Deze korte schildering van Noorwegens letterkunde in de 19e eeuw begint
met het optreden van Wergeland en Welhaven. Wat daaraan voorafgaat, is
slechts een tot inleiding dienende schets van den toestand in de
voorafgaande jaren. De hoofdnadruk is gelegd op de romantiek en op het
chronologisch zich daarbij aansluitende realisme. Als grens omlaag geldt
ongeveer het slot der eeuw. Over het algemeen heb ik er van afgezien,
verder te gaan, zoowel met het oog op den omvang, dien het werk niet te
buiten mag gaan, als op de moeilijkheid, om tijdgenooten historisch te
behandelen en hun een plaats aan te wijzen. Bij een paar schrijvers werd
op grond van de beteekenis, die zij reeds voor een vroegere periode
hebben, en die aanleiding gaf tot eene breedere behandeling, dan aan
allen kan ten deel vallen, ook in het chronologische een uitzondering
gemaakt. Omgekeerd konden vele schrijvers, die wel vóór 1900
debuteerden, maar wier belangrijkste werk in een jongere periode valt,
niet besproken worden. Ook voor het overige heb ik mij tot het doen
eener--niet al te enge--keuze moeten bepalen en aan vele schrijvers, die
wel eene breedere behandeling verdienden, toch slechts een geringe
plaatsruimte kunnen inruimen. Dit was noodig, zouden de hoofdpersonen
althans eenigszins tot hun recht komen.