons een

duidelijker voorstelling van den blik, dien hij op litteratuur had, dan

van de omstandigheden, waaronder andere werken tot stand gekomen zijn.

Hij stierf in 1873.

Ook Jørgen Moe, dien wij hierboven als verzamelaar hebben leeren kennen,

is als zelfstandig dichter opgetreden. Hij sluit zich geheel bij de

natuurromantische richting aan. Zijn gedichten kenmerken zich door

eenvoud en religieusiteit.

Natuurgevoel, belangstelling in volksleven, religieusiteit, veelal ook

melancholie zijn de romantische trekken van den tijd. Wij vinden deze in

verschillende combinaties terug bij de overige schrijvers en dichters

der periode. Uit een grooter aantal worden er hier een paar genoemd. Tot

de natuurbeschrijvingen moet gerekend worden Bernhard Herre's _En Jægers

Erindringer_, na zijn dood in 1850 uitgegeven. Tot de klasse der

schilderingen van het volksleven behoort Østgaard's _En Fjeldbygd_. Het

boek staat onder den invloed van Asbjørnsen's vertellingen, maar hij

miste de schrijversgave van zijn voorbeeld. Daartegenover bezat hij eene

zeer groote kennis van zijn onderwerp en wist door het mededeelen van

talrijke details aan zijn werk blijvende waarde te geven. Daardoor doet

hij een nieuwen stap in de richting van het realisme. Maar men kan

twijfelen, of het boek wel tot de poëtische litteratuur gerekend kan

worden. Aan Auerbach, wiens 'Dorfgeschichten' hij op raad van Asbjørnsen

las, en van wien hij ook een en ander vertaald heeft, ontleent hij het

denkbeeld, om zijn zedenschilderingen op te hangen aan den kapstok van

eene vertelling; afgezien daarvan is het werk eer een verhandeling.

Voorts komt hier in aanmerking Hans Schultze, die een reeks vertellingen

schreef, samen uitgegeven onder den titel _Fra Lofoten og Solør_,

interessant ook hierdoor, dat hier, voor zoover van Lofoten sprake

is,--Solør ligt in het binnenland--de bewoners der eilanden hun eerste

intrede in de letterkunde doen. In zooverre is Schultze een voorganger

van Jonas Lie.

Tot de bovengenoemde groep van vertellingen behooren ook Bjørnson's

boerennovellen. Maar zij nemen een bijzondere plaats in.

Bjørnstjerne Bjørnson is in 1832 geboren als zoon van een

dorpspredikant. Vroeg toonde hij neiging en gaven, om aanvoerder te

zijn, en zijn vader, die dit bemerkte, zond hem vroeg naar Kristiania,

waar hij een tijd lang Heltberg's "studentenfabriek" bezocht--zie

hierover meer in Hoofdstuk IV--en in 1852 student werd. Reeds te voren

had hij een--onrijp--tooneelstuk geschreven; sedert 1854 schrijft hij

regelmatig in dagbladen en maakt veel beweging in de hoofdstad, in 1856

bezoekt hij een studentencongres in Upsala, waar het nieuwe

Skandinavisme werd beklonken, en onder den invloed van de opwinding dier

dagen komen zijn eerste blijvende litteraire producten voor den dag. Het

eene is _Mellem Slagene_, dat in een ander verband besproken wordt; het

andere is _Synnøve Solbakken_, de eerste zijner boerenvertellingen.

Men kan zeggen, dat Bjørnson's novellen eene periode openen, en dat zij

er eene sluiten, al naar gelang van het gezichtspunt, waaruit men ze

beziet. Nieuw is, dat het boerenleven de stof wordt van een vertelling,

die in de eerste plaats een kunstwerk wil zijn. Let men op de

voorgangers, dan is het standpunt bij allen eenigszins anders. De

sprookjes van Asbjørnsen en Moe zijn rijk aan poëzie, maar toch niet in

de eerste plaats voorwerpen van kunst, en bovendien, zij stammen direct

van het volk, zij handelen niet over het volk. Het werk van Østgaard

was meer materiaal dan vertelling. Andere werken waren geschreven door

menschen met al te weinig kennis van hun onderwerp. Bjørnson vereenigde

een zekere kennis van het boerenleven met dichterlijke gaven en groot

vuur voor de zaak, die hij beschrijft. En zoo komen er voor het eerst

kleine romans tot stand over het boerenleven. En romans, waarin veel

uitdrukking vond, wat in den tijd leefde, en die daarom zeer grooten

opgang maakten.

Maar deze vertellingen sluiten een periode, in zooverre als de zwakke

zijde van de volksromantiek, de boerenvergoding, hier tot een uiterste

gedreven is, waar men niet mee voort kon gaan, zonder in het ridicule te

vervallen. Deze boeken geven dan ook het sein tot de reactie. Deze komt

met Vinje's kritiek op Bjørnson's volgende vertelling _Arne_, die later

zal besproken worden. De kritiek komt van een man, die zelf van

boerenafkomst was, die de boeren beter kende dan Bjørnson, en die den

schrijver verwijt, dat zijn figuren geen boeren maar verkleede

stadsmenschen zijn, en wel stadsmenschen van een bepaald type, droomers

met sterk werkende traanklieren. Zoo beteekenen Bjørnson en zijn

criticus te zamen een nieuw stadium in de boerennovelle. Sedert Bjørnson

mag zij niet meer zonder fantasie geschreven worden; sedert Vinje moet

het portret nader bij de werkelijkheid staan.

De invloed van Landstad's verzameling toont zich het duidelijkst in

twee jeugdwerken van Ibsen, _Gildet paa Solhoug_ (Het Feest te Solhoug,

1855) en _Olaf Liljekrans_ (1856). Deze twee stukken representeeren een

eigenaardig stadium in de ontwikkeling van den grooten dichter.

Henrik Ibsen is 20 Maart 1828 te Skien geboren als zoon van een

welvarend koopman. Toen Henrik 7 jaar oud was, leed de vader verliezen,

en de knaap leerde nu na den welstand ook de armoede en de daarmee

gepaard gaande vernedering kennen. Op jeugdigen leeftijd werd hij te

Grimstad in een apotheek neergezet, om daar zijn brood te verdienen. In

de nachtelijke uren las hij Latijn, om zich voor het studenten-examen te

bekwamen; in de uren, die hij daarvan nog wist over te houden, dichtte

hij. Zóó is zijn eerste drama _Catilina_ ontstaan in den winter 1848-'49

(uitgegeven 1850). In 1850 reisde de jonge dichter naar Kristiania,

bezocht de studentenfabriek, schreef een kort tooneelstuk _Kæmpehøien_

van niet zeer groote beteekenis, en legde het examen af, dat het eerste

doel van zijn oponthoud in de hoofdstad was geweest. In 1851 kreeg hij

een aanstelling aan het in 1850 geopende nationale theater te Bergen,

met de speciale instructie, voor het theater stukken te schrijven, en nu

volgen snel op elkander _Sankthansnatten, Fru Inger til Østraat, Gildet

paa Solhoug_ en _Olaf Liljekrans_. Het eerste van deze werken is van

geen zelfstandige beteekenis; het tweede behoort tot een ander genre;

over de beide laatste zal hier iets gezegd worden.

Toen Ibsen _Gildet paa Solhoug_ schreef, waren zijne oogen reeds

opengegaan voor de beteekenis, die de sagalitteratuur voor de nieuwe

letterkunde kon hebben, maar het verschijnen der volksliederen leidde

zijne gedachten in eene andere richting. _Gildet paa Solhoug_ zou, wat

de stof betreft, tot de historiseerende richting kunnen worden gerekend;

de tijd der handeling wordt ook aangegeven (14e eeuw), en door het

hoofdmotief van het stuk, dat inhoudt, hoe eene vrouw in een haar

onwaardig huwelijk versmacht en eindigt met tot misdaad haar toevlucht

te nemen, om uit dat huwelijk verlost te worden, is het stuk eene

voorstudie voor _Hermændene paa Helgeland_, dat geheel onder den invloed

der sagalitteratuur staat. Maar de geest van het stuk is die der

volkspoëzie. Lyrische ontboezemingen zijn aan de orde, volksliederen

worden aanhoudend geciteerd, de stijl is bloemrijk en gevoelig. Voor

_Olaf Liljekrans_ bestaan verschillende voorstudiën. Voor een van deze,

en wel diegene, welke aan het latere werk direct ten grond ligt (_Rypen

i Jostedal_, een fragment), is de stof ontleend aan de verzameling

volkssagen van Faye, die hierboven genoemd werd. Wij hebben

hier dus een stof, die met Asbjørnsen's vertellingen punten van

aanraking heeft. Maar ook hier is de oorspronkelijke stof geheel door

het volkslied overwoekerd. De gedichten worden niet slechts geciteerd;

er worden ook motieven aan ontleend, en de dichter gaat hier zóó ver,

dat hij den hoofdpersoon, wiens naam en wiens lot ten deele ook uit een

volkslied stamt, in een lyrische stemming stukken uit dat lied laat

citeeren, als om te bewijzen, welk lot hem wacht. De verbinding tusschen

den inhoud der verschillende liederen wordt teweeggebracht door

overgangsleden van eigen vinding. Hierbij is o.a. het reeds genoemde

stuk _Sankthansnatten_, dat zelf niet op volksliederen berust, gebruikt.

Het denkbeeld, om op grond van volksliederen lyrische drama's samen te

stellen, is niet het eerst in Ibsen opgekomen. Hierin had hij een

voorganger in den Deenschen dichter Henrik Hertz, die in dit genre

opgang gemaakt had, met name in zijn drama _Svend Dyrings Hus_. Wanneer

men echter op dien grond wel gemeend heeft, dat Ibsen het werk van Hertz

nagevolgd heeft, dan berust dat oordeel op een zeer oppervlakkige

kennisname, en met recht heeft de dichter in de voorrede bij eene latere

uitgave zich tegen zulk een uitspraak verzet. De originaliteit van _Olaf

Liljekrans_ is duidelijk voor ieder, die het stuk ernstig bestudeert, en

een ernstige studie is het overwaard, o.a. omdat het een overgangsstuk

is. Het toont, dat de dichter bezig is, eene krachtige ontwikkeling

door te maken, dat de macht van consequentie en menschenschildering, die

het onpersoonlijke der volkslyriek breken zal, reeds aanwezig is. En zoo

gaat hij hier reeds op vele plaatsen boven zijn programma uit. Maar de

dichter is zich deze komende breuk nog niet bewust; het enthousiasme

voor het volkslied beheerscht nog zijn kunsttheorie. Hij gaat zelfs zóó

ver, dat hij tegen zijn gewoonte in een aesthetische verhandeling

schrijft, waarin hij het nieuwe genre voor den kunstvorm der toekomst

proclameert. Deze verhandeling--later uitgegeven in het tiende deel

zijner _Samlede Værker_--verscheen na de beide tooneelstukken en

beteekent tevens voor Ibsen het slot. Reeds in het volgende jaar (1857)

verscheen _Hermændene_, dat eene nieuwe periode in Ibsen's productie

opent. Intusschen had ook de kritiek zich tegen het lyrische drama

gekeerd. In 1857 schreef een student, Olav Skavlan, onder den pseudonym

Jokum Pjurre, eene comedie _Gildet paa Mærrahoug_, waarvan reeds de

titel toont, dat het vooral tegen Ibsen's drama gemunt is (_mær_

beteekent merrie).

Wat vooral aan de beide stukken van Ibsen nu nog waarde geeft, zijn de

eigenschappen, waardoor zij boven het lyrisch drama uitgaan, de gloed,

waarmee zij geschreven zijn, het meesterschap over de taal--groote

stukken van _Olaf Liljekrans_, waar de individueele lyriek de

volkslyriek doorbreekt, behooren tot de innigste verzen, die Ibsen

geschreven heeft--, en het begin van psychologische karakterstudie. Maar

ook in de dramatische techniek toont zich hier en daar reeds de meester,

die later de anderen zoo ver achter zich zou laten. Zoo wekt de

beurtzang, waarmee het stuk opent, tusschen de beide koren van

bruiloftsgasten, die door zoo verschillende gevoelens bezield zijn,

reeds aanstonds, nog voor men weet, van welk conflict men getuige zal

zijn, eene spanning, die doet denken aan den beurtzang tusschen

jubelende bacchanten en gemartelde Christenen in _Kejser og Galilæer_.

Noorwegens Letterkunde in de Negentiende Eeuw · 第 22 / 44 题